De canonvorming van het NT

©  copyright  drs Gijs van den Brink 1998

 Terug naar Index theologie 

Het Oude Testament kreeg de kerk van de Joden. De Schriften die de Here Jezus en de apostelen lazen en citeerden, waren de boeken van de TeNaCh, die wij nu kennen als de canonieke boeken van het Oude Testament. Maar hoe zit dat met het NT? Waarom behoren de huidige 27 boeken tot het NT en niet een paar meer of een paar minder? Wie heeft dat bepaald en hoe is deze lijst van boeken ontstaan? Over die vraag willen we hier nadenken.

Mijn leermeester, wijlen professor Van Unnik zei het volgende: ‘niemand zal kunnen ontkennen, dat de bundel van 27 grotere en kleinere schrifturen afkomstig uit de eerste eeuwen van onze jaartelling, die onder de naam "het Nieuwe Testament" bekend is, wel in zeer uitzonderlijke zin diep ingrijpende invloed op de wereld in het groot en op de levens van enkelingen uitgeoefend heeft'. En ‘ieder, die waar ook ter wereld zich een Nieuwe Testament verschaft, krijgt altijd dezelfde bundel in handen'[1].

Tegen deze achtergrond willen we de discussie in de vroege kerk met betrekking tot het wel of niet opnemen in de Bijbel van een aantal betwijfelde  brieven bekijken. Van de 27 boeken zijn er zeven waarover tot in de IVe eeuw een discussie is geweest, te weten Hebreeën, Jakobus, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes, Judas en het boek Openbaring. De vraag is echter of vanaf het begin aan het gezag van deze boeken werd getwijfeld of dat dit pas later gebeurde? Verder is het van belang te zien waardoor eigenlijk het gezag van een nieuwtestamentisch boek bepaald werd en bepaald wordt.

 

Welke vraagstelling?

 

De eerste kwestie waarover we iets moeten zeggen ligt op het gebied van de methodologie. Als we onderzoek doen naar de nieuwtestamentische canon, waar hebben we het dan over? Hier zijn de geleerden het namelijk niet over eens. Het is al een oude discussie of we het Griekse woord kanon hier moeten verstaan in de betekenis van ‘regel'[2], dat wil zeggen in de zin van gezaghebbende norm voor geloof en leven of in de betekenis van ‘lijst'[3], dat wil zeggen een boek is pas canoniek als het opgenomen is in de lijst van canonieke boeken.

Dit verschil in methodische benadering leeft voort tot op vandaag. Von Campenhausen[4] stelt dat een geschrift of collectie geschriften pas dan canoniek genoemd kan worden als het als boek een plaats krijgt toegewezen die gelijkwaardig is aan het Oude Testament. Dit betekent dat niet eerder dan in de paasbrief van Athanasius in 367 na Chr. sprake is van onze nieuwtestamentische canon.

Anderen[5] daarentegen stellen dat canoniseren niet alleen de eindfase is, het opnemen in de lijst, maar ook het proces, waarin gezaghebbende tradities zodanig werden verzameld, geordend en overgeleverd dat ze gingen functioneren als Heilige Schrift. Metzger in zijn boek over de canon van het Nieuwe Testament vat het dilemma als volgt samen: voor de een is het Nieuwe Testament een verzameling van gezaghebbende boeken, voor de ander een gazaghebbende verzameling van boeken[6].

Hoewel het wetenschappelijk onderscheid tussen canoniek en gezaghebbend formeel terecht is, is het ons inziens inhoudelijk onjuist dit onderscheid te introduceren in de vroege kerk en ons te beperken tot de vraag waar en wanneer een boek werd opgenomen in de lijst van canonieke boeken. De vraag waar het om gaat is, of en waar en wanneer deze boeken gezaghebbend waren in de vroege kerk. Dit was namelijk de hoofdreden waarom een boek later in de lijst werd opgenomen[7].

 

De situatie in de tweede en derde eeuw

 

Laten we nu eens kijken naar de situatie in de tweede helft van de tweede eeuw en daarna, omdat we daarover goed geïnformeerd zijn. Een hele extreme positie wordt ingenomen door een zekere uit Pontus afkomstige Marcion. Rond 150 n Chr. heeft hij zich in Rome van de kerk afgescheiden en een eigen gemeente gesticht. Hij verwerpt het Oude Testament en accepteert alleen het evangelie van Lucas en vier brieven van Paulus als Heilige Schrift. Deze kwestie heeft in de kerk van de tweede eeuw veel stof doen opwaaien en veel discussie opgeroepen m.b.t. een aantal nieuwtestamentische boeken, of ze wel of niet tot de voor de kerk gezaghebbende geschriften behoorden.

Dit geldt ook voor een andere beweging in de tweede eeuw, het Montanisme. Het optreden van Montanus en zijn profetessen kunnen we vergelijken met een opwekkingsbeweging, waar men de nadruk legde op de inwoning van de Heilige Geest en de geestesgaven, met name de gave van profetie. De profetieën waren echter, vooral in de begintijd, vaak van apocalyptische aard. Zo werd bijvoorbeeld geprofeteerd dat het hemels Jeruzalem zou neerdalen in Pepuza in Phrygië. Hiermee ging het montanisme verder dan de eerste gemeente en stelde de openbaring van de nieuwe profeten boven de woorden van Jezus en de apostelen. Ook hierop was de reactie enorm. Vooral het boek Openbaring, waarop de montanisten zich met voorliefde beriepen, werd met name in het oosten verdacht.

Als we nu aan het einde van de tweede eeuw de balans opmaken, zien we dat de drie grote theologen in deze tijd, Irenaeus, Tertullianus en Clemens van Alexandrië, een Nieuwe Testament kende, dat 4 evangeliën bevatte en een deel met brieven van apostelen. Tot deze apostelbrieven behoorden onomstreden 13 brieven van Paulus, het boek Handelingen, 1 Petrus, 1 Johannes en het boek Openbaring.

Maar van een aantal katholieke brieven, van Hebreeën en in het Oosten van het boek Openbaring werd de canoniciteit bestreden en hier en daar werden ook andere boeken, zoals de openbaring van Petrus of de Handelingen van Paulus als canoniek gezien. Deze situatie blijft in de derde eeuw ongeveer hetzelfde. Alleen het gezag van het boek Openbaring krijgt door een publicatie van Dionysius van Alexandrië in het jaar 260 na Chr. nog een nieuwe slag toegediend. Hij schrijft een boek waarin hij met linguïstische, stilistische en inhoudelijke argumenten laat zien dat het boek Openbaring niet geschreven kan zijn door dezelfde auteur als het evangelie naar Johannes. Het canoniek gezag van Openbaring werd hierdoor zodanig diep geschokt dat het nog tot in de 10e eeuw na Chr. hier en daar werd bestreden.

Maar het feit dat van een aantal boeken het gezag omstreden was geeft tevens aan dat vanaf het midden van de tweede eeuw het bewustzijn aanwijsbaar is dat de canon van het NT, evenals het geval was met het Oude Testament, gesloten moet zijn, d.w.z. het aantal boeken moet precies vaststaan. Maar wat betreft 7 van de 27 boeken werd het gezag sinds het einde van de tweede eeuw dan hier, dan daar bestreden. Aan deze onzekerheid kwam pas een einde in het jaar 367 toen Athanasius zijn bekende Paasbrief schreef, waarin hij de ons bekende 27 boeken van het NT voor gezaghebbend en canoniek houdt. Hij wordt hierin enkele jaren later gevolgd door een synode in Rome en de kerk in het Westen.

Maar de vraag die ons bezighoudt is deze: was men vanaf het begin verdeeld over de  7 omstreden boeken of is dit pas later gebeurd?  En wat was dan de reden?

 

Wat bepaalt het gezag van een nieuwtestamentisch boek?

 

Laten we eerst eens zien waardoor het gezag van een nieuwtestamentisch boek bepaald wordt? En geeft het Nieuwe Testament zelf dit al aan? In de eerste plaats is er sprake van het onomstotelijk gezag van de woorden van Jezus Christus[8]. Jezus zelf zegt: ‘jullie hebben gehoord dat er gezegd is ... maar Ik zeg u' (Mat.5:21-48). Hij spreekt met het gezag van de Messias, van de plaatsvervanger van  God op aarde. Voor Paulus wordt elk verschil van mening beslecht met de woorden: ‘dit zeggen wij u met een woord des Heren' (1 Tess. 4:15; vgl. 1 Kor.9:9,13,14; 11:23vv).

In de tweede plaats lezen we in het Nieuwe Testament over het gezag van de apostelen. Jezus zelf heeft zijn apostelen uitgekozen (Mar.3:14vv) en hen met Zijn gezag bekleed om Zijn representanten te zijn. Hij zegt tot hen: ‘Wie u ontvangt, ontvangt Mij en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft'[9](Mat.10:40). Hun gezag betreft met name het onderwijzen van de leer van Jezus. De apostelen zijn de pilaren en fundamenten van de kerk van het Nieuwe Verbond (Ef.2:20; Op.21:14).

Ook Paulus is zich bewust van de roeping en het gezag dat hij van Jezus Christus heeft ontvangen , zodat hij kan zeggen dat wanneer iemand een ander evangelie brengt, deze vervloekt is (Gal.1:1,7vv). Dit van de Heer afgeleide gezag van de apostel is gelijk aan het gezag van Christus zelf, het is een levend gezag dat gelijkwaardig is aan dat van de Schriften van het Oude Testament[10].

In de derde plaats wordt in het Nieuwe Testament het ‘oor- en ooggetuige zijn' genoemd als kenmerk van betrouwbaarheid en waarheid[11]. Jezus zelf beroept zich hierop als Johannes de Doper laat vragen of Hij de verwachte Messias is of niet. Hij antwoordt: ‘gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet' (Mat.11:4 = Luc.7:22). Johannes en Lucas hebben dit criterium sterk benadrukt. Johannes opent zijn eerste brief met: ‘hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze eigen ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het woord de levens ... verkondigen wij u ...' (1 Joh.1:1-3). Ook Lucas begint zijn evangelie met een beroep op ooggetuigen (Luc.1:2).

Vervolgens moet in dit verband bovendien gezegd worden dat naast het gezag ook de schriftelijke neerslag en het verzamelen van de canonieke boeken al in het Nieuwe Testament worden aangegeven. Tijdens het leven van de apostelen had hun geschreven en gesproken woord evenveel gezag[12]. Paulus zegt in 2 Tessalonicenzen 2 :15 ‘zo dan broeders, staat vast en houdt u aan de overleveringen die door ons hetzij mondeling, hetzij schriftelijk geleerd zijn'. En in zijn tweede brief spreekt Petrus over een verzameling van brieven van Paulus die hij op één lijn plaatst  met de Geschriften van het Oude Testament (2 Petr.3:15-16)[13].

 

Later betwijfelde brieven vanaf de eerste eeuw gezaghebbend

 

Zo zien we dat al in het Nieuwe Testament een gezag wordt toegekend aan de woorden van de Heer en aan apostelen en ooggetuigen dat gelijk is aan dat van het Oude Testament. Dezelfde situatie vinden we bij de apostolische vaders. Dit zijn de eerste christelijke schrijvers na de apostelen, die schreven tussen ongeveer 75 en 150 na Christus.

Zo vinden we in deze tijd in een wijd verbreid gebied, in Rome[14] en Antiochië[15], als ook in Alexandrië[16] en klein Azië[17], zowel woorden uit het evangelie als ook uit de brieven van het Nieuwe Testament gezaghebbend geciteerd. Nu is wel opgemerkt dat het overgrote deel van het gebruik van het Nieuwe Testament bij de apostolische vaders bestaat uit toespelingen en slechts een heel klein deel uit zuivere citaten. We mogen hier echter beslist niet de conclusie uit trekken dat het gebruik daarom minder gezaghebbend zou zijn. Ook het Nieuwe Testament zelf bevat tien maal zoveel toespelingen  op het Oude Testament als letterlijke citaten[18].

Laten we nu eens kijken hoe het staat  met de acceptatie van de 7 later betwijfelde brieven in deze eerste periode van 75 tot 150 na Christus. Vaak wordt namelijk gesteld  vanuit het perspectief van de IIIe en IVe eeuw dat de status van een aantal van onze brieven twijfelachtig bleef totdat de kerk in de vierde eeuw besloot hen op te nemen in de canon. Wijzen de feiten ten tijde  van de apostolische vaders nu inderdaad in die richting? Ons inziens niet.

We zien het boek Hebreeën in deze vroege tijd functioneren in Antiochië[19], klein Azië[20], Rome[21]en Alexandrië[22]. Van de Jakobus brief weten we dat hij  in Rome[23] gelezen werd. Sporen van 1 Petrus worden gevonden in Antiochië[24], Klein Azië[25]en Rome[26]. Sporen van 2 Petrus alleen in Rome[27]. De brieven van Johannes werden gelezen in klein Azië[28]. Judas werd ook in klein Azië[29] gelezen en de wijze waarop Tertullianus later deze brief citeert suggereert dat hij reeds lang gezag genoot in Noord Afrika[30]. Het boek Openbaring genoot gezag in klein Azië, als ook in Rome, Egypte en Noord Afrika[31]. We concluderen dat de genoemde brieven in deze  vroege tijd wijd verbreid zijn gelezen. Nog belangrijker is dat de apostolische vaders geen spoor van twijfel laten zien met betrekking tot het lokale gezag van deze boeken.

 

Waarom bepaalde boeken later ter discussie?

 

De vraag die vervolgens onze aandacht vraagt is deze: Waarom werd het gezag van een aantal boeken vanaf de tweede helft van de IIe eeuw ter discussie gesteld?

We kunnen hier drie redenen voor aanvoeren. Ten eerste de groeiende  oecumenische verbondenheid van de verschillende delen van de wereldkerk[32]. Bepaalde boeken waren in bepaalde gebieden  voorheen  nauwelijks of niet bekend. Zo werden bv. de brieven  van Johannes aanvankelijk alleen in klein Azië gelezen en de brief van Jakobus, voor zover we weten, alleen in Rome. En onbekend maakt onbemind. Het is daarom begrijpelijk dat hun acceptatie in andere delen  van de wereldkerk met de nodige discussie gepaard ging.

Een tweede reden is dat  in de tweede helft van  de IIe eeuw een verenging van het begrip apostel optreedt[33]. In tegenstelling tot de apostolische tijd (zie bijv. 1 Kor.15:5v v) wordt de term apostel nu beperkt tot de twaalf discipelen. Judas en Jakobus zijn geen apostelen in deze zin van het woord. En zij die bijvoorbeeld niet wisten dat Johannes in de kring van zijn discipelen ‘de oudste' werd genoemd, konden gemakkelijk twijfels hebben met betrekking tot het auteurschap van 2 en 3 Johannes[34].

De derde reden voor kritiek op de canoniciteit van bepaalde boeken is de toevloed van sektarische en pseudepigrafische literatuur. De apocalyptische profetieën van de Montanisten hebben behoorlijk wat discussies veroorzaakt over het gezag van het boek Openbaring[35]. En het feit dat zij zich voor hun opvatting dat na afval geen bekering meer mogelijk was  beriepen op de Hebreeënbrief (Heb. 6:1-6), heeft deze brief in veel kringen in diskrediet gebracht[36]. En zo werd ook de brief van Judas door sommigen afgewezen, omdat deze zou verwijzen naar het apocriefe boek Henoch[37].

 

Gezaghebbend en canoniek

 

We zijn toegekomen aan een samenvatting en conclusie van onze bevindingen. We hebben vastgesteld dat het wezen van de canoniciteit van de nieuwtestamentische boeken wordt bepaald door hun gezag in de vroege kerk. Vervolgens hebben we gezien dat het gezag van de nieuwtestamentische geschriften  volgens deze boeken zelf gebaseerd is op eigenlijk twee instanties. 

Ten eerste het gezag van de woorden van de Here Jezus Christus zelf en ten tweede het gezag en de betrouwbaarheid van de eerste apostelen en ooggetuigen. Daarna zagen we dat de 7 later betwijfelde brieven in die delen van de vroege kerk, waar ze bekend waren, vanaf het begin gezaghebbend waren. Tot slot vonden we maar liefst drie redenen  waarom een aantal van deze brieven vanaf de tweede helft van de IIe eeuw ter discussie werd gesteld. Bovendien is er over het merendeel van de boeken van het NT nooit discussie geweest.

We zien dus dat wat vanaf het begin  door apostelen en ooggetuigen is overgeleverd wel werd aangevochten en bedreigd, maar niet werd gevormd in de daarop volgende eeuwen[38]. De canon is beslist geen product van de kerk, maar behoort tot de vooronderstellingen van de christelijke gemeente en is dus een geschenk aan de kerk van Christus.

Bovendien is een belangrijke conclusie dat door de historische eenmaligheid van de openbaring van Jezus Christus en het verslag daarvan door de eerste apostelen en ooggetuigen de canon van het Nieuwe Testament principieel gesloten is[39]. En de omvang van deze canon was in principe compleet vanaf het moment dat haar boeken geschreven waren[40]. Tot deze verzameling behoren de 27 boeken van het NT, omdat de schrijvers van deze brieven kunnen zeggen: ‘... hetgeen wij gehoord hebben , hetgeen wij gezien hebben met onze eigen ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben  en onze handen getast hebben van het woord des levens ... verkondigen wij u ....' (1 Joh.1:1-3). 


Terug naar Index theologie 


[1] W.C. van Unnik, Oog en oor (Utrecht,1973) 4

[2] H.W. Beyer, ‘kanon', TDNT, III, 601

[3] Th. Zahn, Grundriss der Geschichte des Neutestamentlichen kanons (2e dr., Leipzig, 1904) 7-11

[4] H.F. von Campenhausen, Die Entstehung der Christlichen Bibel (Tübingen, 1968) 123

[5] De meest vurige recente verdediger van dit standpunt is Childs. B.S. Childs, The New Testament as Canon: An Introduction (London, 1984) 21, 25

[6] Naar aanleiding van deze opmerking zegt Metzger verder: ‘In the former case, the books within the collection are regarded as possessing an intrinsic worth prior to their having been assembled, and their authority is grounded in their nature and source. In the latter case, the collection itself is regarded as giving the books an authority they did not possess before they were designated as belonging to the collection'. B.M. Metzger, The Canon of the New Testament (Oxford, 1988) 283.

 [7] T. Donner, ‘Some thoughts on the history of the New Testament canon', Themelios 7,3 (1982) 25-26

[8] W.G. Kümmel, Introduction to the New Testament, H.C. Kee, vert. (2e dr., London, 1977) 477

[9] Matt. 10:40. De discipelen worden uitgezonden en doen het werk van een sjaliách, d.w.z. een ‘afgezant', die niet zijn eigen woorden spreekt, maar die van zijn zender. E.E. Ellis, ‘New Directions in Form Criticism' in: E.E. Ellis, Prophecy and Hermeneutic in Early Christianity (Grand Rapids, 1978) 242.

[10] Kümmel, Introduction, 478

[11] Zie met name de reeds aangehaalde zeer waardevolle studie van Van Unnik: Oog en oor. Utrecht, 1973

[12] F.F. Bruce, The Canon of Scripture (Downers Grove, 1988) 117-118; L. Goppelt, Apostolic and Postapostolic Times. R.A. Guelich, vert. (London, 1970) 156,162; H. Ridderbos, Heilsgeschiedenis en Heilige Schrift van het Nieuwe Testament (Kampen, 1955) 51

[13] Zie voor de discussie hierover: Ridderbos, a.w., 56; Bruce, a.w., 120-121

[14] I Clemens 13,1v. Zo: Bruce, a.w., 121; Kümmel, Introduction, 479. Duidelijker is II Clemens 2,4 dat Marc. 2:17 citeert en inleidt met ‘de Schrift zegt'. Maar het is niet zeker dat II Clemens in Rome geschreven is. A.F.J. Klijn, Apostolische Vaders, I (Kampen, 1981) 201-202

[15] De brief van Ignatius aan de Philadelphiërs 8,2. Zo: Bruce, a.w., 121; Kümmel, Introduction, 479; Metzger, a.w., 48

[16] Brief van Barnabas 4,14 citeert Matt. 22:14 als ‘Schrift'. Doorgaans wordt aangenomen dat deze brief in Alexandrië geschreven is. Klijn, a.w., II, 9

[17] Brief van Polycarpus aan de Philippenzen 12,1 citeert Efez. 4:26 ingeleid met ‘de Schrift zegt'.  Bruce, a.w., 122

[18] Van Bruggen zegt over het citeren door de apostolische vaders het volgende: "De wijze waarop het citeren van Nieuwtestamentische geschriften verschilt  van de manier waarop het Oude Testament wordt gehanteerd, hangt niet samen met een geringere autoriteit van evangeliën en brieven, maar vloeit voort uit het reliëfverschil tussen het Oude Testament en de vervulling ervan in Jezus en de apostelen alsmede uit de omstandigheid dat de evangeliën en brieven nog ingebed waren in de mondelinge overlevering die rechtstreeks op Jezus en de apostelen terugging". J. van Bruggen, Wie maakte de Bijbel? (2e dr., Kampen, 1986) 43

[19] Ignatius; J. Leipoldt, Geschichte des Neutestamentlichen Kanons, I (Leipzig, 1907) 189; Metzger, a.w., 45

[20] Polycarpus; Leipoldt, a.w., 189; Metzger, a.w., 61

[21] Pastor van Hermas; Leipoldt, a.w., 189; I Clemens; Donner, a.w., 27; D. Guthrie, ‘The Canon of the New Testament' in: M.C. Tenney, ed., The Zondervan Pictorial Encyclopedia of the Bible, I (Grand Rapids, 1975) 734; Leipoldt, a.w., 188; Metzger, a.w., 43

[22] Brief van Barnabas; Leipoldt, a.w., 190

[23] Pastor van Hermas; Donner, a.w., 27; Leipoldt, a.w., 189; Metzger, a.w., 66; I Clemens; Donner, a.w., 27; Guthrie, a.w., 734; Metzger, a.w., 43

[24] Ignatius; Metzger, a.w., 45

[25] De Marteldood van Polycarpus; Leipoldt, a.w., 189; Metzger, a.w., 121; Papias; Leipoldt, a.w., 189; Metzger, a.w., 55; Polycarpus; Guthrie, a.w., 734; Leipoldt, a.w, 189; Metzger, a.w., 62

[26] I Clemens; Leipoldt, a.w., 188; Metzger, a.w., 43

[27] I Clemens; Donner, a.w., 27; Pastor van Hermas; Donner, a.w. , 27

[28] Papias; Leipoldt, a.w., 189; Metzger, a.w., 55; Polycarpus; Guthrie, a.w,, 734; Leipoldt, a.w., 189; Metzger, a.w., 61. Toespelingen op 3 Johannes kennen we niet uit deze tijd, maar heel waarschijnlijk is  zowel 2 als 3 Johannes vanaf het begin een aanhangsel geweest bij 1 Johannes. Vanwege de geringe omvang van 3 Johannes is het volgens Zahn niet zo verwonderlijk dat we nergens citaten of toespelingen vinden. Volgens hem kan de geschiedenis van 2 en 3 Johannes en de latere opname in de lijst van canonieke boeken ondanks kritiek op deze brieven, alleen begrepen worden, als zij vanaf het begin een aanhangsel waren bij 1 Johannes. Uit twee passages bij Irenaeus blijkt dat meerdere Johannesbrieven bekend zijn geweest als één brief. Th. Zahn, Geschichte des Neutestamentlichen Kanons, I.I (Erlangen, 1888) 213-217

[29] De Marteldood van Polycarpus; Metzger, a.w., 121

[30] Donner, a.w., 27

[31] Leipoldt, a.w., 34-39

[32] Donner, a.w., 27; Metzger, a.w., 254; Ridderbos, a.w., 94-96

[33] Leipoldt, a.w., 185-187

[34] Zahn, Grundriss, 20; Metzger, a.w., 235

[35] Metzger, a.w., 104-105

[36] Von Campenhausen, a.w., 270; Metzger, a.w., 102,105

[37] Metzger, a.w., 235; Zahn, Grundriss, 21

[38] Of met de woorden van Metzger: "The Church did not create the canon, but came to recognize, accept, affirm and confirm the self-authenticating quality of certain documents that imposed themselves as such upon the Church".  Metzger,a.w., 287

[39] W.G. Kümmel, ‘Notwendigkeit und Grenze des Neutestamentlichen Kanons', Zeitschrift für Theologie und Kirche 47 (1950) 298-300; Ridderbos, a.w., 58-60

[40] Zo Metzger: "If the authority of the New Testament books resides not in the circumstance of their inclusion within a collection made by the Church, but in the source from which they came, then the New Testament was in principle complete when the various elements coming from this source had been written".  Metzger, a.w., 283