De achtergrond van het evangelie naar Johannes

Drs G. van den Brink, 1990

Terug naar Index theologie 

Het evangelie naar Johannes wordt doorgaans los van de eerste drie evangeliën besproken. Men ziet grote verschillen tussen de synoptische evangeliën Matteüs, Marcus en Lucas enerzijds en het evangelie naar Johannes anderzijds. Dit evangelie is ook in veel opzichten anders. De vraag is echter of het zodanig anders is dat de Christus van het vierde evangelie een andere is dan die ons in de eerste evan­geliën geschilderd wordt?

Volgens Kümmel[i] en vele anderen is het neerdalen en opstijgen van de Verlosser, wat zo bepalend is voor de christologie in het vierde evangelie, kenmerkend voor de gnostiek en een thema, dat het jodendom niet zou kennen. Met name de verbinding van een preëxistente Christus met het neerdalen en heengaan van Christus zou in het jodendom niet worden gevonden; daarentegen wel in de gnostiek. Zo komt men ertoe dit evangelie tot de gnostisch-christe­lijke literatuur te rekenen in plaats van tot de joods-christe­lijke.

We kunnen in het kader van dit  onderzoek geen aandacht besteden aan de wortels van de gnostiek noch aan de ouderdom van de gnostische verlossersmythe. Ook kunnen we hier geen of slechts zijdelings aandacht schenken aan allerlei andere karakteristieken van het Johannes-evangelie zoals de tegenstellingen, de ‘Ik ben' uitspraken en de beeldende omschrijvingen van het heil, zoals water des levens en brood des levens. We willen vanuit een positieve argumentatie de achtergrond van de Johanneïsche christologie en daarmee van het evangelie van Johannes als geheel beschrijven.

 

Het woordgebruik ‘neerdalen' en ‘opstijgen'

 

In de eerste plaats moeten we stellen dat het uitsluitend spreken over ‘neerdalen' en ‘opstijgen' van de Christus nogal suggestief is. We vinden in het evangelie maar liefst 10 verschillende woorden om dit te beschrijven. 65  keer[ii] is het een vorm van de werkwoorden ‘gaan' en ‘komen'. 43  keer[iii] wordt het omschreven met een vorm van ‘zenden' bijvoorbeeld ‘Hem, die Mij gezonden heeft.' En slechts zeven keer als ‘neerdalen' en ‘opvaren'[iv]. Verreweg de meeste keren spreekt Johannes dus over het ‘komen' en ‘gaan' van Jezus. We stellen dan ook voor om, als wij generaliseren, dit woordgebruik te hanteren.

 

Literaire achtergrond

 

We willen nu zien of de literaire achtergrond ons misschien op een spoor brengt. Meteen al in Joh.1:1-2 waar we lezen, ‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God'[v] noteert Aland (NA27[vi]) in de kantlijn naast Genesis1:1 een verwijzing naar de Wijsheid in Spreuken 8:22-23, ‘Jahwe schiep mij aan het begin van Zijn wegen nog voor Zijn werken, van oudsher. Van eeuwigheid ben ik gevormd vanaf het begin, voordat de aarde ont­stond.' 

Ook in Openbaring 3:14 be­schrijft Johannes Jezus met woorden uit Spreuken 8:22 als hij zegt: ‘Dit is de Amen ... het begin der schepping Gods'. In Johannes 14:23, waar Jezus zegt, ‘Indien iemand Mij liefheeft... Mijn Vader  zal hem liefhebben en wij zullen tot hem  komen...'  verwijst NA27 naar Spreuken 8:17, waar de Wijsheid zegt: ‘Wie mij liefhebben heb ik lief.' 

In Johannes 6, waar we één van de karakteristieke gedeelten van het Johannes-evangelie hebben over het ‘brood des levens' en het eten en drinken van de Zoon des Mensen, verwijst Aland (NA27) bij vers 35 naar Jezus Sirach 24:21, waar de Wijsheid zegt: ‘Wie mij eten... en wie mij drinken.' Tot het hart van onze thematiek behoren de woorden, die Jezus in Johannes 7:34 en 8:21 tot de Joden sprak en in 13:33 ook tot de discipelen.

We citeren Joh.7:33-34, ‘Jezus dan zeide: Nog korte tijd ben Ik bij u  en dan ga Ik heen tot Hem, die Mij gezonden  heeft. Gij zult Mij zoeken en niet vinden en  waar Ik ben, kunt gij niet komen.' Als Jezus zegt: ‘Gij zult Mij zoeken en niet vinden', neemt Hij de woorden van de Wijsheid uit Spreuken1:28 in de mond: ‘Zij zullen mij zoeken, maar mij niet vinden.' Dit is een belangrijke verwijzing, omdat de drie genoemde tekstplaatsen behoren tot de kern van de Johanneïsche christolo­gie.
Het is opmerkelijk dat we in de zojuist geciteerde bewijsteksten een gehypostaseerde Wijsheid ontmoeten, d.w.z. de Wijsheid wordt gepersonifieerd en representeert God.

Zou een studie van deze gepersonifieerde Wijsheid in Spreuken 1 en 8 en Jezus Sirach 24 ons misschien verder brengen bij het zoeken naar de herkomst van het komen en gaan van de Heiland, dat zo centraal staat in het evangelie naar Johannes?

 

Het Oude Testament

 

Job 28

Er is eigenlijk al vóór het boek  Spreuken sprake van een verzelfstandiging van de wijsheid, namelijk in Job 28. Als de discussie tussen Job en zijn vrienden is vastgelopen en zij het probleem van het lijden van de onschuldige niet hebben kunnen verklaren, vinden we in hoofdstuk 28 een antwoord op de vraag: ‘Waar vind je de wijs­heid?'. Weliswaar wordt de wijsheid hier niet als persoon voorgesteld, maar zij wordt wel als een zelfstandige grootheid gezien. Ze wordt namelijk zowel onderscheiden van God, als ook van de scheppingswerken[vii].
Naar deze wijsheid wordt zo harts­tochtelijk gezocht, dat het zoeken en vragen volgens Von Rad[viii] hier al de klank van een heilsvraag heeft. Maar laten we eens zien wat er over deze wijsheid wordt gezegd.

Ten eerste wordt gesproken over de verborgenheid van de wijsheid,
13 ‘Geen mens kent de weg naar haar toe, in het land der levenden is zij onvindbaar.'
21 ‘Zij is verborgen voor al wat leeft. Zelfs de vogels in de lucht kunnen haar niet ontdek­ken.'

Ten tweede lezen we dat zij alleen door God gevonden of gekend wordt.
23 ‘God alleen kent het pad er naar toe. Hij weet waar zij zich ophoudt.'

Ten derde is de wijsheid betrokken bij de schepping van de wereld.
25-27 ‘Toen Hij (God) de kracht bepaalde van de wind en de omvang van de zee, de wet voorschreef aan de regen, donder en bliksem dirigeerde toen zag Hij de wijsheid en berekende haar, Hij stelde haar op haar plaats en onderzocht haar.'
Het in details moeilijk te begrijpen laatste vers (27) zegt in ieder geval dat God de wijsheid bij de schepping van de wereld gebruikte[ix].

 

Spreuken 1: 20-33

Spreuken 1, waar we zes kenmerken van de  gepersonifieerde Wijsheid vinden, brengt ons inhoudelijk een heel stuk verder:

1). De oproep van de Wijsheid aan onverstandigen en dwazen.
20 ‘De Wijsheid roept luidkeels, buiten op straat, en zij verheft haar stem op de pleinen. 22 Hoe lang nog, onverstandigen, bemint gij het onverstand ... en zijn dwazen afkerig van kennis? 23 Keert u tot mijn vermaning! Zie, ik wil mijn geest voor u uitstorten , u mijn woorden bekend maken.'

2). De Wijsheid wordt afgewezen door de massa, die daarom onverstandig blijft en het oordeel over zich haalt.
24 ‘Omdat, toen ik riep, gij hebt geweigerd, omdat toen ik mijn hand uitstak, geen mens er acht op sloeg, ...31  daarom zullen ze de vruchten eten van hun gedrag... 32  Want de onverstandigen vinden de dood door hun eigen onverschilligheid...'

3). Het vertrek van de Wijsheid.
28  Dan zullen zij mij roepen, maar ik geef geen antwoord; dan zullen zij mij zoeken, maar zij vinden mij niet.
De kern van het oordeel van de Wijsheid is dat zij zich zal terugtrekken[x], wat dood en verderf tot gevolg heeft.

4). De Wijsheid wordt aanvaard door enkelen.
33  Maar wie naar mij luistert, zal gerust wonen, beveiligd tegen de verschrikking van het onheil.
Hoewel de massa de Wijsheid afwijst, zijn er toch enkelingen die naar haar luisteren. Dit wordt door vs 33 geïmpliceerd. Je zou hen de uitverkorenen van de Wijsheid kunnen noemen.

5). De Wijsheid schenkt het heil (vs 32).
32 ‘De onverstandigen vinden de dood.... 33 Maar wie naar mij luistert, zal gerust wonen, beveiligd tegen de verschrikking van het onheil.'
De Wijsheid spreekt hier met goddelijke autoriteit, zoals God ook spreekt door de profeten[xi]. Haar verkondiging stelt voor de keuze van leven en dood. Wie naar haar luisteren zullen de ware rust en veiligheid ontvangen. Rust en veiligheid vertegenwoordi­gen als heilsgoederen het volle heil[xii].

6). De Wijsheid is zelf het heil.[xiii]
23 ‘Zie ik wil mijn geest voor u uitstorten.'
We zien in het aanbieden van het heil een analogie met het aanzeggen van het oordeel. Het oordeel houdt in, dat de Wijsheid zich terugtrekt, wat dood en verderf tot gevolg heeft. Het heilsaanbod houdt in, dat de Wijsheid zichzelf aanbiedt, wat het volle heil tot gevolg heeft (vs 33).

Kort samengevat heeft Spreuken1: 20-33 de volgende inhoud: De Wijsheid, als representante van God, roept de dwazen tot zich en biedt hen zichzelf, namelijk het heil aan, vindt echter geen gehoor en kondigt dan haar vertrek, het oordeel, aan. Alleen enkele uitverkorenen luisteren naar haar.

 

Spreuken 8

In Spreuken 8 ontmoeten we opnieuw een aantal kenmerken van de gepersonifieerde Wijsheid, die we al zagen in Job 28 en Spreuken 1. We noemen deze, maar hoeven er in het kader van deze voorstudie niet uitvoerig op in te gaan. Het zijn:

1. De Wijsheid is betrokken bij de schepping van de wereld (8:27-30).
2. De oproep van de wijsheid aan onverstandi­gen en dwazen (8:1-6a).
3. De Wijsheid wordt afgewezen (8:36).
4. De Wijsheid wordt aanvaard door enkelen (8:17,21,32-35).
5. De Wijsheid schenkt het heil (8:35-36).
6. De Wijsheid is zelf[xiv] het heil.

We ontmoeten hier in spreuken 8 ook drie nieuwe kenmerken namelijk:

1.  De preëxistente schepping van de Wijsheid (8:22-26)
22 ‘Jaweh schiep mij aan het begin van zijn wegen, nog voor Zijn werken, van oudsher.'
God heeft de Wijsheid voor de schepping, aan het begin van Zijn wegen voortgebracht.

2.  De aanwezigheid van de Wijsheid in de volkeren wereld (8:15-16)
15 ‘Door mij zijn de koningen koning en stellen de vorsten vast wat recht is. 16  Door mij heersen de heersers, en de gebieders, al degenen die rechtvaardig oordelen.'
De Wijsheid regeert in al degenen die op aarde macht hebben en rechtvaardig oordelen. Zij schenkt zo aan de volkeren de weldaad van recht en orde.

3.  De Wijsheid heeft haar aanhangers lief.
17 ‘Wie mij liefhebben heb ik lief en wie mij zoeken zullen mij vinden.'
Dit is de tekst waar de woorden van Jezus in Joh.14:23 duidelijk aan herinneren. De Wijsheid staat met haar kinderen in een wederzijdse liefdesrelatie[xv].

We kunnen spreuken 8 als volgt samenvatten: De preëxistente Wijsheid roept de mensen, met name de eenvoudigen en dwazen, tot zich. Zij biedt zichzelf en daarmee het heil aan. In haar prediking wordt al enigszins kenbaar, dat niet de massa, maar slechts enkele uitverkorenen haar vinden.

 

Voorlopige opmaak van de balans

We willen hier een voorlopige balans opmaken. Het lijkt erop dat we in het OT een specifieke wijsheidsleer hebben, waar de Wijsheid wordt gepersonifieerd en een aantal specifieke kenmerken heeft. Het feit dat deze gepersonifieerde Wijsheid en haar kenmerken vele malen terugkeren in de deutero-canonieke en andere laatjoodse geschriften bevestigt dit. We komen daar aanstonds op terug.

Als dit zo is kunnen we ten tweede ook concluderen dat er sprake is van een wijsheidstheologie en een wijsheidssoteriologie. Het eerste wil zeggen dat het de aanwezigheid van de Heer is die in termen van de wijsheid wordt beschreven, het tweede dat de wijsheid het subject is dat het volle heil aanbiedt. Want binnen de context van het monotheïstische jodendom kan de Wijsheid het heil alleen aanbieden namens de Heer, als represen­tante van Hem[xvi].

We willen nu zien of deze conclusies in de intertestamentaire joodse literatuur bevestigd worden.

 

De deutero-canonieke en laatjoodse geschriften

 

Wijsheidstheologie en -soteriologie

De aanwezigheid van een specifieke wijsheidsleer met betrekking tot de gepersonifieerde Wijsheid in het jodendom is evident. We vinden deze leer op maar liefst acht plaatsen in zeven verschillen­de boeken, te weten: Jezus Sirach, Baruch, Wijsheid van Salomo, een Psalm uit Qumran, 1 Henoch, 4 Ezra en 1 Baruch[xvii].

Alle door ons geïnventariseerde kenmerken komen hier terug en wel meerdere malen. De tweede vraag is of er sprake is van een wijsheidstheologie en een wijsheidssoteriologie. Dit is expliciet het geval in twee geschriften, namelijk Jezus Sirach en Wijsheid.

We lezen in Sirach 1:16-18,20
‘De Heer vrezen is de voltooiing van de wijsheid en zij verzadigt de mensen met haar vruchten. Hun hele huis vult zij met koste­lijkheden en hun voorraadkamers met wat zij voortbrengt. De vrees voor de Heer is de bekroning van de wijsheid en zij doet vrede opbloeien en gave gezondheid. De Heer vrezen is de wortel van de wijsheid en haar takken zijn lange levensdagen.'

De wijsheid is onlosmakelijk verbonden met de vreze des Heren en deelt heilsgoederen mee aan haar kinderen. Met name vrede[xviii], gezondheid en een lang leven vertegenwoordigen het volle heil.

In Sirach 24 vinden we ook nog het gegeven dat de Wijsheid zelf het heil is[xix]. Ook in het boek Wijsheid vinden we dat de Wijsheid zowel het heil schenkt als het heil is. Als de schrijver in hoofdstuk 9:18 de hoofdstukken 6-9 samenvat, lezen we het volgende:
‘Zo zijn de paden recht gemaakt van hen die de aarde bewonen; zo hebben de mensen  geleerd wat U welgevallig is en zijn zij gered (σVζω) door de wijsheid.'
We zien hier dat het heil door de Wijsheid aan de rechtvaardigen wordt geschonken[xx].

En in 8:17-18 staat:
‘Toen ik dit bij mijzelf had overdacht en ik in mijn hart had overwogen dat er onsterfe­lijkheid ligt in de band met de wijsheid,... toen ging ik rond en zocht ik, hoe ik haar tot de mijne kon maken.'
De inhoud van het heil bestaat voornamelijk uit de Wijsheid zelf[xxi]. Wij kunnen dus concluderen dat het voorchristelijk jodendom een wijsheidstheologie en een wijsheidssoteriologie kende, die gebaseerd was op de Schriften van het OT.

 

Oudtestamentische wijsheidsleer uitgewerkt

Er is veel te zeggen over de uitwerking en de toepassing van de wijsheidsleer in het late jodendom. Bijvoorbeeld over de relatie met de Tora. Wij kunnen hier op deze zaken nu niet ingaan. Eén uitgewerkt kenmerk is voor ons speurwerk naar de achtergrond van de Johanneïsche Christologie relevant. We lezen in Spreuken dat de Wijsheid bij God aanwezig was toen Hij de wereld schiep (8:27-30) en vervolgens ook dat de Wijsheid de mensen oproept op straat en bij de ingang der stad (1:20-21; 8:1-5). Eerst is de Wijsheid in de hemel bij God, daarna op aarde onder de mensen. Dit impliceert een neerdalen van de Wijsheid. Dit geïmpliceerde kenmerk nu wordt uitgewerkt en is expliciet te vinden in de boeken Wijsheid, Jezus Sirach, Baruch en 1 Henoch.

‘Zend haar uit de heilige hemelen en laat haar neerdalen van de troon van uw heerlijkheid om bij mij te zijn...' (Wijsh. 9:10)

‘Bij hen allen (volken) zocht ik een rustplaats: in wiens erfdeel moest ik gaan wonen? Toen gaf de schepper van alles mij zijn opdracht en wees Hij die mij  geschapen heeft de plaats aan voor mijn tent. Hij sprak: Sla uw tent op in Jacob en vind in Israël uw erfdeel.' (Sir. 24:7-8)

‘Daarna is ze op aarde verschenen en leefde onder de mensen (Bar. 3:38)

En tot slot 1 Hen. 42:1-2, waar de Wijsheid vereenzelvigd wordt met de hemelse ‘mensen­zoon'!

‘De Wijsheid vond geen plaats waar zij kon wonen. Toen is haar een woonplaats toegewezen in de hemel. De Wijsheid ging uit om haar woning onder de mensenkinderen te bouwen maar vond geen woonplaats. Zij keerde terug naar haar plaats en nam haar zetel in onder de engelen.'[xxii]

 

Wijsheid eschatologisch geduid

In twee boeken vinden we de wijsheidsleer in een zogenaamde ‘Zeichenka­talog', d.w.z. een opsomming van eindtijd-gebeurtenissen, namelijk in 4 Ezra 5 en 1 Baruch 48, geschriften uit de joodse apocalyptiek. Dit sluit aan bij het rabbijns jodendom, waar we niet alleen in de Misjna, de Misdrasjim en de Babylonische Talmoed een identifi­catie van God en de Wijsheid vinden[xxiii], maar ook en al in de Misjna een eschatologische duiding van Spreuken 8.

We citeren het traktaat Aboth 5:19,
‘De discipelen van Abraham, onze vader (...) zullen de toekomende wereld beërven zoals staat geschreven: ‘opdat Ik aan hen die mij liefhebben bezit zal verlenen en hun schatkamers zal vullen.'

Hier wordt Spreuken 8:21 aangehaald, waar de Wijsheid aan het woord is. In de toekomst, in de toekomende eeuw, zal dit woord voor de rechtvaardigen in vervulling gaan. Het ligt dus in de lijn van de joodse verwachting dat Jezus, die met Zijn komst de ‘toekomende eeuw' inluidt, ook woorden van de Wijsheid in de mond neemt en dit gebeurt dan ook, zoals we met betrekking tot het Johannes-evangelie al zagen in Johannes 7:34 (en 8:21; 13:33) en 14:21.

Als dit inderdaad in de lijn van de verwachting ligt mogen we verwachten dat ook in de woorden van Jezus in de synoptische evangeliën de relatie tussen Jezus en de goddelijke Wijsheid merkbaar is.

 

Jezus en de Wijsheid

 

De achtergrond van de wijsheidstheologie is bij Jezus inderdaad duidelijk aanwezig. Tweemaal refereert Jezus expliciet aan de goddelijke Wijsheid en minstens driemaal is duidelijk de invloed van de joodse wijsheidsleer merkbaar. We hebben hier veel te danken aan het uitvoerig onderzoek, dat Felix Christ verrichtte en waarvan we de neerslag vinden in een boek dat in 1970 in Zwitserland verscheen: Jesus Sophia, Die Sophia-Christologie bei den Synoptikern.[xxiv] Van alle vijf uitspraken van Jezus, kan vormkritisch en literair-kritisch de achtergrond van de wijs­heidstraditie aangetoond worden. We hebben hieraan elders uitvoerig aandacht besteedt[xxv] en kunnen hier niet veel meer doen dan de conclusies weergeven.

 

Het Rechtvaardigingswoord

De eerste uitspraak waar Jezus uitdrukkelijk de Wijsheid noemt vinden we in Matteüs11:16-19 en Luc.7:31-35. We lezen in de versie van Lucas:
‘Waarmee zal ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken ... ? Want Johannes de Doper is gekomen, geen brood etende of wijn drinkende en gij zegt: hij heeft een boze geest! De Zoon des Mensen is gekomen, wel etende en  drinkende en gij zegt: Zie, een vraatzuchtig  mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars! Maar de wijsheid vindt rechtvaardiging bij al haar kinde­ren.[xxvi]

We vinden hier vier wijsheidsmotieven:

1. De Wijsheid roept, namelijk via Johannes en Jezus.
2. De Wijsheid wordt afgewezen door de massa, namelijk de mensen in dit geslacht.
3. De Wijsheid wordt aanvaard door enkelen, namelijk haar kinderen.
4. De Wijsheid richt zich met name tot de eenvoudigen, de tollenaars en zondaars.

 

Het ‘Wijsheidswoord'

Het tweede wijsheidswoord van Jezus vinden we in Lucas 11:49-51
‘­Daarom ook heeft Gods Wijsheid gezegd: Ik  zal  profeten en afgezanten tot hen zenden, maar sommigen  van hen zullen zij doden en vervolgen, zodat dit  geslacht verantwoordelijk gesteld zal worden voor het  bloed van alle profeten, dat vergoten is vanaf de grondvesting der wereld, vanaf het bloed van Abel tot  het bloed van Zacharia, die gedood werd tussen het  altaar en het tempelgebouw. Ja, zeg Ik u, dit geslacht  zal verant­woordelijk zijn !'

Jezus citeert hier de goddelijke Wijsheid, die voorgesteld wordt als een persoon, die spreekt in de eerste persoon enkelvoud, die als bovenhistorisch wezen de hele geschiedenis van Israël overziet en die goddelijk gezag heeft, want ze zendt profeten en gezanten.

We ontmoeten hier drie wijsheidsmotieven, te weten:

1. De Wijsheid roept de mensen tot zich.
2. De Wijsheid wordt afgewezen.
3. De Wijsheid zegt het oordeel aan.

Dan hebben we nog drie Woorden van Jezus, waar de term ‘wijsheid' niet voorkomt, maar die wel sterk beïnvloed zijn door de wijsheidstheologie.

 

Het ‘Jeruzalemwoord'

Ten eerste het zogenaamde Jeruzalemwoord (Mat.23:37-39 par. Luc.13:34-35). We geven de versie van Matteüs:
‘Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt die tot u zijn gezonden! Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzame­len, zoals een kloek haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, maar gij hebt niet gewild. Zie, uw huis zal onbewoond achterge­laten worden. Ik zeg u: van nu af zult gij mij niet meer zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend de Komende in de naam des Heren!'

Hier ontmoeten we minstens drie wijsheidsmotieven:

1. De oproep van de Wijsheid.
2. De Wijsheid wordt afgewezen.
3. Het vertrek van de Wijsheid.

Verder zien we hier ook een nieuw element in de relatie tussen Jezus en de Wijsheid. In de vorige twee uitspraken was Jezus primair de gezant, de bode van de Wijsheid. In het ‘Jeruzalem­woord' moeten we echter uit de toepassing van het laatste wijsheids­motief, het ‘gij zult mij niet meer zien', wel concluderen tot een vergaande vereenzelviging van zender en gezondene, van de Wijsheid en Jezus. Deze op het eerste gezicht wat eigenaardige wisseling tussen Jezus als bode van de Wijsheid en Jezus als de Wijsheid zelf, is goed mogelijk in een ‘profetisch-dynamische' relatie tussen zender en gezant[xxvii].

 

De ‘Jubelroep'

Vervolgens hebben we de ‘Jubelroep' in Mateüs 11:25-27 (par. Luc. 10:21-22).
‘Op een zeker ogenblik nam Jezus weer het woord en sprak: Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen  verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen. Ja, Vader, zo heeft het U behaagd.  Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand kent de Zoon tenzij de Vader, en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon het wil openbaren (versie Matteüs).

We vinden hier maar liefst vijf wijsheidsmotieven, namelijk:

1. de verborgenheid van de Wijsheid.
2. de Wijsheid richt zich met name tot de onverstandigen.
3. alleen God kent de Wijsheid.
4. de Wijsheid schenkt het heil.
5. de Wijsheid is zelf het heil.

En ook hier neemt Jezus functies aan, die in de wijsheidstheolo­gie aan de hemelse Wijsheid worden toegeschreven. Daarom is er ook hier sprake van een vergaande vereenzelviging van Jezus met de Wijsheid. Maar omdat Jezus elders zich duidelijk als bode van de Wijsheid presenteert is er geen sprake van een statisch-personele identificatie.

 

De Roep van de Heiland

De laatste uitspraak van Jezus in de synoptische evangeliën met een invloed van de wijsheidstheologie is de Roep van de Heiland (Mat.11:28-30):
‘Komt allen tot Mij, die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neem mijn juk op uw schouders en leert van mij: Ik ben zachtmoe­dig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.'

Hier vinden we drie wijsheidsmotieven:

1. De roep van de Wijsheid.
2. De Wijsheid verkiest zich enkelingen.
3. De Wijsheid schenkt het heil.

Met het overnemen van wijsheidsfuncties door Jezus moeten we ook hier concluderen tot een profetisch-dynamische identificatie van Jezus met de hemelse Wijsheid.

 

Conclusie met betrekking tot Jezus en de Wijsheid

Op grond van de profetisch-dynamische identificatie van Jezus met de Wijsheid mogen we aannemen dat de hemelse Wijsheid uit de joodse wijsheidstheologie invloed heeft uitgeoefend op de vorming van het zelfbewustzijn (beter ‘Hoheitsbewusstsein') van Jezus. Jezus heeft zijn optreden gezien als een eschatologisch heilsge­beuren en daarom transcendeert Zijn zendingsbewustzijn dat van de profeten en moeten we veeleer met Joachim Jeremias[xxviii] zeggen dat Jezus zichzelf als heilaanbrenger zag.

Het is nu juist deze lijn van de ‘Heilbringer' die sterke invloed van de hemelse Wijsheid vertoont. Ten eerste, omdat we zagen dat het kenmerk van Jezus als heilsmiddelaar verbonden met dat van Jezus als heilsinhoud uit de joodse wijsheidstheologie komt. Ten tweede omdat we in de wijsheidstheologie een formele parallel vinden van het benadruk­te ‘ik' (Gr. ego, Spr.8:12,17,­30; Sir.24:3,4,16,17) dat we tegenkomen in de zogenaamde ‘IK-woorden', waaruit de lijn van de Heilaanbrenger voor een groot deel bestaat[xxix]. Ook inhoude­lijk is de invloed in deze uitspraken aanwezig. De goddelijke almacht[xxx], waarmee dit ego, dat zich een representant van God weet, spreekt en het ‘selbstzeugnis'[xxxi] zijn bekende en centrale kenmerken van de hemelse Wijsheid.

 

 De hemelse Wijsheid en de Christus bij Johannes

 

We komen nu tot een afsluitende bespreking van de achtergrond van het evangelie naar Johannes.
We concluderen dat de achtergrond van de preëxistente Christus, die naar de aarde afdaalt, door de mensen wordt verworpen en die weer opvaart naar Zijn Vader, niet de gnostiek is, maar de oudtestamentische wijsheidsleer, zoals we al vermoed hadden op grond van de literaire achtergrond. We vinden hier namelijk een gepersoni­fieerde hemelse Wijsheid, die zowel preëxistent bij God aanwezig is als ook in de geschiedenis afdaalt naar de aarde, maar na door de meeste mensen afgewezen te worden, zich enkelingen verkiest en weer vertrekt.

Als we inventariseren ontmoeten we in de Christus van dit evangelie de volgende kenmerken van de hemelse Wijsheid:

1. De verborgenheid van de Wijsheid. ‘De wereld heeft Hem niet gekend' (Joh. 1:10)
2. Alleen God kent de Wijsheid. ‘Ik ken de mijne ... gelijk Mij de Vader kent' (Joh. 10:15).
3. Het preëxistente wonen van de Wijsheid bij God. ‘In den beginne was ... het Woord bij God' (Joh. 1:1-2).
4. De Wijsheid is betrokken bij de schepping van de wereld'. ‘En de wereld is door Hem geworden' (Joh. 1:10).
5. De aanwezigheid van de Wijsheid in de volkerenwereld. ‘Het Woord was leven en het leven was het licht der mensen' (Joh. 1:4).`Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht' (Joh.1:9).
6. De Wijsheid daalt af naar de aarde om er te wonen. ‘Het waarachtige licht ... was komende in de wereld' (Joh.1:9). ‘Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond' (Joh.1:14).
7. De oproep van de Wijsheid. ‘Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, wie Mijn woord hoort ... heeft eeuwig leven'.
Joh. 5:24).
8. De Wijsheid wordt afgewezen. ‘...en de zijnen hebben Hem niet aangenomen' (Joh.1:11).
9. De Wijsheid wordt aanvaard door enkelen. ‘Doch allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden' (Joh.1:12).
10. De Wijsheid heeft haar aanhangers lief. ‘Gelijk de Vader mij heeft liefgehad, heb ook ik u liefgehad' (Joh.15:9-10).
11. Het vertrek van de Wijsheid, dat een oordeel inhoudt. ‘Ik ga heen tot Hem die mij gezonden heeft. Gij zult Mij zoeken en niet vinden en waar Ik ben kunt gij niet komen' (Joh. 7:33-34).
12. De Wijsheid schenkt het heil namens God. ‘Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed' (Joh.10:10).
13. De Wijsheid is zelf het heil. ‘Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven' (Joh. 6:54).

We merken op dat de invloed van de hemelse Wijsheid aanwezig is in centrale christologische teksten bij Johannes, namelijk daar waar gesproken wordt over de ‘Logos' en de ‘Zoon'. Dit verbaast ons niet, want deze drie zijn al voor Christus in het jodendom met elkaar verweven[xxxii], hetgeen ook blijkt uit de jubelroep van Jezus in Matteüs 11:25-27.

Omdat het begrip ‘wijsheid' zelf in het evangelie echter niet voorkomt kunnen wij niet spreken van een wijsheidschristologie bij Johannes. Wel kunnen we concluderen dat het hele boek het klimaat van de hemelse Wijsheid uit de joodse wijsheidstheologie ademt.

Verder moeten we concluderen we dat de Johanneïsche christologie veel minder verschilt van de andere evangeliën en van Jezus zelf dan wel wordt voorgegeven. Slechts drie van de dertien wijsheidsken­merken bij Johannes komen we in de synoptische evangeliën niet expliciet tegen, namelijk de preëxistentie van de Wijsheid, de aanwezigheid in de volkerenwereld en het liefhebben van haar aanhangers.

Onze eindconclusie is dan ook dat Johannes met zijn logos- en zoonchristologie direct en primair aansluit bij de verkondiging van de aardse Jezus, die zichzelf heeft gezien als de eschatolo­gische incarnatie van de hemelse Wijsheid[xxxiii]. En de achtergrond van het evangelie wordt niet bepaald door de gnostiek, maar evenals bij de synoptische evangeliën door het OT en het jodendom.

 

Terug naar Index theologie


[i]. W.G. Kümmel, Introduction to the New Testament (Eng. vert., London 21977) 227

[ii]. _ρχoμαι 31x ; _κω 2x ; _ξέρχoμαι 6x ; _πέρχoμαι 1x ; πoρεύoμαι 7x ; _πάγω 18x

[iii]. πέμπω 26x ; _πoστέλλω 17x

[iv]. καταβαίvω en _vαβαίvω 7x in 5 teksten : 3:13; 6:38,42,62; 20:17

[v]. Wij volgen in dit hoofdstuk vanwege de citaten uit de deutero-kanonieke boeken bij voorkeur de Willibrordvertaling (Boxtel, 31978), tenzij we om exegetische redenen of redenen van helderheid de voorkeur gaven aan een eigen vertaling of die van het NBG (1951).

[vi]. Nestle-Aland, Novum Testamentum Graece, 27. revidierte Auflage, Stuttgart 1993

[vii]. G. von Rad, Weisheit in Israel (Neukirchen-Vluyn, 1970) 192-193 ; G. Fohrer, Das Buch Hiob (Gütersloh 1963) 394

[viii]. G. von Rad, Theologie des Alten Testaments, I (München 41965) 460

[ix]. Fohrer, Hiob, 399

[x]. B. Gemser, Sprüche Salomos (Tübingen, 1963) ad loc.

[xi]. C. Kayatz, Studien zu Proverbien 1-9 (Neukirchen-Vluyn 1966) 128

[xii].  Von Rad, Weisheit, 212; zie ook Spr. 3:18,22; 4:13,22v; 8:35; 9:6

[xiii].  Het onderscheid tussen kenmerk 5 en 6 wordt ook gemaakt door Kayatz en Fohrer. Kayatz, Studien, 139; G. Fohrer, σoφία κτλ., G. Friedrich, G. Kittel, (eds.), Theological Dictionary of the New Testament VII (Eng. vert. Grand Rapids, 1964) 491

[xiv].  Kayatz, Studien, 139

[xv].  Gemser, Sprüche, ad loc. ; Kayatz, Studien, 98

[xvi]. Von Rad, Theologie I, 458

[xvii].  Sirach 1:1-20; 24; Baruch 3:9-4:4; Wijsheid 6-9; 11QPsA XVIII; 1 Henoch 42; 4 Ezra 5:9-10; 1 Baruch 48:33,36

[xviii].  Ryssel vertaalt ε_ρήvη met `Heil', zie: V. Ryssel, `Die Sprüche Jesus's, des Sohnes Sirachs', in: E. Kautzsch, Apokryphen und Pseudepigraphen des Alten Testaments I (Tübingen, 1900, 1923) ad loc.

[xix].  Sir. 24:13-17, het motief van de `boom des levens'. J. Marböck, Weisheit im Wandel (Bonn, 1971) 74-75; Sir. 24:25-29 het motief van het `water des levens'. B.L.Mack, Logos und Sophia (Göttingen 1973) 32; A. van de Born, Wijsheid van Jezus Sirach (Roermond, 1968) ad loc.

[xx].  J.M. Reese, Hellenistic influence on the book of Wisdom and its consequences (Rome, 1970) 41; Mack, Logos, 32

[xxi].  Wijsheid 6:12-16; 7:14,27; 8:17,18 e.a. U. Wilckens, σoφία, TDNT VII, 499

 [xxii]. Onze vertaling van de Ethiopische tekst is gebaseerd op die van Charles en Rau. R.H.Charles, The Apocrypha and Pseudepigrap­ha II (Oxford,1913) 213; E. Rau, Kosmologie, Eschatologie und die Lehrautorität Henochs (Hamburg 1974) 449

[xxiii].  Misjna: Aboth 5,19; Uktzin 3,12; Midrasj Rabba: NuR16(181d); GnR18(12b); Babylonische Talmoed: Sanh. 100a. Citaten te vinden in: H.L. Strack, P. Billerbeck, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch I-IV, München 1926, 61974.  En wel in SB I,231; III,612; IV,2,261

[xxiv].  F. Christ, Jesus Sophia, Zürich, 1970

[xxv].  G. van den Brink, Sophiatraditie en Sophiachristologie in de Synoptische Evangeliën (doctoraalscriptie, Utrecht, 1982) 38-65

[xxvi].  Mattheüs heeft hier `werken'. De tekstvariant _ργωv i.p.v. τέκvωv is waarschijnlijk het bewijs van een oeroude Arameese variant: avadajja (werken) i.p.v. avdajja (knechten).

[xxvii].  Christ, Jesus Sophia, 74 n.265

[xxviii]. J. Jeremias, Neutestamentliche Theologie, I, (Güter­sloh, 1971, 21973) 242

[xxix]. H.M. Schenke, `Die Tendenz der Weisheit zur Gnosis' in: B. Aland u.a. (red.), Gnosis, Festschrift für Hans Jonas (Göttingen, 1978) 363

[xxx]. Jeremias, Theologie I, 242

[xxxi]. Jeremias, Theologie I, 243; Spr. 1:23; 8:12-21; Sir. 24

[xxxii]. In Wijsheid 9:1-2 komen λoγoς en σoφία parallel voor en in het hele boek krijgt de joodse σoφία kenmerken van de Griekse λoγoς toegedacht. R. Bultmann, Das Evangelium des Johannes (Göttingen, 1941, 101968) 9 n. 1. Ook de `wijsheid' en de `zoon' zijn met elkaar verweven in het boek Wijsheid (Wijsh. 2; ook in Spr.30:3-4?). Christ, Jesus Sophia, 89 n. 333

[xxxiii]. Daarnaast is er ook een aanwijsbare invloed van de joodse Messias. Op de relatie van de Messias en de Wijsheid in het jodendom kunnen wij hier niet ingaan.