De actualiteit van het boek Openbaring

 

Drs Gijs van den Brink, 2009 (gepubliceerd in Soteria 26/2)

 

Het laatste bijbelboek heeft in de loop van de kerkgeschiedenis geen gemakkelijk bestaan gehad. In de vroege kerk was het een van de boeken die pas laat algemeen als canoniek werd geaccepteerd met name vanwege de op visioenen gebaseerde leringen van de Montanisten[i]. Het is in de 21e eeuw niet veel anders. Vanwege allerlei biblicistisch beroep op het boek door futuristen en fundamentalisten wordt het bijbelboek ofwel niet gelezen ofwel wordt de boodschap ervan zo uitgekleed dat er niet meer over blijft dan de woorden ‘het is een boek van troost'. Maar waarmee het boek dan troost biedt aan mensen zoals wij, die niet verdrukt worden, blijft doorgaans onduidelijk.

Er is echter veel meer boodschap in dit bijbelboek dan we op het eerste gezicht zouden denken. En niet alleen de boodschap in enge zin, maar ook op het terrein van de voorvragen is er in het boek Openbaring veel actualiteit. We denken dan aan visioenen, audities en andere profetische ervaringen die ook vandaag zoveel belangstelling krijgen. En dan de belangrijke vraag of en hoe God zich openbaart in het dagelijks leven. Is Hij wel zichtbaar in historische gebeurtenissen? Door in te gaan op deze actuele vragen geef ik tegelijkertijd een hermeneutische verantwoording hoe ik het boek lees. Dat is eerlijk en ook gewenst.

 

Visioenen en audities

 

Een van de redenen waarom het boek vandaag niet gelezen wordt, is dat men het te moeilijk vindt. Velen vragen zich af waarom Johannes in zijn evangelie zo begrijpelijk schrijft en in Openbaring zo moeilijk. De reden is dat het laatste bijbelboek geen geschiedschrijving met een boodschap is zoals het evangelie. Het betreft hier visioenen, een soort dromen, die je ook overdag kunt krijgen.

Johannes ziet bijvoorbeeld een lam ‘als zijnde geslacht'  (5:5-6 NBG). Maar het wonderlijke is dat het geslachte lam ook staat!! Dit kan natuurlijk niet. Een geslacht lam ligt, maar dit lam staat. In een visioen kan zo'n beetje alles. De boodschap is: Jezus is gestorven, maar Hij leeft!! Ook vreemd is dat het lam zeven horens heeft! En zeven ogen.

We kunnen in het boek Openbaring drie soorten visioenen onderscheiden: een visioen waarin de inhoud van de openbaring wordt gezien, een roepingsvisioen (hfst. 1 en 10) en een epifanie, waarin de verschijning van een goddelijke gezant wordt beschreven. Dit laatste komt alleen voor in het visioen van de opgestane Heer in 1:9-20.

Verder hebben we in het boek Openbaring heel veel audities, waarin de inhoud van de openbaring wordt gehoord. Alleen in hoofdstuk 1-3 zijn de visioenen en audities enigszins te onderscheiden, maar daarna komt wat gezien wordt en wat gehoord wordt meestal samen voor. Het is van belang te zien hoe Johannes zijn ervaringen zelf beschrijft.

 

Profetische extase

 

In 1:10 zegt Johannes ‘ik geraakte in de geest op de dag des Heren; en ik hoorde achter mij ....'. (NBG) Hij zegt niet ‘ik was in de geest', maar ‘ik geraakte in de geest'. We lezen dit ook in 4:2 (vgl. ook 17:3 en 21:10). Het gaat om de geestelijke ervaring die Petrus en Paulus beschrijven als ‘ekstasis',  zinsverrukking of geestverrukking (Hand 11:5; 22:17), een ervaring die niet plaatsvindt ‘in het lichaam', maar ‘in de geest'. Wat Johannes ondergaat is een vorm van profetische extase, waardoor hij ‘in (de) geest' in de hemel aanwezig is (4:1, vgl. Paulus, 2Kor.12:2-5). ‘In de geest' duidt dus niet op de Heilige Geest of op een wezen dat Johannes begeleidt, want als dit gebeurt (17:3 en 21:10) is dat een engel. De woorden betekenen dat Johannes niet ‘in het lichaam' in de hemel is.
Verder lezen we in het boek ongeveer 50 keer ‘ik zag' en ongeveer 25 keer ‘ik hoorde'.

Het is duidelijk dat visioenen en audities de wijze zijn waarop Johannes zijn openbaringen ontving. Dit roept bij een westerse lezer in de 21e eeuw meestal veel vragen op.

 

Authentieke visioenen?

 

De verwoording van Johannes ‘ik geraakte in de geest' roept de vraag op in hoeverre de visioenen plaatsvonden in een toestand van extase, m.a.w. in een toestand waarin bewustzijn en wil waren uitgeschakeld. Deze opvatting is het ene uiterste. Als blijkt dat er aanwijzingen zijn dat Johannes tijdens de visioenen bij volle bewustzijn is en zich zelfs verantwoordelijk weet voor wat hij doet en zegt, komt het voor dat men in een ander uiterste vervalt. Het zou hier om een literair genre gaan, om een verslag in de vorm van visioenen. Het betreft dan louter een literaire vorm.[ii] Zoals we al zeiden wijst de omschrijving die Johannes zelf geeft van zijn ervaringen in de richting van profetische extase. Maar betekent dit dan dat wil en verstand waren uitgeschakeld? Blijkbaar niet, want we zien een interactie tussen een bewust aanwezige Johannes en wat in het visioen gebeurt. Johannes reageert emotioneel op wat hij ziet en hoort, bijvoorbeeld in 5:4 moet hij erg huilen als hij merkt dat niemand de boekrol kan openen. Ook geeft hij antwoord op vragen die hem in het visioen gesteld worden (7:13-14).

Dit zien we ook bij de profeten in het Oude Testament.[iii] Ze zien visioenen en horen stemmen bij volle bewustzijn. Wel gaat een en ander meestal met een bewustzijnsverandering gepaard, maar deze is toch niet van dien aard dat het zelfbewustzijn verloren gaat. We zien wel dat bij de oudtestamentische profeten als ook bij Johannes de bewustzijnsverandering bij de verschillende visioenen verschillend van karakter is. Zo gaat bijvoorbeeld in Openbaring 11:4 een visionaire toestand, waarin Johannes dingen getoond worden en waarin God of Christus spreekt over in een profetische rede waarin Johannes aan het woord is. De betrokkenheid en actieve deelname van de profeet aan het visioen is dus geen reden om de visioenen te bestempelen als een literaire stijl.

Onze westerse cultuur is sinds de verlichting op een weg waarin visioenen en openbaringen geen betrouwbare informatie geven en doorgaans geheel genegeerd worden. Dit is in de huidige multiculturele samenleving snel aan het veranderen. Ik denk dan aan de vele migrantenkerken die ons land rijk is (113 in Rotterdam met bijna 30% van alle regelmatige kerkgangers in deze stad![iv]) en die doorgaans zeer vertrouwd zijn met de genoemde vormen van openbaring (denk aan de vele moslims die door visioenen tot geloof in Jezus komen).

 

Met het Constantijnse tijdperk komt ook de idealistische uitleg ten einde

 

Met het einde van het Constantijnse tijdperk van het christendom (Hauerwas, zie beneden) verandert ook de uitleg van het boek Openbaring. We kunnen voornamelijk twee hoofdstromen onderscheiden, de idealistische uitleg en de historische interpretaties. De eerste wordt ook wel de Alexandrijnse uitleg genoemd. Men leest het boek als een aaneenschakeling van tijdloze allegorieën. Het gaat niet over concrete gebeurtenissen, maar over de strijd tussen het Koninkrijk van God en het kwaad. Zo is het ‘beest' in Openbaring13 bijvoorbeeld niet een historische persoon of instantie, maar een beeld van de macht van satan. En de slag bij Harmageddon is niet iets wat op aarde gebeurt, maar een ideologisch conflict tussen geloof en ongeloof.

Na Constantijn de Grote in de 4e eeuw n.Chr., toen het christendom staatsgodsdienst werd, is deze uitleg in de traditionele staatskerken meest geliefd geworden, want de kerk had geen behoefte meer aan een vertroosting voor moeilijke tijden. Men zag niet langer vol verlangen uit naar een spoedige komst van Christus. En er was zeker geen behoefte aan een visie waarbij de overheid het kwaad vertegenwoordigt (Openb.13)![v]

We moeten echter de grondgedachte van de idealistische uitleg met de grote meerderheid van nieuwtestamentische exegeten afwijzen.[vi] De idealistische uitleg is een verkeerde vorm van geestelijkheid. De joodse Bijbel leert ons holistisch en concreet te denken. De profeten in het Oude Testament spreken beslist over historische gebeurtenissen. En ook het boek Openbaring spreekt wel degelijk over concrete historische gebeurtenissen.

Zo concreet als Jeremia de ballingschap voorzag, zo concreet spreekt Johannes over de verschijning van de antichrist (het ‘beest' in het visioen van hfst. 13) en de komst van Jezus om te oordelen (Op.19). Als het laatste, de komst van Christus, wel historisch is, zou dan het voorlaatste niet historisch bedoeld zijn? De idealistische uitleg is ook in strijd met het feit dat het boek aan zeven concrete historische gemeenten geschreven is om hen aan te spreken in hun concrete situatie.

Een en ander staat los van de vele symboliek die er in het boek voorkomt en van het gegeven dat je de beelden uit de visioenen natuurlijk niet letterlijk kunt nemen. Dit kwam eerder al ter sprake. De kernvraag is na te gaan hoe beelden en gebeurtenissen zich verhouden. Het is zaak het principe te hanteren dat de tekst zelf moet aangeven of de betekenis symbolisch is of niet.

 

Heilshistorische benadering

 

Van de historische interpretaties zijn er drie redelijk gangbaar. Ten eerste is daar de contemporaine of preteristische uitleg. Alles speelt zich af in de tijd van Johannes, de eerste eeuw. De meeste moderne liberale uitleggers zitten op deze lijn. Ze beschouwen ook meestal de profetieën als ex eventu, opgeschreven nadat het gebeurd is in de vorm van een profetie. Dit is weer in strijd met het gegeven van echte visioenen, waarin men dan doorgaans ook niet gelooft en de visioenen beschouwt als een literaire vorm. En zo komen we steeds verder van huis.

Ten tweede is er de futuristische uitleg, de dispensationalistische uitleg van Darby, Scofield, Walvoord c.s. Alles na hoofdstuk 4 gaat over de tijd na de opname van de gemeente. Vooral in Amerika, maar ook in Nederland toch nog aardig levend. Denk aan de serie boeken ‘De laatste Bazuin'. Hier wordt een strak dogmatisch schema aan de bijbel opgelegd. Ook dit moeten we afwijzen als ongepast.

De derde en ons inziens juiste methode van uitleg is de heilshistorische benadering. Deze spreekt zowel over de eigen tijd van de profeet als over de toekomst, zowel over wat ten tijde van de profeet gebeurt als over de wederkomst en het eschaton. Deze interpretatie kan de twee eerder genoemde benaderingen insluiten. Bijbelse profetie spreekt vaak over het einde, maar is gebonden aan heden en verleden, zei de bekende exegeet Theodor Zahn aan het begin van de vorige eeuw.

Alle profetieën van de Bijbel zijn heilshistorisch van karakter, wat  wil zeggen dat ze alleen hoogtepunten, highlights, weergeven, en geen sluitende chronologie. Voor Johannes zit er geen kloof tussen eigen tijd en eindtijd. Evenals de meeste apostelen veronderstelt ook Johannes dat we sinds de eerste komst van Jezus in de laatste dagen leven en dat de strikte eindtijd binnen enkele tientallen jaren zal aanbreken.

Dat het ook in de visioenen over historische gebeurtenissen gaat, blijkt meerdere malen.

Tegen Johannes wordt gezegd in 4:1 ‘Klim hierheen op en ik zal u tonen, wat na dezen geschieden moet' (NBG, ook 22:6). Het betreft dus gebeurtenissen.

Van de visionaire ervaringen en historische gebeurtenissen gaan we nu over op de boodschap van het boek in engere zin.      

 

Zeven actuele thema's

 

Het is onmogelijk om de hier genoemde thema's enigszins volledig te bespreken. Over elk van de zeven actuele kwesties kan gemakkelijk een monografie geschreven worden. Wij geven hier niet meer dan een eerste aanzet, die slechts de bedoeling heeft om de actualiteit van het boek Openbaring aan te geven. Het zou prachtig zijn wanneer anderen dit zouden uitwerken.

1. Ten eerste wil ik wijzen op de visie op kerkmuziek. Door eeuwenlang negeren van het boek Openbaring is er, op een sporadische uitzondering na, tot in de 19e eeuw sprake van een massale afwijzing in de kerk van muziekinstrumenten. Pas rond 1500 verschijnt het eerste orgel in de kerk. Ook mannen als Calvijn en Wesley, om maar een paar belangrijke namen te noemen, keerden zich tegen het gebruik van muziekinstrumenten in de eredienst.

Het boek Openbaring is het enige boek in het Nieuwe Testament dat een positieve visie verwoord m.b.t. muziekinstrumenten in de liturgie. Bijvoorbeeld Openb 5 (:8) waar de 24 oudsten (vertegenwoordigers van de gemeente) elk met een citer en een schaal met reukwerk (de gebeden van de heiligen) worden gezien[vii].

2. Visie op de overheid. Het tijdperk van het christendom dat begon met de eerste christelijke keizer, Constantijn, in de 4e eeuw liep volgens Stanley Hauerwas voor het Westen af in de tweede helft van de 20e eeuw[viii]. De kerk is weer een minderheid zoals in de eerste vier eeuwen. In al die eeuwen van het christendom las men m.b.t. de overheid alleen Rom. 13. Tegen de achtergrond van de wijsheidslitteratuur wordt dan in de christelijke landen de overheid als een scheppingsinstelling geschilderd.

In Openb.13 komen we de overheid (het Beest) tegen als een representant van het kwaad, als een antichristelijke en onderdrukkende overheid. Dit aspect van de overheid moet na zestien eeuwen weer node serieus genomen worden. In veel landen in de wereld is dit namelijk een realiteit. Het boek Openbaring geeft profetische kritiek op elke overheid die tegen Gods wetten ingaat.

3. Visie op maatschappij en cultuur. In Openb 18 (:3) lezen we over de Babylon cultuur. Godsdienst, politiek en economie vormen een eenheid en hoereren met Babylon. En de eerste twee zijn ondergeschikt aan de laatste, de economie!! In dit hoofdstuk staat de economie centraal. Het is een allesbeheersend sociaal-economisch machtsblok, dat gericht is op uitbuiting en onderdrukking. Eigenlijk is de kern van de Babylon cultuur een allesbeheersende en uitbuitende economie. Moltmann spreekt in deze context over een economische eindtijd: de verrijking van het Westen ten koste van de Derde Wereld. De Eerste Wereld heeft door haar technologische ontwikkeling de mens in de Derde Wereld niet meer nodig, alleen haar zeeën, grondstoffen en bossen. Dit leidt tot apocalyptische taferelen.

Het is voor de kerk in onze eeuw van groot belang gehoor te geven aan de oproep die hier klinkt: ‘Gaat uit van haar, mijn volk om geen deel te krijgen aan haar zonden' (18:4 NBG). Paulus heeft hier ook over gesproken in 2Kor.6:14 ‘Vormt geen ongelijk span met ongelovigen' (NBG). Maar deze boodschap werd in de tijd van het christendom verengt tot huwelijksrelaties!

4. Visie op het milieu. Openb.8 spreekt over schade die wordt toegebracht aan bomen, gras, zee, rivieren, bronnen, zon, maan en sterren. Milieurampen worden beschreven als een oordeel van God. Evert van de Poll schreef er een boek over: ‘Als het water bitter is'.[ix] Moltmann spreekt over een ecologische eindtijd. Terwijl de nucleaire dreiging in enkele uren het leven op aarde grotendeels kan uitroeien, is er ook sprake van een langzame zelfvernietiging, een ecologische crisis, veroorzaakt door de westerse wetenschap en technologie, die zich razendsnel verspreid over de hele wereld.

5. Visie op Israël. Openbaring tekent een fundamenteel onderscheid tussen gelovigen uit Israël en gelovigen uit de heidenen, zoals bijzonder duidelijk verwoord in Openb 7. De 144.000 uit Israël en de grote schare uit alle volk en stammen en natiën en talen.[x] Dit onderscheid is zo fundamenteel dat het onderscheid tussen Jeruzalem en de volkeren zelfs op de nieuwe aarde (ook na het vrederijk!) gehandhaafd blijft (21:24-26).[xi] En wat te denken van de verwachting dat het overgrote deel van Israël (90%) tot bekering zal komen (11:13)!

6. Visie op de eindtijd. Openbaring leert dat de wereld in zijn huidige vorm tot een einde zal komen. Dat de huidige wereld zich in alle geleidelijkheid altijd maar verder zal evolueren is een mythe, zegt Moltmann. Een mythe die men vanuit het westers vooruitgangsgeloof graag wil geloven en in stand wil houden. De werkelijkheid die ongelovige apocalyptische futuristen ons voorhouden ondersteunt de boodschap van het boek Openbaring. Moltmann baseert zich op hun geschriften (dus niet op de bijbel!) als hij drie reële gevaren van zelfvernietiging van de huidige wereld noemt: 1. een  nucleaire, 2. een ecologische en een 3. een economische.[xii]

7. Visie op het behoud van de aarde. In de discussie over discontinuïteit of continuïteit tussen de huidige eeuw en de toekomende nieuwe hemel en aarde, houdt het boek Openbaring  door zijn nadruk op continuïteit de balans in de nieuwtestamentische gegevens. Met een tussenrijk op aarde van duizend jaar gevolgd door een nieuwe hemel en aarde in de lijn van oudtestamentische beschrijvingen (o.a. Jesaja), geeft Openbaring in het Nieuwe Testament het meest krachtige getuigenis van het behoud van de aarde (Op.21-22)

 

De boodschap in de brieven aan de zeven gemeenten

 

Naast het visionaire gedeelte vanaf hoofdstuk 4 hebben ook de eerste drie hoofdstukken met de brieven aan de zeven gemeenten een belangrijke boodschap voor onze tijd, nu wij als christenen weer een minderheid zijn geworden.

In de eerste plaats zien we hoe trouw en volharding alle prioriteit krijgen. Alle brieven eindigen met ‘wie overwint ...' plus een belofte. De problemen verschillen per gemeente, maar de boodschap is duidelijk: volharden op de goede weg. Overwinnen' (nika¨­) is een karakteristiek woord in het boek Openbaring. Van de 28 keer in het Nieuwe Testament komt het hier 16 keer voor. De term ‘overwinnen' wordt gebruikt in de sportwereld, maar is in Openbaring eerder ontleend aan militair taalgebruik, omdat de context vaak over de mogelijkheid van sterven spreekt. ‘Overwinnen' betekent hier gelovend volharden tot het einde en zo behouden worden, ook al is het als martelaar (15:2; vgl. Matt.24:13).

In de tweede plaats krijgt elke gemeente een specifieke boodschap. Elke brief eindigt met: Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Een woord dat op dat moment van groot belang is. Een specifiek profetisch woord voor deze gemeente op dit moment. Het woord dat de Geest van de verhoogde Heer tot deze gemeente spreekt. Wat dat woord voor ons in gemeente X ergens in Nederland is, kan ik niet zeggen. Daar is een profeet voor nodig. We worden hier gewezen op het belang van profetie en profetische prediking in de gemeente.

Wat ook opgemerkt moet worden is dat de boodschap vervolgens ook voor anderen belangrijk is. Want het woord ‘gemeente' staat in meervoud. ‘Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.' Wij mogen daarom als gemeente ook niet met één brief of bijbelboek dat onze voorkeur heeft, genoegen nemen. De hele Schrift is ons gegeven als Gods Woord.

Supergeestelijk, maar de vrijheid niet aankunnen

 

Ten derde valt op dat er nogal wat problemen veroorzaakt worden door zogenaamde supergeestelijke christenen. Dit speelt in drie van de zeven gemeentes: Efeze, Pergamum en Tyatira. Het probleem is dus aardig verbreid. Het betreft een vroege gnostische stroming. De gnostici leren dat de materie slecht is; dit leidde tot een ongekende onverschilligheid ten opzichte van de zonde, omdat men stelde dat het lichamelijke er niet toe deed. Het lichaam kon niet besmet worden, alleen de geest. Ontucht heeft niets met de geest te maken, alleen met het lichaam en dat sterft straks toch.

Enkele jaren later zullen de gnostici zeggen dat hun God de hogere God is die Geest is en onmogelijk de schepper van de wereld en de joodse god kan zijn. Ze noemen de god van de joden de lagere  scheppergod, de demiurg. Het zijn de supergeestelijken. Alles is geestelijk. Hun benadering lijkt in theorie erg op de eerder genoemde idealisten. Je moet alles geestelijk zien. Zij gaan alleen verder en trekken extreme praktische consequenties. Ze praktiseren immoreel gedrag en zeggen dat dit hoort bij de ‘vrijheid in Christus'. Ze brengen de leer van Bileam (2:14). Bileam is het schoolvoorbeeld van een dwaalleraar die een compromis sluit met heidense religie. De laatste woorden van Op.2:14 benoemen concreet wat Bileam het volk Israël adviseerde te doen, en wat ook in Pergamum en elders gebeurt. Ze eten afgodenoffers in een heidense tempel in aanwezigheid van de afgod. ‘Moet toch kunnen' zullen ze gezegd hebben, anders verlies ik m'n vrienden en m'n zakenrelaties. Ik meen het niet hoor, maar ik moet pro forma wel even meedoen[xiii].

Verder plegen ze ontucht; hun op seks gerichte religieuze beleving is natuurlijk erg aantrekkelijk. We zijn in Christus toch vrijgemaakt van de knelbanden van de wet. Het kan zich allemaal zo weer herhalen. Maar afgoderij en ontucht zijn zaken die voor een christen verboden terrein zijn (vgl. Hand.15:20,29).

De jonge gemeente kan moeilijk omgaan met haar nieuwe vrijheid. Het liefhebben met de liefde van de Heer is blijkbaar heel moeilijk te begrijpen. Er is een groep die het onderscheid tussen de liefde van de Heer en lichamelijke erotische liefde niet ziet; ze plegen vrolijk ontucht. En de rest van de gemeente heeft zo'n ruim begrip van de ‘liefde van de Heer, dat ze blijkbaar van mening zijn dat ze deze gelovigen, die in zonde leven, moeten liefhebben in de zin van hen gewoon laten begaan. Liefhebben is volgens hen hetzelfde als accepteren, door de vingers zien.

Hetzelfde komt ook vandaag voor. Wat is de verleiding groot om de vrijheid die wij in Christus  hebben ontvangen te misbruiken voor zaken die wij zelf graag willen. En wat is het moeilijk om een goed geestelijk begrip van goddelijke liefde te hebben. Om de persoon lief te hebben, maar tegelijk de vrijmoedigheid te nemen bepaalde daden bespreekbaar te maken. Wij denken ook heel snel dat ieder zijn eigen verantwoordelijkheid tegenover de Heer heeft. En dan is het nog maar een kleine stap om zonden onbesproken te laten.

 

De brieven en de identiteit van de kerk in de 21 eeuw

Nu de kerk in het Westen weer een minderheid is geworden zoals in de tijd vóór keizer Constantijn, kunnen wij uit de brieven in Openbaring mogelijk iets leren m.b.t. de identiteit van de kerk in de 21e eeuw. Ik zie drie aandachtsvelden.

1. Kerk als minderheid in een niet christelijke omgeving. Profetisch zijn betekent niet meer de politiek aanwijzingen geven vanuit de kerk. De tijd van christendom en christelijke overheden is voorbij. De gemeenschap van christenen leeft vanuit de hoop op de wederkomst. Daardoor leeft de gemeente nu al op de wijze zoals straks na de wederkomst de hele wereld door God zelf georganiseerd zal zijn. De gemeente als eerste vrucht en proefpolder van een nieuwe schepping.

2. De kerk als voorbeeldsamenleving, die zich toelegt op een  zuiver en christelijk leven. Niet alleen in de leer zuiver blijven, maar ook de eerste liefde bewaren (Efeze). Wees niet bevreesd voor het lijden (Smyrna). Onze medegelovigen liefhebben, maar niet hun zondige daden accepteren (Pergamum). Doorgaan met goede werken, maar ook de slechte werken bespreekbaar maken en uitbannen (Tyatira). Niet alleen in naam christen zijn, maar in de praktijk (Sardes). Getrouw zijn in het kleine, dan zullen we grote dingen gaan zien (Filadelfia). Zich bekeren van lauwheid en materialisme (Laodicea).

Hauerwas heeft gezegd: de kerk heeft geen programma of strategie, maar is een programma, is een sociale strategie.[xiv] De kerk moet zich primair toeleggen op het kerk-zijn, er zijn voor God, elkaar en de naaste. De kerk als proefpolder en voorbeeldsamenleving.

3. Geen hiërarchische, maar een vrije en laagdrempelige gemeentestructuur. Het betrof hier in Klein-Azie doorgaans kleine gemeentes, zoals duidelijk is in Filadelfia (3:8). Dat staat ook voor warm en op elkaar betrokken. Blijkbaar zijn de gemeentes nog niet op stads- of streekniveau georganiseerd. Er is nog geen sprake van oudsten. We moeten daarom waarschijnlijk denken aan huiskerken met hoogstens dertig, veertig personen.[xv] Johannes ziet Jezus temidden van de zeven gouden kandelaren, de gemeenten (1:13).  Er is geen sprake van hiërarchische structuren, maar van een netwerk. Zelfs Jezus wordt niet gezien als boven de gemeentes, maar wandelend te midden van de gemeentes. Zo trekken ook de ‘boodschappers', de rondreizende profeten en predikers langs de gemeentes (bv. 2:2).[xvi]

Er is geen sprake van een duidelijke organisatie, maar van een beweging, een profetische Jezusbeweging.



[i] B. M. Metzger, The Canon of the New Testament, Oxford 1988, 104-105.

[ii] Voor een bespreking en weerlegging van deze visie zie: G. van den Brink, Literair genre: Een betrouwbaar criterium? Ellips 27/235 (2002) 2-5.  Ook op http://www.elim.nl/nl/theologiegenre.html.

[iii] J. Ridderbos, Profetie en Ekstase, Aalten, z.j.; R.R. Wilson, Prophecy and Society in Ancient Israel, Philadelphia, 1980.

[iv] Volgens een onderzoek van Robert Calvert van ‘Scots International Church Rotterdam', dat hij presenteerde op de EZA ledendag van 20 april j.l. Van de 113 migrantenkerken hebben er vijf meer dan 500 leden, negen 250-500 en 22 hebben 100-250 leden. Meer dan 15000 leden zijn actief betrokken bij migrantenkerken in Rotterdam. Dit afgezet tegen een totaal van 272 kerken in Rotterdam met een totaal van 50.000 regelmatige kerkgangers, betekent dat de migrantenkerken bijna 30% van alle meelevende christenen in Rotterdam vormen. Statistische gegevens volgens: Jorge Castillo Guerra, Marjolein Glashouwer, Joris Kregting, ‘Tel je zegeningen. Het maatschappelijk rendement van christelijke kerken in Rotterdam en hun bijdrage aan sociale cohesie' (NIM: Nijmegen, 1 juli 2008) 14, 18-20.

[v] Deze kerkelijke uitleg vinden we in onze tijd nog bij bv. K. Beale (NIGTC) en in Nederland bij H.R. van de Kamp (CNT).

[vi] D.E. Aune, Revelation (World Biblical Commentary 52a+b+c) Nashville 1998.

[vii] Excurs ‘Tempel en muziek' in M.J.Paul, G. van den Brink, J.C. Bette, red., Bijbelcommentaar 1Kronieken - 2Kronieken (SBOT 5), Veenendaal 2008, 681-694; Voor de techniek van de hemelse liturgie, zie H. van Nes, ‘Liturgie en muziek in Openbaring',  Studiebijbel Magazine 2.3 (maart 2009), 26-29.

[viii] S. Hauerwas, W.H. Willimon, Resident Aliens. A provocative Christian assessment of culture and ministry for people who know that something is wrong (Nashville 1989) 17.

[ix] E.W. van de Poll, A. Stapert, Als het water bitter is: evangelisch denken en de milieucrisis. Sliedrecht 1989.

[x] Aune constateert minstens vijf verschillen: 1. het gaat bij de eerste groep, in tegenstelling tot de grote schare in vers 9 om een bepaald vastgesteld aantal gelovigen. 2. De 144000 verzegelden worden samengesteld uit de stammen van Israël, terwijl de grote schare uit `alle volk en stammen en natiën' komt. 3. De verzegelden bevinden zich op aarde en de grote schare in de hemel voor de troon van God (vs. 9,11). 4. De verzegelden bevinden zich in een situatie van dreigend gevaar, terwijl de grote schare als overwinnaars de hemelse beloning hebben ontvangen. 5. De structuur van de verzen 5-8 wordt bepaald door het steeds terugkerende `uit de stam'.  De Griekse constructie (genitivus partitivus) geeft aan dat de 12000 die uit elke stam verzegeld worden, een selectie vormen uit een groter geheel. Aune, Revelation, 440. Voor een uitvoerige beoordeling van deze argumenten, zie: G. van den Brink, ‘De toekomst van Jeruzalem. Over de betekenis van Israël als volk en land in de Openbaring van Johannes', Soteria 17,2 (2000) 2-12. Ook op http://www.elim.nl/nl/theologietoekomst.html.

[xi] De Studiebijbel geeft bij Openb.21:24 het volgende commentaar: De verwijzingen naar volken buiten het nieuwe Jeruzalem (vgl. vs.26-27, en de poorten in vs.12-13) plaatsen ons voor de vraag hoe we ons de situatie moeten voorstellen: wie zijn ‘de volken' die zich in de eeuwigheid noch in de nieuwe stad noch in ‘de poel des vuurs' bevinden, en welke status hebben de genoemde ‘koningen'? We krijgen van Johannes op dit soort vragen geen concreet antwoord. Wel kunnen we stellen dat het voor de hoorders en lezers van het boek Openbaring, die verdrukt worden, een enorme bemoediging is om te vernemen dat er niet alleen een einde zal komen aan de tegenstand van alle goddeloze volken (19:17-21), maar dat de volkeren zelfs op de nieuwe aarde in het licht van de bruid van het Lam, het nieuwe Jeruzalem, zullen wandelen. Hoewel deze volken volledig participeren in Gods eeuwige heil, blijft er dus blijkbaar ook op de nieuwe aarde een onderscheid tussen de bewoners van het nieuwe Jeruzalem en de volkeren daaromheen. Het feit dat de koningen van de aarde hun heerlijkheid naar het nieuwe Jeruzalem brengen, betekent waarschijnlijk dat de waardevolle elementen van de aardse culturen niet worden vernietigd, maar een plaats vinden in de nieuwe wereld (vgl. 2Petr.3:10b).

[xii] J. Moltmann, The Coming of God. Christian Eschatology (Minneapolis 1996) 204-216.

[xiii] Dit is wat anders dan het kopen van vlees in de vleeshal of op de markt wat (mogelijk, waarschijnlijk) aan afgoden gewijd is (1Kor.8).

[xiv] Hauerwas, a.w., 43

[xv] G. van den Brink, ‘Oudsten in het Nieuwe Testament. Waaruit bestond het leiderschap van ‘oudsten' in de nieuwtestamentische gemeente?'  Soteria 25.4 (2008) 26-35.

[xvi] De meest waarschijnlijke uitleg van ‘engelen' van de gemeente in 1:20 etc. is ‘boodschapper' =  profeet. Zie G. van den Brink e.a., red.., Bijbelcommentaar Openbaring (SBNT 10, Veenendaal 2003), 35-37.