De universele betekenis van de collecte

Een exegetische verkenning n.a.v. 2Kor.8:1-15

Gijs van den Brink, 2007 (gepubliceerd in Soteria 24/3)

 

Geld en bezit zijn thema's die ons voortdurend bezighouden. Ons hele leven is er mee verweven. Bijna alles wordt in onze westerse samenleving bezien vanuit een economische relevantie. Geld en bezit zijn vaak, bewust of onbewust, de diepste drijfveren in ons bestaan. Kunnen we als postmoderne christenen nog iets leren van de lessen van de premoderne Paulus in 2Kor.8?

Paulus is in Noord Griekenland (Macedonië) als hij deze brief schrijft. Hij is Titus vanuit Efeze in Turkije (1Kor.16:8) tegemoet gegaan. Titus komt net terug uit Korinthe in Zuid Griekenland, waar hij namens Paulus wat orde op zaken heeft gesteld, maar hij meldt hem goed nieuws (7:16). Deze schrijft vervolgens zijn tweede brief aan de Korintiërs die hij opnieuw aan Titus en twee anderen meegeeft. Zelf zal hij later komen.

 

Geven voor zendingsdoelen

 

We zitten dus midden in een zendingssituatie: prediken, opbouwen, schrijven, reizen en collecteren voor een specifiek doel. Daar worden twee hoofdstukken van deze brief aan besteed ofwel een zesde deel. Dat doel is in dit geval financiële hulp aan de arme gelovigen van Jeruzalem. Zij lijden materieel gebrek vanwege een aantal misoogsten door een hongersnood. Er wordt daarom in Griekenland gecollecteerd voor Jeruzalem. Er zijn veel sociaal-maatschappelijke fondsen actief op de chari-markt in Westerse landen, ook in Nederland. Daar kunnen we blij mee zijn, want deze doen doorgaans heel goed werk, maar laten wij als christenen vooral ook het missionaire doel dat Paulus drijft niet vergeten: De verbreiding van het evangelie en de opbouw van de christelijke gemeente wereldwijd. Geen overheid, geen charitatieve instelling hoe humaan ook, zet zich hiervoor in. De Heer heeft alleen Paulussen en kerkelijke gemeenten op wie Hij een beroep kan doen.

 

Gedegen voorbereiding

 

Met de voorbereiding is in het jaar daarvoor al een begin mee gemaakt (vs.10; vgl. 9:2; 1Kor.16:1-4). Het geven is hier dus geen opwelling, niet een eendagsvlieg die op zondagmorgen even voorbijkomt en daarna weer verdwenen is. Het gaat ook blijkbaar niet om een klein bedrag! Er wordt een jaar voor gespaard. Wekelijks wordt een bedrag apart gelegd (1Kor.16:2). En de hele gemeente is betrokken bij dit ene project. Ik hoor wel eens de vraag: moet je als gemeente geven of individueel? Beide zou ik zeggen. Individueel moet soms zelfs als het gaat om persoonlijke hulp aan een bekende van wie jij alleen weet dat .... (Dat gaat dan in een gesloten envelop zonder afzender door de brievenbus). Maar je samen voor een bepaald doel inzetten is blijkbaar gangbaar in het Koninkrijk, eventueel zelfs samen met andere gemeenten, zoals hier het geval is. Denk bijvoorbeeld ook aan de hulpverlening in de eerste gemeente in Jeruzalem die goed georganiseerd werd (Hand.6).

Samen sparen en geven is veel constructiever en ook (dat is mijn persoonlijke ervaring) veel rijker. Bovendien gaat van een gezamelijke inzameling een getuigenis en aanmoediging uit. Anderen worden aangemoedigd mee te doen en ongelovigen zien de uitstraling van een christelijke gemeente.
Zo stelt Paulus in de eerste vijf  verzen de Macedoniërs (noordelijke Grieken) ten voorbeeld aan de Korintiërs (in zuid Griekenland). Wat je anderen in je omgeving ziet doen werkt altijd als voorbeeld. Geven anderen individueel, jij ook. Welk voorbeeld wordt in onze gemeente gegeven?

 

Geven is genade

 

In vs.1 opent Paulus met ‘wij maken jullie bekend de genade van God die gegeven is aan de gemeenten van Macedonië'. Vrijgevigheid is volgens hem niet in de eerste plaats een plicht, maar een genadegave, een gift, die je van de Heer ontvangt (vgl. Rom.12:7). Dat is toch een verrassende insteek. Hier moeten we even bij stilstaan. God kan en wil dus echte vrijgevigheid in ons bewerken (vgl. Fil.2:13). Hij kan ervoor zorgen dat je graag geeft en ervan geniet om goed te doen met wat je over hebt. Het mogen deelnemen aan de collecte wordt door de gelovigen in Macedonië als een ‘gunst' beschouwd (vs.4).

Dit roept ook wel vragen op, bijvoorbeeld: ik heb die gave niet, hoef ik dan niet mee te doen? Of de verzuchting: had ik maar wat meer van die genade. Mag ik een tegenvraag stellen? Kun je ook groeien in de genade van vrijgevigheid? Volgens Paulus wel. In vs.2 noemt hij in dit verband twee zaken: vreugde en armoede (!).

Het tweede aspect, dat armoede vrijgevigheid zou bevorderen, is verrassend en niet direct begrijpelijk. Het wordt dan ook door de meeste vertalingen (bv. NBV, WV, GNB) wegvertaald met ‘ondanks hun grote armoede'. Maar dat ‘ondanks' staat er niet!! Paulus zegt: ‘hun diepe armoede heeft geleid tot overvloed van rijkdom in hun mildheid'. We weten dat de Korintiërs een arme gemeente waren (1Kor.1:26). Armen zijn ervaringsdeskundigen in de armoede en daarom doorgaans veel vrijgeviger dan rijken. Ze weten uit ervaring hoe geweldig het is geholpen te worden. Dat bevordert vrijgevigheid. Elke keer als ik in Azië kom beleef ik dat. Maar als je nooit zelf hulpbehoevend bent geweest, weet je niet waarover je spreekt. Je kent de armoede alleen via de krant of TV.

Is er dan nog hoop voor ons rijken? De meeste van ons kennen echte armoede niet persoonlijk. Hoe kunnen wij dan groeien in de genade van vrijgevigheid? Gelukkig noemt Paulus nog een tweede geestelijk principe om te groeien in vrijgevigheid: de vreugde. Hij bedoelt de vreugde ‘in de Heer', blijdschap over het feit dat wij ontzettend rijke mensen zijn geworden door het nieuwe leven, het eeuwige leven dat wij door Jezus hebben gekregen (vs.9). Hoe groter de blijdschap, hoe vrijgeviger. Van nature zijn wij meer geneigd te denken dat we door weg te geven zelf minder hebben en dus minder gelukkig worden. De Heer denkt en werkt blijkbaar anders: Hij geeft je veel vreugde, zodat je veel gaat geven en daardoor nog gelukkiger wordt. Dan beleef je wat Jezus zegt: het is zaliger te geven dan te ontvangen.

 

Hoeveel moet ik geven?

 

Dit is typisch een vraag van rijke mensen die meer kunnen geven dan ze feitelijk doen. De vraag is nogal egocentrisch: we vragen niet ‘hoeveel is er nodig en voor welk doel?' Het doel en de omvang van de nood is blijkbaar minder relevant. Nee, hoeveel ik moet afstaan is vaak de belangrijke vraag!

De vraagstelling geeft aan dat we aan de kant van het bezit staan, van hen die genoeg hebben en dat we bang zijn dat we teveel moeten missen. Hoe het ook zij, we hebben de vraag, ik ook helaas. Maar laten we proberen eerlijk te zijn naar de Heer en naar onszelf. Wat wordt er van ons verwacht? We lezen in vs.3 over de Macedoniërs: ‘ze hebben gegeven zoveel als ze konden, ja meer dan dat.' En zij worden als voorbeeld aan ons voorgesteld. ‘Geven zoveel als je kunt' is geen vast bedrag; het is persoonlijk en afhankelijk van situatie en zelfs karakter.

Alleen in de stilte voor Gods aangezicht wordt bepaald hoeveel jij kunt geven. Een eerlijk gebed is dus: Heer, hoeveel kan ik missen. Het gaat om kunnen. Niet de vraag: hoeveel wil ik missen; die kunnen we zelf beantwoorden.

De Macedoniërs geven veel meer dan Paulus verwacht heeft. (vs.5) Vanuit die positieve ervaring moedigt hij vervolgens de Korintiërs aan met de woorden ‘zoals u in alles overvloedig bent'... doe dat dan ook hierin: geef overvloedig (vs.7). Paulus is een goede fondswerver voor de Heer en merkt in vs.8 tussen neus en lippen fijntjes op dat uit de hoogte van het bedrag dat je geeft je toewijding en de echtheid van je liefde blijkt. Dat is niet echt prettig om te horen, maar wel de waarheid natuurlijk.

 

Een pastorale benadering

 

Toch gaat het bij Paulus niet primair om de hoogte van het ingezamelde bedrag. Hij blijft een apostel en herder van de gemeente. Dat blijkt uit zijn woorden: ‘Als u bereid bent mee te doen, wordt niet verwacht dat u geeft van wat u niet heeft, maar van wat u heeft' (NBV; vs.12). Het lijkt erop dat Paulus bang is dat sommige Korintiërs vanuit hun enthousiasme meer zullen geven dan zij eigenlijk kunnen en zo in financiële moeilijkheden zouden geraken.

Daar hoeven we denk ik als berekenende Westerlingen in Nederland niet snel bang voor te zijn. Maar een pastorale benadering blijft ook voor ons van belang. Het gaat uiteindelijk niet om de omvang van de collecte, maar om het welzijn van de gelovigen. En dat niet alleen aan de ontvangst-kant, maar ook aan de gevers-kant. Er zijn vanuit deze pastorale insteek van Paulus heel wat kritische kanttekeningen te maken bij de huidige westerse fondswervingmethoden.

 

Wereldwijde gelijkheid in welzijn

 

In de slotverzen (vs.13-15) bereikt het betoog van Paulus een climax met een universele omvang. Op dit moment is de gemeente van Korinte duidelijk veel welvarender dan die van Jeruzalem. In de toekomst zou zich ook het omgekeerde kunnen voordoen. Het doel van de wederzijdse hulp tussen gemeenten in verschillende landen is: ‘opdat er gelijkheid[i] ontstaat'.

Dat gelijkheid in middelen van bestaan een goddelijk principe is, laat Paulus zien aan de hand van Ex.16:18. De één verzamelde veel meer manna dan de ander, maar bij de afweging van het manna bleek dat elk precies genoeg voor zichzelf en voor zijn gezinsleden had. Door Gods leiding bleek er gelijkheid te zijn.

Het ideaal van de eerste gemeente in Jeruzalem (Hand. 2 en 4) was om in elkaars noden te voorzien, zodat er niemand tekort kwam en iedereen genoeg had. Dit ideaal is door Paulus dus niet alleen niet losgelaten, maar wordt door hem zelfs op wereldschaal toegepast. Hier op de relatie tussen de gemeenten in Griekenland en Israël. Hij roept ons op te streven naar een gelijkelijke verdeling van welvaart in de universele gemeente van Christus.

Er zijn dus wereldwijd twee grote christelijke doelen die om onze financiële steun vragen.

  1. De grote zendingsopdracht om het Evangelie wereldwijd te verkondigen en mensen in nood te helpen.
  2. De grote diaconale opdracht van gelijke verdeling van welzijn in alle gemeenten wereldwijd.

Door dit te doen geeft de gemeente van Christus hier en nu al een voorbeeld hoe de wereld eruit zal zien na de Wederkomst van Christus.

Noten



[i] isots  betekent ‘gelijkheid' en in tweede instantie ‘billijkheid' (LSJ, s.v.; Bauer, s.v.;  SBNT 13, s.v.). Het woord is afgeleid van isos en komt drie keer voor in het NT. In ons tekstgedeelte (2x in vs.13,14), waar het gaat om middelen van bestaan betekent het ‘gelijkheid'.  De tweede betekenis treffen we aan in Col.4:1 waar het gaat om ‘billijkheid verschaffen aan slaven', m.a.w. om een billijke behandeling van slaven. Door een interpreterende vertaling met ‘evenwicht' (WV, GNB, NBV) verbleekt de duidelijke boodschap van Paulus. Waaraan moeten we denken bij een evenwicht in middelen van bestaan? Neigt eerder naar ongelijkheid dan naar gelijkheid.