Het nut van gaven van de Geest

Gijs van den Brink, 2009 (gepubliceerd in Studiebijbel magazine 3.1)

 

Er is de laatste tijd weer veel aandacht voor de gaven van de Geest. In het NT zijn het voornamelijk Paulus en Lucas, die hier aandacht aan schenken. Als we over ‘geestesgaven' spreken, waar hebben we het dan over? Over geestelijke talenten? Over wonderen? Of nog weer wat anders?

En Paulus zegt: streef naar de hoogste gaven. Kun je naar geestesgaven streven? Hoe dan? En zijn er dan meer en minder belangrijke gaven? Hoogste en laagste? En wat is het nut van deze gaven? Dat zijn de vragen waarover we in deze bijdrage nadenken.

Als we over gaven spreken kunnen we drie onderscheidingen maken. Genadegaven worden onderscheiden van geestesuitingen (vgl 1Kor.12:1,4). En dan hebben we nog de talenten (bv. het maken van tenten bij Paulus, Hand.18:3). Laat ik proberen een korte definitie van de drie termen te geven. Een genadegave (charisma) is een uit genade van God ontvangen voorrecht in het functioneren voor het Koninkrijk van God. Een geestesuiting (pneumatikon) is een direct door de Heilige Geest gewerkte uiting (1Kor.12:1; 14:1) of openbaring (1Kor.12:7). En een talent is een natuurlijke kwaliteit, die aangeboren of aangeleerd is. Bij een christen zijn de talenten met de natuurlijke mens wederom geboren (Joh.3:3-8) en daarmee in dienst van Gods Koninkrijk gekomen.

Alle drie omschrijvingen worden door mij ingesloten wanneer ik spreek over ‘gaven van de Geest'. Dat dit verantwoord is, zal uit het vervolg blijken. Of en wanneer sprake is van een wonder hangt voornamelijk af van filosofische vooronderstellingen en de definitie die gegeven wordt van ‘wonder'. Dat laat ik nu even buiten beschouwing. Ik wil om dezelfde reden liever niet spreken over ‘natuurlijke' en ‘bovennatuurlijke' gaven. Indien nodig gebruik ik daarvoor de termen ‘gewoon' en ‘bijzonder'.


De meest bekende geestesuitingen

 

‘Aan de een wordt door de Geest een woord van wijsheid gegeven; aan een ander een woord van kennis, krachtens dezelfde Geest; 9 aan een derde door dezelfde Geest het geloof; en aan weer anderen schenkt diezelfde Geest de gave om ziekten te genezen, 10 de kracht om wonderen te doen, de gave van de profetie, de onderscheiding van geesten, het vermogen om in talen te spreken of de betekenis ervan uit te leggen.' (1Kor.12:8-10, WV95)

Een uiting van ‘wijsheid en kennis' betreft o.a. inzicht in Gods heilsplan en de toepassing van Zijn wil in het dagelijks leven. Bijvoorbeeld: God wil zendelingen uitzenden - algemene waarheid- maar wil Hij ook mij of jou op dit moment zenden? Daar komt de gave van wijsheid bij te pas.

Bij een uiting van ‘geloof' (vs.9) gaat hier niet over het geloof dat behoudt, maar de gave van het ‘wonderwerkend geloof', die sommigen ontvangen. Het is het geloof, dat ‘bergen kan verzetten'. Door dit geloof ontvang je bijzondere gebedsverhoringen en worden bijvoorbeeld bezetenen bevrijd. De hierna genoemde gave van genezing en werking van krachten kunnen als voorbeelden van dit geloof worden gezien.

Het is opmerkelijk dat er in het Grieks gesproken wordt over ‘gaven van genezingen', in het meervoud dus. We zullen dit zo moeten opvatten, dat je deze gave niet permanent bezit, maar dat deze uitingen telkens opnieuw door de Geest gegeven worden. Het zijn geen talenten die je bezit, maar de Geest bezit deze gaven en gebruikt ons als instrumenten.

De ‘kracht om wonderen te doen' of  ‘werking van krachten' is een verzamelnaam van allerlei tekenen en wonderen die door de kracht van de Heilige Geest worden verricht. Het trappen op of gebeten worden door giftige slangen zonder dat het je iets doet (Hand.28:3-6; vgl.Mar.16:), het rustig lopen temidden van wilde dieren (Daniël in de leeuwenkuil) bijvoorbeeld.

‘Profetie' is het direct onder inspiratie van de Heilige Geest spreken namens God: vermanend, bemoedigend, verborgen dingen aan het licht brengen, soms met betrekking tot toekomstige gebeurtenissen.

Na het profeteren komt het toetsen van de profetie. Daarvoor is de gave van het ‘onderscheiden van geesten' van belang. Maar ook voor het beoordelen van de andere uitingen. Uit welke geest gebeurt iets? Is een openbaring of bijzondere werking van God, van de duivel of ontsproten aan menselijke fantasie of psychische kracht?

‘Spreken in tongen' is een direct door de Geest geïnspireerd spreken in een voor de spreker onbekende taal. En ‘vertolking van tongen' is de gave om de inhoud van de in tongen gesproken boodschap aan de gemeente uit te leggen. Het is geen aangeleerde vertaaltechniek, maar een vertaling die direct door de Heilige Geest wordt ingegeven.

 

Prioriteiten in geestesuitingen

 

De volgorde van de opsomming in 1Kor.12:8-10 geeft aan hoe deze in Korinthe gezien werden. Paulus begint hier met wijsheid en kennis (vs 8), die in Korinthe voorop stonden, zoals blijkt uit 1Kor.1:5-6, ‘Want in Christus bent u in ieder opzicht rijk begiftigd met alle gaven van woord en kennis, naarmate het getuigenis over Hem bij u ingang vond. Paulus zelf kent een andere prioriteit, hij zet namelijk het profeteren voorop (14:1). Zijn opsomming ziet er iets anders uit en deze vinden we in 1Kor.12:28 ‘Nu heeft God in de gemeente allerlei mensen aangesteld, allereerst apostelen, vervolgens profeten, en verder leraren; voorts is er de gave om wonderen te doen, te genezen, te helpen, te besturen en in talen te spreken.'

Hij geeft duidelijke prioriteiten aan: ten eerste, ten tweede... Vervolgens valt het op dat hij geen onderscheid maakt tussen meer gewone gaven en bijzondere. De gave om in tongen te spreken en die van het besturen staan naast elkaar. En vervolgens zegt hij in vers 31 ‘Streef naar de hoogste gaven', d.w.z. apostel en profeet. Ook naar de andere gaven mag gestreefd worden, zo stelt hij in 14:1, maar ook daar laat hij dit weer volgen door ‘maar allereerst naar de profetie.'

 

Geestesgaven aanleren?

 

Wat moeten we verstaan onder ‘streven naar'? Kun je gaven en geestesuitingen dan aanleren?

We horen Paulus spreken over ‘streven naar' gaven (14:1), maar ook met betrekking tot het spreken in tongen over ‘ieder moet op zijn beurt spreken' (14:27, tongen) en over de profeten dat de ‘geesten van de profeten aan de profeten onderworpen zijn' (14:32).

Eén duidelijke conclusie kunnen we hieruit meteen al trekken, namelijk dat de gaven, ook de bijzondere uitingen niet functioneren in een soort van extase. Dit gebeurt wel in andere godsdiensten: het is het dwingende van satan, wat de bijbel bezetenheid noemt.

Maar terug naar onze vraag: kunnen geestesgaven aangeleerd worden? Ja en nee. Sommige meer, andere minder, zou ik zeggen. In ieder geval kun je de uitingen van de Geest niet leren op een mechanische wijze, zoals in ons reguliere onderwijs. Stel, iemand ziet in mij de gave van herder. Hij gaat dezelfde boeken lezen, dezelfde cursus volgen, zelfde studie etc. Is dat een garantie dat hij dezelfde persoon wordt als ik? Nee! Terwijl iemand met een heel andere opleiding, andere boeken, toch dezelfde pastorale gave kan ontwikkelen. Het heeft dus niet zozeer te maken met kennisoverdracht en intellectuele ontwikkeling.

Waarmee heeft het ‘streven naar' dan wel te maken? Het is mijns inziens te vergelijken met karakterontwikkeling, die voor een groot deel een gegeven is, maar voor een ander deel beïnvloedbaar. Zo is het ook gesteld met de karakterontwikkeling van de ‘nieuwe mens'. Het kan een karakter worden waarin geestesgaven functioneren, maar dat gebeurt niet noodzakelijkerwijs. Hier speelt het ‘streven naar' een rol.

Het Griekse woord voor ‘streven naar' betekent letterlijk ‘ijverig zijn, beijveren'. Het spreekt over een ernstig en intens verlangen. Hetzelfde woord komt ook voor in Gal.4:18, ‘Het is mooi als men altijd ijvert voor een goede zaak, maar dan ook altijd, en niet alleen als ik bij u ben.' Zo leren we een belangrijke les, die ook bij de gaven heel belangrijk is. Wanneer je niet blijvend naar een gave streeft, maar alleen af en toe, is er geen sprake van ‘ijveren', maar van interesse, nieuwsgierigheid of zelfs sensatie!

Heel praktisch gesproken kunnen we bij ‘beijveren' denken aan bidden voor een gave en aan het bestuderen van de bijbel met betrekking tot de gave waarnaar je verlangt. Maar het is ook belangrijk te praten, bidden en op te trekken met gelovige vrienden in wie je de gave ziet functioneren. Denk aan de profetenscholen in het OT. En verder geeft Paulus in 1Kor.14:12 het belangrijke advies om in het bezig zijn met gaven uit te munten tot stichting van de gemeente.

 

Een gave zijn is belangrijker

 

Een geestesgave ontvangen is het voorbereidende werk. Het belangrijkste is niet een gave te hebben, maar om een gave te zijn. Heeft de gemeente in jou iemand gekregen die tot opbouw en stichting is. Dat dit het doel is, blijkt al uit het prioriteitenlijstje van Paulus: de eerste gaven zijn mensen. Zij hebben niet alleen een gave, ze zijn zelf een gave. Dit lezen we ook in Ef. 4:11, ‘En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars'.

De gaven die God aan de mensen geeft, zijn zelf ook mensen, om de gemeente toe te rusten.

Paulus zegt verder in 12:11 duidelijk dat iedere gelovige gaven heeft: ‘Dit alles is het werk van één en dezelfde Geest, die aan ieder zijn gaven uitdeelt zoals Hij het wil'. De vraag is dus niet zozeer of wij gaven hebben, maar meer of wij ook toegewijd zijn om een gave te zijn voor anderen?!

 

Een gave vraagt om een offer 

 

Van het zijn van een gave komen we op de relatie tussen geestesgaven en toewijding. Hierover spreekt Paulus in Rom.12:6-8: ‘De geestelijke gaven die wij bezitten, verschillen naar de bijzondere genade die ieder van ons is geschonken. Is het de gave van de profetie, gebruik die dan in overeenstemming met het geloof. Is het de gave van dienstbetoon of van lering, leg u dan toe op dienstbetoon of onderricht. Wie anderen kan bemoedigen, moet dat doen. Wie iets heeft uit te delen, moet het zonder bijbedoelingen wegschenken. Als u leiding geeft, doe het met ijver, als u barmhartigheid bewijst, doe het blijmoedig.'

Paulus bespreekt hier de gaven onder het thema van het ‘ware offer': ‘En nu, broeders en zusters, vermaan ik u bij Gods ontferming: Wijd uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, Hem welgevallig. Dat is de geestelijke eredienst die u past' (Rom. 12:1).

Ook hier hanteert Paulus geen onderscheid tussen natuurlijk en bovennatuurlijk. Ook hier gaat het niet om de gaven op zich. De lijst bevat slechts voorbeelden, hij is niet geordend naar prioriteiten en is ook niet volledig. En er wordt verondersteld dat iedere gelovige gaven heeft. Waar het hem om gaat is dit: hoe gaat iemand met zijn/haar gaven om? Is iemands leven een heilig en God welgevallig offer?

Paulus maakt ook hier geen onderscheid tussen ‘gewone' en ‘bijzondere' gaven. Hij noemt enerzijds meer alledaagse gaven zoals dienstbetoon, onderwijs, bemoediging, leiding geven, hulpverlening en ziekenzorg. Hij spoort de gelovigen in Rome aan deze op een goede manier in praktijk te brengen. Anderzijds noemt hij de meer bijzondere gave van profetie en zegt hierover: ‘gebruik die in overeenstemming met het geloof', dat wil zeggen naar de mate van het geloof, dat God een ieder in het bijzonder toebedeelt (vs 3). Ook hier is de spits dus hoe iemand met deze gave om gaat. Voor alle meer bijzondere gaven is het van belang dat we handelen naar de mate van onze geloofsovertuiging. Geloof staat dan tegenover twijfel. Paulus zegt in Rom.14:23 ‘Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde.' We mogen niet denken, baat het niet dan schaadt het niet. Twijfel schaadt! Niet ‘uitstappen in geloof' als je dat geloof niet hebt. Dat is bijzonder schadelijk. Maar ben je eenmaal zelf overtuigd dat de Heer je iets laat zien, spreek vrijmoedig. Je bent het de Heer en de gemeente verplicht. Het is ook schadelijk als je uit schaamte zwijgt.

 

Brede opvatting van charismata

 

De opvatting van Paulus over geestesgaven is dus heel breed. Hij verstaat hieronder niet alleen de bijzondere geestesuitingen, maar ook de meer gewone menselijke kwaliteiten en talenten. Bovendien zegt hij in 1Kor.7:7 over zijn ongehuwde staat: ‘Ik zou liever zien dat alle mensen waren zoals ik, maar iedereen heeft van God zijn eigen gave gekregen, de een deze, de ander die.' Dus ook zijn maatschappelijke positie als celibatair ziet hij als een charisma, een geestesgave. En moeten we in deze context bij de verwijzing naar de gave van een ander niet denken aan het op een liefdevolle en gepaste wijze omgaan met zijn of haar levensgezel (vs.3-5)? Alles wat een christen uit genade is of mag doen voor de Heer, ziet Paulus als een genadegave (charisma), een uit genade van God ontvangen voorrecht om Hem te dienen.

 

Tot nut voor gelovigen en ongelovigen

 

We hebben eerder al opgemerkt dat Paulus zegt (in 1Kor.14:3,5,12,26) dat de gaven tot opbouw, tot nut van de gemeente moeten zijn. Moeten we dit zo verstaan dat Paulus het nut van de charismata beperkt tot de gemeenschap van gelovigen? In vers 3 spreekt hij toch algemener: ‘Maar wie profeteert, spreekt voor de mensen stichtend, vermanend en bemoedigend'. En in vers 24-25 spreekt hij zelfs ronduit over het nut van de gave van profetie voor ongelovigen: ‘Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of buitenstaander binnen, dan wordt hij door allen terechtgewezen, door allen beoordeeld en worden zijn verborgen gedachten blootgelegd; dan zal hij zich ter aarde werpen, hij zal God aanbidden en belijden dat  God werkelijk in uw midden is.'

De geestesgaven zijn van groot belang voor de verspreiding van het Evangelie. Aangezien de context in de brieven die van de christelijke gemeente is, is het niet vreemd dat we dit aspect daar minder, maar in het boek Handelingen veel meer tegenkomen.

In Handelingen lezen we regelmatig over ‘tekenen' en ‘wonderen' (2:43; 5:12; 6:8; 8:6,13; 14:3; 15:12). De genezingen en andere charismata dienen als legitimatie van de prediker en zijn boodschap. Wonderen en tekenen ondersteunen en bevestigen de boodschap van de apostelen. Lucas schrijft over Paulus en Barnabas dat ‘de Here getuigenis gaf aan het woord van zijn genade en tekenen en wonderen door hun handen deed geschieden' (14:3). In dezelfde lijn spreekt ook Marcus over genezingen: ‘Doch zij gingen heen en predikten overal, terwijl de Here medewerkte en het woord bevestigde door de tekenen, die erop volgden' (Mar.16:20).

We zien in het boek Handelingen dat door het zien van genezingen en wonderen mensen tot geloof komen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de genezing van Eneas (9:32-35) en de opwekking uit de dood van Dorcas (9:37-43). Zo zien we dat de charismata enerzijds gezien worden als manifestaties van de Geest (1Kor.12:4-11) en anderzijds als legitimatie van de prediker en zijn boodschap (2Kor.12:2).