Discipelschap in het NT

Elim 2007, Drs Gijs van den Brink

Gelovigen of discipelen?

Er wordt nogal eens onderscheid gemaakt tussen een gelovige en een discipel. Een gelovige wordt dan gezien als iemand die slechts gelooft of een bepaald denkbeeld over iets heeft en een discipel is dan iemand die op alle levensterreinen Jezus Christus gehoorzaamt. Dit onderscheid is op grond van het Nieuwe Testament niet te maken. Van beide woorden, van zowel het woord ‘discipelschap' als ‘geloof' komen in het Nieuwe Testament zoveel verschillende aspecten voor, dat het onmogelijk is de woorden in het zojuist genoemde keurslijf te wringen. In het boek Handelingen wordt het woord ‘discipel' bijvoorbeeld veel gebruikt voor een ‘christen' als zodanig (bijv. 6:7; 11:29) en Paulus sluit in zijn gebruik van het woord ‘geloven' gehoorzaamheid in (bijv. Rom. 1:5; 16:26). Op een aantal plaatsen in het boek Handelingen blijkt duidelijk dat ‘discipel zijn' hetzelfde is als bijvoorbeeld ‘gehoor geven aan het geloof' (Hand. 6:7) en ‘in het geloof blijven' (Hand. 14:22).

Wel opmerkelijk is dat, terwijl de woorden ‘geloof' en ‘geloven' door het hele NT heen voorkomen, maar het woord ‘discipel' alleen voorkomt in de evangeliën en het boek Handelingen en daarna niet één keer meer wordt gebruikt. We kunnen maar één reden bedenken en wel dat het woord ‘discipel' binnen de Joodse context in Palestina op een duidelijke wijze de relatie met Jezus Christus aangaf, maar dat dit buiten Palestina, in een Griekse omgeving, niet meer het geval was. Waarschijnlijk suggereerde het hier dat de christelijke godsdienst niet meer was dan een van de vele filosofische bewegingen.

Het initiatief gaat van Jezus uit

Een duidelijk verschil tussen de navolging van Jezus en van een Joodse rabbi is, dat het initiatief van Jezus uitgaat. Hij roept de mensen tot Zich als Hij zegt: ‘Komt achter Mij en Ik zal maken, dat jullie vissers van mensen worden' (Marc. 1:17 ev.). En even later: ‘Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht' (Matt. 11:28-30).

Een unieke relatie met een persoonlijke toewijding

Door de oproep ‘Volg mij' heeft Jezus zijn discipelen in een blijvende relatie en een intieme levensgemeenschap met Zichzelf gebracht (bijv. Marc. 1:17ev.; 2:14). Ze trokken samen op en deelden lief en leed met elkaar. Deze relatie is heel anders dan die tussen een rabbi en zijn leerlingen. Jezus stichtte geen school, maar bracht een nieuwe gemeenschap, een nieuwe ‘familie' met nieuwe relaties tot stand. Gehoor geven aan de oproep ‘Volg mij' brengt iemand in een unieke relatie met de Zoon van God en dat maakt alle andere relaties secundair, de relatie tot je beroep of je familie als ook tot je eigen ‘ik'. Jezus zegt bijvoorbeeld in Lucas 14:26-27 ‘Indien iemand tot Mij komt, en niet haat (in de zin van ‘achterstelt') zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn.' Het persoonlijke in de relatie tussen Jezus en Zijn volgelingen blijkt ook duidelijk uit het gesprek dat de Emmaüsgangers na Jezus' dood met elkaar voeren (Luc. 24:13ev.). Ze hebben het niet over Jezus' leer, maar Hijzelf is het thema van hun gesprek.

Deze persoonlijke relatie vraagt echter ook om een persoonlijke toewijding. Een discipel heeft een onvoorwaardelijk vertrouwen en respect voor het gezag van Jezus Christus. Het gaat niet aan alleen innerlijk in het verborgene in Hem te geloven, maar om in alle opzichten en te allen tijde een getuige van Hem te zijn. Hij zegt: ‘Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is; maar al wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is' (Matt. 10:23-33).

De toewijding van een discipel betekent ook bereidheid om met Jezus te lijden en indien noodzakelijk te sterven. ‘En Hij riep de schare, met zijn discipelen, tot Zich en zeide tot hen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij' (Marc. 8:34 ev.). Een discipel van Jezus is als een ter dood veroordeelde, die zijn leven niet zeker is, omdat het Koninkrijk van Jezus haaks staat op deze wereld.

Medearbeiders in het Koninkrijk van God

Jezus zond de discipelen uit met de opdracht: ‘Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet' (Matt. 10:7-8).
De taak omvat tweeërlei: Ten eerste het prediken van de boodschap dat het Koningschap van God is begonnen met de komst van Jezus, de Messias. Ten tweede draagt Hij hun op de werken te doen die Hij ook deed (vgl. Matt. 9:35). Het zijn de tekenen van de aanwezigheid van de Messias en zijn Rijk (vgl. Matt. 11:3-5). Het Koninkrijk van God is met de komst van Jezus ten dele aangebroken en zal straks bij de wederkomst in heerlijkheid aanbreken. Maar in de tussentijd worden wij door Jezus in deze wereld gezonden, zoals Hij door de Vader werd gezonden (Joh. 20:21).

Ook van de gelovigen als plaatsvervangers van Jezus wordt verwacht dat zij Zijn boodschap verkondigen: ‘De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabij gekomen; bekeert u en gelooft het Evangelie' (Marc. 1:15), dat zij de nieuwe bekeerlingen leren onderhouden alles wat Jezus hun geboden heeft (Matt. 28:19) en dat zij de werken van Jezus doen, te weten de zieken genezen en de demonen uitdrijven. Dit laatste kan niet in eigen kracht, maar alleen in de kracht van de Heilige Geest, de kracht van God die sinds de komst van het Koninkrijk op een bijzondere wijze in de wereld werkt. Deze kracht wordt gegeven aan de volgelingen van Jezus, de gelovigen (Marc. 16:18; Joh. 14:12).

Gave en opgave

Toch is de oproep tot navolging niet alleen een eis die alle levensterreinen omvat, maar allereerst en vooral een alles overtreffend aanbod van verlossing en heil. Jezus biedt Zichzelf aan de mensen aan (Komt allen tot Mij... en Ik zal u rust geven, Matt. 11:28). We zien dit bijvoorbeeld ook duidelijk in de Bergrede (Matt. 5-7). De Bergrede begint met de zaligsprekingen. Als de schare heeft plaatsgenomen begint Jezus met het toezeggen van het heil van het Koninkrijk van God (‘Zalig de armen,... die treuren,... die hongeren...' etc., Matt. 5:3-12).

Vervolgens zegt Hij ‘Jullie zijn het zout der aarde...' en ‘Jullie zijn het licht der wereld...' (Matt. 5:13,14). Pas daarna komt hij met zijn scherpe regelgeving (Matt. 5:17ev.). Eerst de genade en de gave, daarna de opgave. Kort gezegd: Word wat je (in Christus) bent!