Dooppraktijk en gemeentevorming

Over de implicaties van de nieuwtestamentische doop voor de ecclesiologie

Drs Gijs van den Brink, 2003 (gepubliceerd in Soteria 20/1) 

 

In deze bijdrage bespreken we de relatie tussen doop en gemeentevorming, zoals we die in het Nieuwe Testament vinden[1]. We beginnen met een paar doopteksten met aanknopingspunten voor een verdere bespreking. De basis voor de doop in de nieuwtestamentische gemeente is gelegd door Johannes de Doper. De doop is zo kenmerkend voor Jezus' voorloper Johannes dat hij wel ‘de dopende Johannes' wordt genoemd (bv. Marc.6:14) en zelfs ‘de doper' als bijnaam heeft gekregen (bv. Matt.3:1). Dopen is dus in het geval van Johannes de Doper kenmerkend en essentieel voor zijn bediening. Vervolgens is het ook kenmerkend voor Johannes dat doop en bekering onlosmakelijk verbonden worden. Evangelisten en apostelen gebruiken dan ook met betrekking tot Johannes de staande uitdrukking ‘doop der bekering'[2].

Ook door Jezus, wanneer Hij na zijn opstanding spreekt over het toevoegen van de niet-joodse volkeren tot zijn Rijk, wordt er een verband gelegd tussen doop en bekering:
‘Gaat dan henen, maakt al de­ volken tot mijn discipelen en doopt hen in ­de naam des Vaders en des Zoons en­ des Heiligen Geestes en leert hen­ onderhouden al wat Ik u bevolen heb'­ (Matt.28:19[3]).
Het ‘maken van een volgeling' (hoofdwerkwoord) gebeurt via doop en onderwijs. Het mag duidelijk zijn dat de doop hier de inwijding van de volgeling is, waardoor hij toetreedt tot de messiaanse gemeenschap.

Voor de relatie tussen Johannes de doper en de rest van het Nieuwe Testament is van betekenis dat in het evangelie naar Johannes het dopen door Johannes de Doper en door Jezus in één adem genoemd wordt  (Joh.3:22,23; 4:1). De christelijke doop die de apostelen na de hemelvaart van Jezus praktiseren wordt in het Nieuwe Testament dan ook niet afgezet tegen, maar ligt juist in het verlengde van de doop van Johannes. Lucas verwoordt de verkondiging van Petrus als volgt : ‘Bekeert u en een ieder van u late zich dopen'(Hand 2:38). Ook hier dus een directe relatie tussen doop en bekering en de gedachte van de doop als inwijding.

Paulus brengt als enige de relatie tussen doop en gemeentevorming in één zin onder woorden:
‘Want door een Geest zijn wij allen ­tot één lichaam gedoopt, hetzij­ Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven­, hetzij vrijen, en allen zijn wij met­ één Geest gedrenkt (1 Cor.12:13).

De vraag die we hier bespreken is óf en welke implicaties de dooppraktijk heeft voor de visie op de gemeente, de ecclesiologie. Wij zullen in vogelvlucht nagaan hoe Jezus en na hem Paulus en Johannes  hierover spreken. Nadat we een overzicht hebben gegeven, zullen we kort ingaan op de vraag naar de plaats van kinderen in de christelijke gemeente.

 

Jezus en het ‘gelovige overblijfsel'

 

We zagen in de inleiding al dat niet alleen Johannes de Doper, maar ook Jezus (niet zelf, maar zijn discipelen) doopte. Evenals bij Johannes de Doper was de hele bedoeling van het optreden van Jezus het verzamelen van gelovigen uit Israël in de gemeente van de laatste dagen[4]. Dit blijkt overduidelijk uit de woorden die Jezus staande voor Jeruzalem uitsprak: ‘Jeruzalem, Jeruzalem ... hoe dikwijls heb ik uw kinderen willen vergaderen gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels ...' (Matt.23:37 par).

Jezus gebruikt verschillende beelden voor deze eschatologische heilsgemeente. Hij vergelijkt haar met een kudde (Luk.12:32; Marc.14:27 par; Joh.10:1-29) die door de herder verzameld wordt (Matt 15:24; vgl. Ezech. 34:1-31; Jer. 23:1-8), met bruiloftsgasten (Mc.2:19), met een aanplanting van God (Mt.13:24; 15:13), een bouwwerk van God (Matt.16:18) of ook een stad die op een berg (Sion) ligt (Matt.5:14, vgl. Jes. 2:2-4//Micha 4:1-3; Jes.25:6-8; 60), waarvan het licht van verre te zien is en waarvan de bewoners kinderen van het licht genoemd worden. In de evangeliën zien we dus hoe Jezus de ‘gelovige rest' uit Israël verzamelt als de eschatologische heilsgemeente. Ook Paulus spreekt op deze wijze over de gelovigen uit de Joden, namelijk als ‘uitverkoren rest/deel' (Rom.11:7).

Het is duidelijk dat het verschil tussen het verbondsvolk Israël en het messiaanse volk van God wordt bepaald door het geloof in Jezus, de Messias. En je krijgt deel aan deze nieuwe messiaanse gemeenschap door Hem te geloven en je te laten dopen[5].

 

De gemeente als Gods huisgezin

 

De eschatologische restgemeente waarover Jezus spreekt, heeft ook een andere gestalte dan het verbondsvolk Israël. Waar voor Israël land en afstamming (‘kinderen van Abraham') naast tempel en thora belangrijke tekenen[6] zijn van het verbond met JHWH, is het beeld dat Jezus gebruikt voor de gemeenschap van zijn volgelingen dat van het huisgezin van God (familia Dei). Hiervan is God de Vader (Matt 23:9), Jezus de huisheer en die bij hem horen de huisgenoten (Matt.10:25), oudere vrouwen zijn moeders en mannen zijn broers (Marc.3:34 par). En allemaal worden zij tevens kinderen genoemd. De gezinsgemeenschap die Jezus met zijn volgelingen onderhoudt wordt vooral gezien in de gezamenlijke maaltijden die vooruitgrijpen en vooruitwijzen naar het bruiloftsfeest in het voltooide Koninkrijk dat komen gaat (Matt.22:1-14; Marc.2:15; Luc.14:16vv, 15:2; vgl. Matt.8:11).

We noemen twee concrete voorbeelden met consequenties voor ons thema. In Marcus 3:31-35 lezen we dat Jezus' familie Hem zoekt. Als de mensen Hem dit vertellen vraagt Hij: `wie zijn mijn moeder en broeders?' En rondziende over degenen die in een kring rondom Hem zaten, zei Hij: `Zie, mijn moeder en mijn broeders. Al wie de wil Gods doet, die is mijn broeder en zuster en moeder'. Op de vraag wie tot het ‘huisgezin van God' behoort, krijgen we hier dus een duidelijke indicatie. De geloofsband is voor Hem fundamenteler dan de bloedband. Je wordt niet via een natuurlijke geboorte aan dit gezin toegevoegd, maar door luisterend aan Zijn voeten te zitten (‘rondom Hem') en de ‘wil van God te doen', met andere woorden door het heil van Hem te verwachten en de wil van God te doen, zoals die door Jezus wordt verkondigt.

In Marcus 10:29-30 zegt Jezus: `Voorwaar Ik zeg u, er is niemand, die huis of broeders of zusters of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en om het Evangelie, of hij ontvangt honderdvoudig terug: nu, in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven'. Naast `moeder of vader' noemt Jezus hier ook de `kinderen'[7]. Met andere woorden Hij spreekt niet alleen over het gezin, waarin je geboren bent, maar ook over het gezin dat iemand zelf gesticht heeft. Ook dat gezin deelt niet automatisch in de zegeningen van het messiaanse Rijk wanneer de huisvader zich bekeert[8].

 

De gemeente als ‘Lichaam van Christus'

 

Van Jezus en de evangeliën gaan we nu over naar Paulus. De relatie tussen doop en gemeentevisie wordt door hem het beste verwoord in 1Cor.12:12-13,
‘Want gelijk het lichaam een is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, een lichaam vormen, zo ook Christus;  want door[9] een Geest zijn wij allen tot een lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven , hetzij vrijen, en allen zijn wij met een Geest gedrenkt.'

Het voorzetsel ‘tot' (Grieks eis) in ‘tot één lichaam' geeft het doel van de doop aan, namelijk ‘met het doel één lichaam (te worden).' De doop[10] wordt hier door Paulus beschreven als een inwijding in het ‘lichaam' van Christus. Met dit ‘lichaam' van Christus blijkt hij over de kerk en haar leden te spreken. Maar wat wil hij met dit beeld duidelijk maken? Over welke gestalte van de kerk spreekt hij? Plaatselijk, wereldwijd of nog weer anders?

Paulus kan het woord ‘gemeente' (Grieks ekkl¨¥sia) in drieërlei betekenis gebruiken. Hij kan het woord gebruiken voor de universele gemeente (bv. Col.1:18), de gemeente in een bepaalde plaats of streek (bv. Col.4:16) en de gemeente van gelovigen die op één plaats samenkomt (bv. Col.4:15). Alle drie deze vormen zijn voor Paulus volledig kerk. Hij beschouwt de gemeente dus niet numeriek, maar organisch. De universele kerk is niet een optelsom van alle plaatselijke kerken, maar elke gemeenschap van christenen, hoe klein ook, vertegenwoordigt de universele christelijke Gemeente. De plaatselijke gemeente is niet een deel van de Kerk, maar is de christelijke gemeente in haar plaatselijke gestalte. Dit betekent dat de opgestane Heer op dezelfde wijze aanwezig is in de plaatselijke gemeente als in de universele gemeente.

Dit nu maakt Paulus op een indringende wijze duidelijk met zijn spreken over het ‘lichaam van Christus'. Hij kan dit beeld zowel toepassen op de universele gemeente (Efez.1:23; Col.1:24) als op de plaatselijke gemeente (1Cor.12). De gemeente is geen organisatie of vereniging, maar de gelovigen vormen samen een organisme van werkzame leden, te vergelijken met een menselijk lichaam (Rom.12:4; 1Cor.12:12vv.). Zoals een menselijk lichaam wordt bijeengehouden en levend is door de geest van de mens, evenzo het lichaam van Christus door de Geest van God (1Cor.12:13). De eenheid van de gemeente bestaat in de ene Heilige Geest, die de verschillende leden in harmonie doet samenleven en samenwerken.

Zoals een mensenlichaam uit vele lichaamsdelen bestaat met elk een andere functie, zo bestaat het lichaam van de Heer uit vele leden met elk een functie, die de Geest meedeelt (1Cor.12:7,11; Efez.4:7-8). Alle leden en functies van het lichaam zijn belangrijk en zelfs onmisbaar voor de gezondheid van het geheel (vgl. 1Cor.12:14-27 met 1Cor.12:7). Voorbeelden van functies en gaven, die de Heilige Geest uitdeelt, vinden we beschreven in Rom.12:7-8; 1Cor.12:8-10,28; 14:26; Efez.4:11-12. De gave en functie van elke gelovige is even belangrijk. In het lichaam zijn de minder edele lichaamsdelen even noodzakelijk en worden zelfs meer beschermd en met meer zorg behandeld dan de edele (1Cor.12:22-24). Zoals in een lichaam als één orgaan ziek is alle lichaamsdelen eronder lijden, evenzo is er medelijden en medeleven in het lichaam van Christus (1Cor.12:26).

Met dit beeld van het ‘lichaam van Christus' bespreekt Paulus op een indringende wijze de solidariteit en de relaties tussen christenen onderling. Hij vergelijkt de gemeente niet alleen met een lichaam (1Kor.12:12-16), maar zegt: ‘jullie nu zijn het lichaam van Christus' (1Kor.6:15; 1Kor.12:27)[11]. Dit gaat verder dan onderlinge relaties. De gelovigen vormen samen zijn mond en zijn handen. Door zijn gemeente werkt Jezus Christus in deze wereld.

Wat betreft onze vraagstelling naar de relatie tussen doop en gemeentevisie, kunnen we concluderen dat voor Paulus de gemeente bestaat uit gedoopte leden, die zich laten bepalen en leiden door de Heilige Geest.

 

De gemeente als open vriendenkring

 

Na te hebben stilgestaan bij de verschillende opvattingen over de gemeente in de synoptische evangeliën en bij Paulus, willen we nu nog stilstaan bij een concept dat we met name tegenkomen in het evangelie naar Johannes.

Ook hier speelt de doop een rol. Johannes de Doper zegt over Jezus: ‘En ik kende Hem niet, maar Hij, ­die mij gezonden had om te dopen met­ water, die had tot mij gezegd: Op­ wie gij de Geest ziet nederdalen ­en op Hem blijven, deze ­is het, die met de heilige Geest doopt­' (1:33). Johannes verwacht dat de Messias, Jezus, de mensen zou dopen met de Heilige Geest. Maar terwijl hij dit zegt, lezen we dat ook Jezus (d.w.z. zijn discipelen) doopte met water (3:22; 4:1). De twee, ‘water' en ‘geest', komen samen voor in Jezus' gesprek met Nicodemus in Johannes 3:5,

‘Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, ­Ik zeg u, tenzij iemand geboren­ wordt uit water en Geest, kan hij ­het Koninkrijk Gods niet binnengaan­.' ­

‘Water' en ‘geest' geven samen aan welke nieuwe geboorte toegang verschaft tot het koninkrijk Gods. Met een overgrote meerderheid van nieuwtestamentici[12] zie ik in Joh.3:3,5 een verwijzing naar de doop en dus een verbinding tussen doop en wedergeboorte. Zo blijkt ook bij de apostelen in de vroege kerk de doop te bestaan uit twee onlosmakelijk verbonden componenten, ‘water' en ‘geest', ofwel een waterdoop en een geestesdoop[13].
Maar waar het ons in deze bijdrage om gaat, is hoe de gemeenschap van gedoopten, die zijn binnengegaan in het Rijk Gods, in het evangelie naar Johannes beschreven wordt.

In Joh.15:13-15 verklaart Jezus zichzelf een vriend van zijn discipelen en roept hij ook hen tot het nieuwe leven van vriendschap: ‘Ik noem jullie niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; maar jullie heb ik vrienden genoemd'. Alle gelovigen zijn dus vrienden van Jezus, (vgl Lc 12:4, Ik zeg u mijn vrienden, ...). Dit is niet een vriendschap van gelijken, maar tussen Meester en leerling. Vandaar dat gehoorzaamheid van de kant van de gelovigen voor deze vriendschap ook essentieel is (Joh.15:10,12). Weliswaar brengt deze vriendschap met Jezus geen gelijkheid met zich mee, maar toch is het een relatie van wederzijdse vriendschap.

Omdat Jezus zijn vriendschap met de discipelen model stelt voor hun onderlinge vriendschap (Joh.15:12) is hier sprake van een gemeentevisie. Alle gelovigen zijn in de ogen van Jezus vrienden van Hem en van elkaar. Deze vriendschapsrelatie van gelovigen onderling naar het voorbeeld van Jezus mag echter niet exclusief uitgelegd worden. Jezus verwerpt de exclusieve vriendschapsrelaties (alleen jij en ik), die gebaseerd zijn op het principe van wederkerigheid (ik voor jou als jij voor mij). Hij verwacht dat wij een vriend zijn voor allen, maar met name voor de armen en de eenzamen (vgl. Luc 14:12-14).

Ook in het evangelie naar Johannes, waar de onderlinge vriendschap benadrukt wordt, is deze gerichtheid op de wereld aanwezig: ‘... opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt ... (Joh.17:22-23). Menken vat in een recente studie over het model van de johanneïsche gemeenten deze gemeentevisie als volgt samen: ‘Krachtens hun geloof in hem (Jezus) waren ze kinderen van God, begiftigd met de Geest om het werk van Jezus voort te zetten, levend in onderlinge liefde en hopend uiteindelijk met Jezus bij de Vader te zijn.'[14]

De onderlinge liefde zoals deze is geïnitieerd door Jezus in zijn vriendenkring kent drie bouwstenen. Ten eerste de liefde, in de zin van je leven inzetten voor je vrienden (Joh.15:13). Deze liefde vraagt om trouw en zelfverloochening. Door de opofferende liefde van Jezus werd de gemeente gesticht, door onze liefde zal zij groeien en bloeien. De tweede bouwsteen is de waarheid, dat wil zeggen de geboden van de Heer (Joh.15:10,14). Als waarheid ontbreekt, ontspoort vriendschap naar wereldse normen en opvattingen over liefde. Maar zelfs de horizontale vriendschap kan niet zonder waarheid en eerlijkheid, zoals het gezegde meldt: ‘Een vriend is hij die je tijdens je leven zegt wat anderen na je dood vertellen.' De derde bouwsteen van messiaanse vriendschap is mededeelzame openheid. Jezus noemt in Joh.15:15 twee aspecten van vriendschap: delen en openheid. Hij heeft alles met zijn vrienden gedeeld wat Hij van de Vader ontvangen had, zowel geestelijk als materieel. Er was bij Hem een volledige openheid en transparantheid.  Open, transparant en mededeelzaam zijn de kenmerken van Jezus' vriendschap, die Hij aan ons wil geven.

Als iemand geboren wordt uit ‘water en geest' (3:5) krijgt hij een persoonlijke relatie met deze Vriend, Jezus Christus, en zal hij of zij ook zelf een open hart krijgen voor anderen. Alleen dan  kan de vriendschap van Jezus ook onder de mensen gestalte krijgen. Dan vervagen de maskers en is het ‘niet meer ik, maar Christus leeft in mij'. Dan is een nieuwe mens en een nieuwe mensheid geboren.

 

De plaats van de kinderen

 

In het voorgaande komt duidelijk een bepaalde regel naar voren: door geloof/bekering en doop krijgt iemand deel aan Jezus Christus en Zijn messiaanse Rijk. De vraag die vervolgens direct opkomt is die naar de plaats van kinderen in dit geheel. Hoe kan een kind behouden worden? En behoren kinderen van gelovige ouders nu wel of niet tot de christelijke gemeente?

Er zijn twee tekstplaatsen in het Nieuwe Testament die ons hierin mogelijk verder kunnen helpen. Ten eerste is dat de passage in het evangelie waar Jezus de kleine kinderen zegent (Matt.19:13-15 // Marc. 10:13-16 // Luc. 18:15-17). De mensen brengen hun kinderen bij Jezus. Het was een joodse gewoonte om de kinderen bij een schriftgeleerde te brengen om ze door hem te laten zegenen. De zegen wordt gevraagd om Gods bescherming over het jonge, kwetsbare leven uit te roepen. Wanneer de discipelen proberen de mensen met hun kinderen bij Jezus weg te houden, omdat ze denken dat Hem dit stoort, reageert Hij zeer verontwaardigd met de volgende woorden:

‘Laat­ de kinderen tot Mij komen, ­verhindert ze niet; want voor­ zodanigen is het Koninkrijk Gods (Marc.10:14 par.).

We willen hier op een paar zaken opmerkzaam maken. Ten eerste wordt het ‘komen tot Hem' door Jezus gelijkgesteld aan het ontvangen van het Koninkrijk van God. Daarmee bindt Hij het messiaanse Rijk heel nadrukkelijk aan zijn eigen persoon. Met het uitspreken van deze woorden en de zegen die Hij de kinderen onder handoplegging geeft, mogen zij, hoe jong ze ook zijn, delen in de zegeningen van het Koninkrijk van God. Hoewel Hij de kinderen onvoorwaardelijk het Rijk Gods toezegt, is tevens duidelijk dat zij niet de verantwoordelijkheid van een gedoopte discipel hebben. Zij worden dan ook niet gedoopt, maar hen worden de handen opgelegd.

De onderscheiden plaats van de kinderen in de christelijke gemeente moet m.i. dan ook theologisch geïnterpreteerd worden in het kader van de ‘al wel - nog niet' realiteit van het Koninkrijk. Met het oog op het volmaakte Rijk is er geen verschil tussen gedoopte gelovigen en kinderen, maar in het voorlopige, proleptische Rijk van Christus, zoals zich dat in het heden vóór Zijn wederkomst manifesteert, is er wel een verschil.

De implicatie van de voorlopigheid van het Rijk Gods blijkt ook uit de woorden van Paulus in 1Cor.7:14,
‘Want de ongelovige man is geheiligd in­ zijn vrouw en de ongelovige vrouw is ­geheiligd in de broeder. Anders zouden ­immers uw kinderen onrein zijn, doch ­nu zijn zij heilig.'­

Ook hier zijn de kinderen in het geding. In de visie van de Korintiërs zou een huwelijksleven met een ongelovige partner de gelovige blijkbaar verontreinigen en ontheiligen. Paulus daarentegen stelt dat de ongelovige juist deel krijgt aan de heiligheid van de gelovige. Dit ‘geheiligd zijn' is ten dele en voorlopig. Het houdt niet automatisch in dat de ongelovige behouden is voor de eeuwigheid.[15]. Het houdt wel in dat God op een speciale manier met hem of haar bezig is, namelijk door het voorbeeld en de voorbede van hun gelovige man of vrouw. In dezelfde lijn stelt Paulus verder dat ook de kinderen die uit zo'n huwelijk geboren worden ‘heilig' zijn. Paulus (en ook de Korintiërs) zijn er blijkbaar van overtuigd dat kinderen van gelovigen, ook al hebben ze nog geen persoonlijk geloof, toch bij de gemeente behoren. Ze zijn ‘heilig'. Totdat ze zelfstandig worden, delen zij in de heiligheid van hun ouders. Maar deze ‘heiligheid' is ten dele en voorlopig. Het is een overgedragen heiligheid die onderscheiden moet worden van de heiligheid van de gedoopte gelovigen. De nog onvolwassen kinderen van gelovige ouders zijn op deze wijze dus wel lid van de christelijke gemeente, maar worden tevens ook onderscheiden van de volwassen (d.w.z. gedoopte) gelovigen.

We zijn toe aan een afsluitende conclusie. De gemeenschap van gedoopte gelovigen wordt in het Nieuwe Testament getekend als een messiaanse of eschatologische beweging of groep, waaraan men niet door geboorte of afstamming deel krijgt, maar door een persoonlijke geloofskeuze. Het is een gemeenschap van gelovigen uit Joden en heidenen, die geloven dat Jezus de Messias is en Hem navolgen. Deze messiaanse gemeenschap getuigt van en is tevens zelf de voorlopige vervulling van het in het Oude Testament voorzegde messiaanse Rijk. Deze voorlopige gestalte van het Rijk Gods is de reden dat er onderscheid gemaakt wordt tussen gedoopte gelovigen en kinderen. Dit onderscheid zal straks verdwijnen als bij de wederkomst van Christus het Koninkrijk van God in zijn volle heerlijkheid zal aanbreken.

 


 

[1] Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de nieuwtestamentische ecclesiologie, zie G. van den Brink, ‘De gemeente en het navolgen van Jezus', in: J.C. Bette, G. van den Brink, A.W. Zwiep, red., Inleiding en Synopsis, Studiebijbel deel 1, Veenendaal 2002.

[2]  baptisma metanoias: Marc.1:4 par.,Hand 13:24; 19:4

[3]  Over de authenticiteit van deze woorden, zie G. van den Brink, ‘Op betrouwbare grond' (Heerenveen 1999) 62-63 en noot 185; J.C. Bette, G. van den Brink, H Courtz, red., Mattheüs, Studiebijbel deel 2 (Soest 1986) 737. Voor wie de authenticiteit van deze woorden van Jezus betwijfelt, zal toch in ieder geval moeten aannemen dat Mattheüs doop en discipelschap met elkaar heeft verbonden.

[4]  J. Jeremias, Neutestamentliche Theologie. Erster Teil. Die Verkündigung Jesu (Gütersloh 1973) 164vv.

[5]  Met het voorzetsel eis bij dopen kan men aangeven waarin men gedoopt wordt (bv. de Jordaan, Marc.1:9) of wat het doel van de doop is (bv. bekering, Matt.3:11; of één lichaam, 1Cor.12:13) of met wie of wat men door de doop verbonden wordt (bv. Vader, Zoon en Heilige Geest,  Matt.28:19; Christus, Rom.6:3a; het sterven van Christus, Rom.6:3b).

[6] Tom Wright spreekt zelfs over ‘key symbols'. N. T. Wright, The New Testament and the People of God (London 1992) 224.

[7] Het Griekse woord hier is teknon. Evenals het Nederlandse ‘kind' drukt dit woord uit dat iemand, ongeacht geslacht of huidige leeftijd, de nakomeling van een bepaalde persoon is.

[8] Niet alleen Jezus heeft op deze wijze gesproken over het ‘huisgezin van God'. Ook Paulus beschrijft de gemeente als een gezin met vaders, moeders, broers en zussen. We lezen bijvoorbeeld in 1 Tim. 5:1-2 : `word niet heftig tegen een oude man, maar vermaan hem als een vader; doe het jonge mannen als broeders, oude vrouwen als moeders, jonge vrouwen als zusters ...'  Ook de apostel Johannes gebruikt het beeld van het ‘huisgezin': Hij spreekt over vaders, kinderen en jongemannen (1 Joh. 2:12-14).

[9] Of we het Griekse voorzetsel en in de samenstelling en pneumati hier moeten vertalen met in/met (zoals overal in het NT) of met ‘door' is voor onze vraagstelling niet relevant.

[10] Tegenover hen die beweren dat Paulus hier niet over de waterdoop, maar alleen over de geestesdoop spreekt (bijvoorbeeld G.D. Fee, The first Epistle to the Corinthians (Grand Rapids, 1987) 603vv.), wijs ik op Gal.3:27-28, waar hij dezelfde boodschap als hier in vers 13 ook aan de waterdoop verbindt. Voor de relatie waterdoop-geestesdoop verwijs ik naar mijn artikel ‘De Geestesdoop in de vroege Kerk' in Soteria 13/4 (december 1996) pg. 32-42.

[11] In de brieven aan de Efeziërs en Colossenzen, waar Paulus het concept van het lichaam toepast op de universele christelijke gemeente, ondergaat het beeld een kleine uitbreiding. Hier zegt Paulus dat Christus het hoofd van het lichaam is (Efez.4:5; Col.1:18) en maakt hij dus duidelijk dat men de gemeente als lichaam van Christus en Christus zelf niet mag vereenzelvigen.

[12] Zie de lange literatuurlijst bij S. Janse, ‘Kinderzegening en kinderdoop', Theologia Reformata 45/3 (september 2002) 242-255, noot 13.

[13] Zie voor een verdere uiteenzetting hiervan: G. van den Brink, ‘De Geestesdoop in de vroege Kerk', Soteria 13/4 (december 1996) 32-42.

[14]  M. Menken, ‘Afgezanten van Gods afgezant. Over de johanneïsche gemeenten', in: J. Delobel e.a. (red.), Vroegchristelijke gemeenten tussen werkelijkheid en ideaal (Kampen 2001) 146.

[15] Dit blijkt duidelijk uit vers 16: ‘Want hoe kunt gij weten, vrouw, dat­ gij uw man zult redden? Of hoe kunt­ gij weten, man, dat gij uw vrouw zult ­redden?' Dit ‘geheiligd zijn' is te vergelijken met het heilig zijn van het nog ongelovige deel van het Joodse volk (Rom.11:16).