Jezus als vluchteling en dakloze

Vluchtverhalen en vluchtelingen in het NT

 

Gijs van den Brink, 2016 (gepubliceerd in Studiebijbel magazine 9.3)


‘Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, ... Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte.' (Mat.2:13-14)
‘Maar de vrouw kreeg de twee vleugels van de grote adelaar om naar haar plaats in de woestijn te vliegen, waar gedurende een tijd en twee tijden en een halve tijd voor haar gezorgd zou worden, buiten het bereik van de slang.' (Op.12:14)
Het Nieuwe Testament begint en eindigt met een vluchtverhaal. In beide gevallen betreft het ook nog eens een vrouw die zojuist bevallen is en die in veiligheid gebracht moet worden, omdat een onderdrukkende vorst haar en vooral het kind wil doden. Wat lezen we in het NT nog meer over vluchtelingen? En hoe is God bij deze vluchtsituaties betrokken?

 

Jezus' leven begint met een vlucht

Een engel spreekt tot Jozef in een droom: ‘Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen.' (Mat.2:13)
Toen de wijzen niet bij Herodes terugkwamen zoals hij hen gevraagd had, zal dat voor hem aanleiding geweest zijn om informatie in te winnen. Wanneer hij merkt dat hij door de magiërs bedrogen is, wordt hij woedend en besluit alle jongens van twee jaar en jonger te laten doden.
Waarschijnlijk is onmiddellijk na het vertrek van de wijzen uit het Oosten de engel aan Jozef verschenen om hem te zeggen dat hij naar Egypte moest vluchten. Sinds de tijd van Alexander de Grote (4de eeuw v.Chr.) hadden veel joden zich in Egypte gevestigd. Ze woonden m.n. in de wereldstad Alexandrië.
Deze vlucht naar Egypte doet denken aan Abraham (Gen.12:10), Jakob (Gen.46) en de zonen van Jakob (Gen.42 en 43) die ook naar Egypte gedreven werden. Zo wordt ook de gelijkenis tussen de jeugd van Jezus en de jeugd van het volk Israel duidelijk. De vlucht van Maria en Jozef zelf is ook weer een beeld van een later gebeuren, de vlucht van de gemeente in de eindtijd (Mat.24:16,22; Op.12:6,13-14). Deze vlucht van Jozef en Maria naar Egypte heeft dus een grote betekenis en er kunnen belangrijke theologische lijnen getrokken worden naar de context van de christelijke gemeente vandaag. Maar we moeten tegelijkertijd ook aan de feitelijkheid van deze gebeurtenis blijven vasthouden. We mogen dit vluchtverhaal niet laten verdampen tot een theologische boodschap.
De harde werkelijkheid is dat Jozef en Maria met hun pasgeboren kindje Jezus ‘asiel' moeten zoeken in Egypte. Het betreft een reis van minstens 300 à 500 km afhankelijk van de plaats in Noord-Egypte.
Te voet en met een ezeltje of muildier voor de bagage kon men hooguit 25 km, vaak niet meer dan 15 km per dag afleggen./1  Deze reis heeft dus minstens een maand geduurd. En dat gebeurde in ronduit levensgevaarlijke omstandigheden. De classicus Fik Meijer stelt dat reizen voor het plezier in de eerste eeuw in het Romeinse Rijk alleen gebeurde door vermogende Romeinen die zich konden beschermen. Reizen zonder bescherming was levensgevaarlijk. "Waar hij ook was, een vreemdeling liep altijd het gevaar het slachtoffer te worden van rovers en zakkenrollers ... Diefstal, afpersingen, straatberovingen, moord en doodslag waren ... de gewoonste zaak van de wereld. Buiten de stadsmuren liepen de reizigers nog veel grotere risico's." (Meijer, pg. 151)
Werden Jozef en Maria bij deze reis geholpen? Door vrienden of een soort ‘reisagent'? In Egypte hebben zij als vluchtelingen onderdak en bescherming gevonden. In dezelfde tijd laat Herodes alle jongetjes onder twee jaar in de regio van Betlehem doden. Jezus en zijn ouders moesten vluchten voor politieke en religieuze vervolging. Beide zijn ook vandaag redenen om te vluchten en in een ander land asiel aan te vragen.

 

Jezus was arm en dakloos

‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.' (Mat.8:20)
Niet alleen bij zijn geboorte, maar ook later tijdens zijn openbare bediening is er voor Jezus geen plaats om zijn hoofd neer te leggen, een beeld van dakloosheid en absolute armoede. De Mensenzoon is in de joodse apocalyptiek een hemelse figuur in Gods onmiddellijke nabijheid, preëxistent en door God verborgen gehouden in de hemel tot het moment dat Hij Zich openbaart om het laatste oordeel te voltrekken. Het contrast van het gebruik van deze titel in onze context is dus wel heel scherp. Hij die op aarde dakloos is en in absolute armoede en afhankelijkheid leeft, is de majestueuze hemelse rechter. Het herhaalde gebruik van ap-erchomai, ‘weggaan, vertrekken' (8:18,19,21,31,32 en 33) en het verjagen van Jezus uit het land van de Gadarenen (vs. 34) geeft aan dat Matteüs spreekt over een letterlijk dakloos zijn. De lezer herinnert zich de woorden uit Mat.6:25-30, waar Jezus sprak over Gods wonderlijke zorg voor in armoede geraakte gelovigen.
Als rondreizend prediker kende Jezus de leefwijze van de migrant, die wel ergens een huis heeft (in Kafarnaüm, Mat.4:13), maar in het land waarheen Hij vertrokken is geen plaats heeft om het hoofd neer te leggen.
Sommige christenen in het Westen gedragen zich alsof een rustig en gemakkelijk leven tot het normale christelijke leven behoort. Vanaf het allereerste begin haalt het levensverhaal van Jezus een dergelijke vooronderstelling onderuit.

 

Zending, vervolging en vlucht

‘Wanneer ze jullie vervolgen in de ene stad, vlucht dan naar de volgende' (Mat.10:23).
Toen Jezus de twaalf uitzond bereidde hij hen voor op mogelijke vervolging en vertelde hun dat ze in dat geval moesten vluchten. Hij vroeg hen te volharden tot het einde (vs.22b), maar met verstand. We zien hier dat dit inhoudt, dat ze het martelaarschap niet mogen zoeken. Jezus zegt zelfs dat ze het zo mogelijk moeten vermijden en naar een andere stad vluchten, om dan daar het Evangelie te verkondigen. En deze situatie is niet tijdelijk, zegt Jezus hen, maar dit vervolgd worden en vluchten zal voortduren totdat Hij terugkomt in heerlijkheid/2 : ‘want ik verzeker je, jullie zullen de steden van Israël nog niet rond zijn voordat de Mensenzoon komt' (vs.23b). Deze woorden van Jezus worden verschillend uitgelegd (zie comm. StudieBijbel bij Mat.10:23). Maar de meest eenvoudige en dus meest aannemelijke uitleg is dat Hij bedoelt dat de discipelen er niet op moeten rekenen dat hun taak gemakkelijk is of dat ze er snel mee klaar zullen zijn. Integendeel, ze zullen niet gereed komen voordat Hij terugkomt en ze zullen al die tijd veel tegenstand en vervolging ondervinden. Letterlijk zegt Jezus: ‘Jullie zullen geenszins beëindigen/volbrengen'. Dit kan zowel over het beëindigen van het vluchten gaan als over het volbrengen van de taak van prediking. De directe context van vs.22 doet eerder aan het eerste denken, maar Mat.10:5-6 weer eerder aan de tweede mogelijkheid. Beide opties sluiten elkaar overigens niet uit.
De steden waar Jezus over spreekt zijn dus plaatsen waarheen de discipelen kunnen vluchten. Zo wordt dit woord een troostwoord: het zal jullie tot op het ogenblik dat de Mensenzoon terugkomt in heerlijkheid niet aan steden ontbreken, waarheen je kunt vluchten. Niet in Israël en niet in de wereld. Het is een troostwoord, maar Jezus beschrijft de tijd tot aan de wederkomst hier wel als een tijd van vervolging en vluchten. Iets wat wij ons als westerse christenen maar moeilijk kunnen voorstellen. Toch zien we al in het boek Handelingen dat deze woorden in vervulling gaan. Na de moord op Stefanus breekt er een vervolging uit in Jeruzalem (Hand.8:3). Velen, onder wie Filippus vluchten naar andere streken buiten stad. En de situatie zal er naarmate de tijd van de wederkomst nadert niet beter op worden, integendeel. Ook daarover heeft Jezus gesproken.

 

Vluchten naar de bergen

‘Wanneer jullie dus de "verwoestende gruwel" waarover gesproken is door de profeet Daniël, zien staan op de heilige plaats - lezer, begrijp dit goed-, dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten.' (Mat.24:15-16)
Evenals bij de omsingeling van Jeruzalem door legerkampen in 70 n.Chr. (Luc.21:20-21) gebiedt Jezus zijn discipelen en met name hen die in Judea verblijven, ook in de dagen dat de antichrist zich zal openbaren in de tempel, te vluchten naar de bergen.
Volgens de profetie van Daniël wordt de ontwijding van de tempel gevolgd door een vervolging van de gelovigen (Dan.11:31-35). Ook Jezus voorzegt dit. Het zal een grote verschrikking zijn zoals er niet geweest is van het begin van de wereld tot dan toe (24:21-22). De situatie voor de christenen in de wereld zal dramatisch verslechteren, zegt Jezus. Het advies is ook nu weer om te vluchten, maar niet naar een andere stad, maar naar de bergen. Het zal een crisissituatie zijn.
De vlucht zal heel snel moeten gebeuren (vs.17). Wie zich op die dag op het platte dak, met zijn trap langs de buitenmuur, bevindt, zal niet eerst zijn huis moeten binnengaan om nog iets mee te nemen.
Wie in zijn hemd op het veld werkt, moet niet eerst thuis kleren gaan halen (vs.18). ‘Wat zal het rampzalig zijn voor de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben!' zegt Jezus (vs. 19). Zij zijn namelijk tegen de ontberingen van een snelle vlucht het minst opgewassen.
Als ik dit lees, zie ik de beelden voor me die we de laatste maanden keer op keer op TV zagen, van tienduizenden vluchtelingen die in lange rijen door weer wind over velden, paden en spoorwegen door Europa trekken, op de vlucht. Moeders met huilende kinderen, met niets bij zich dan een rugzakje met wat proviand. Zij maken nu mee, wat ons als christenen ook kan overkomen.
Maar voor ons is er ondanks alle vervolging hoop, want voor ons is er een belofte. We begonnen dit artikel met een citaat uit Op.12:14. De context is gelijk aan die van Mat.24:15, namelijk de tijd van de antichrist. De vrouw, een beeld van het volk van God, wordt door de draak (de duivel) en het beest (de antichrist, Op.13) vervolgd, maar zal door God als op arendsvleugels naar een veilige plaats gebracht worden, waar Hij gedurende heel de tijd van de antichristelijke regering voor zijn volk zal zorgen (Op.12:6).

 

Vreemdelingschap als metafoor

De letterlijke armoede en dakloosheid van Jezus worden in de brieven verruimd naar het thema van de vreemdelingschap en toegepast op alle gelovigen. Vooral Petrus pakt dit op. Hij begint zijn brief met
‘Aan de uitverkorenen die als vreemdelingen verspreid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië verblijven' (1Pet.1:1). En in 2:11 zegt hij tegen zijn lezers: ‘Geliefde broeders en zusters, u bent als vreemdelingen die ver van huis zijn'.
De gelovigen heten ‘vreemdelingen', waarmee de apostel aangeeft dat deze wereld niet het werkelijke ‘thuis' en de uiteindelijke bestemming van de gelovigen is (vgl. Fil.3:20). Dit ‘vreemdelingschap' (vs.17) komt tot uiting in een andere manier van leven (vs.15,22; 2:1,11,12, vgl. Ef.4:17), hetgeen lijden met zich meebrengt (1Pet.4:12) en door de heidense omgeving als ‘vreemd' (1Pet.4:4) wordt ervaren. Het navolgen van Jezus Christus betekent een voortdurend als pelgrims onderweg zijn naar de stad van God (Heb.11:16).
Bij dit alles mogen wij de verbinding met de letterlijke betekenis van het vreemdelingschap zoals we dat bij Jezus zien, niet uit het oog verliezen. Want ook dit kan voor gelovigen een consequentie zijn die ook ons kan treffen. Jezus heeft zijn discipelen hier ook op voorbereid, zoals we zagen (Mat.10:23; 24:16).

 

De ‘gezegenden van mijn Vader'

Wat moet onze houding zijn in tijden dat wij niet vervolgd worden, maar in rust en vrede leven in het land waar we wonen? De ‘door de Vader gezegenden' zullen straks bij het Grote Oordeel de volmaakte zegen in ontvangst nemen en deel krijgen aan zijn Koninkrijk, want:
"Ik had honger en jullie gaven mij te eten, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op, ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij, Ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe." (Mat.25:35-36)

 

Noten
1. F. Meijer, Op reis in het Romeinse Rijk, pg. 147; http://www.dbnl.org/tekst/_vla016200401_01/_vla016200401_01_0033.php)
2. Ik geloof dat Jezus hier over zijn komst in heerlijkheid spreekt (Mat.24:30; 26:64); voor andere opties zie comm. StudieBijbel bij Mat.10:23.