‘Een kind is ons geboren'

Over de plaats van het kind in het NT

Gijs van den Brink, 2011 (gepubliceerd in Studiebijbel Magazine 5.2)


‘Een kind is ons geboren,
een zoon is ons gegeven;
de heerschappij rust op zijn schouders.'
(Jes. 9:5a)

Deze woorden sprak de profeet Jesaja tot het volk toen het heel diep in de problemen was geraakt. In 733-732 v.Chr. viel Tiglatpileser III het noorden van Israël binnen (2Kon.15:29) en voerde de bevolking weg naar Assyrië.
In die tijd kondigt Jesaja de geboorte van het Messiaanse kind en zijn heerschappij van vrede aan, waaraan geen einde zal komen (SBOT 9). Zo gaf hij het diep vernederde volk weer hoop. Het spreken over dit Kind geeft hoop te midden van een wereld waarin nood, pijn, verdrukking en onrecht de overhand heeft.
Wij vieren deze maand de geboorte van het Kind Jezus, de goddelijke Verlosser, in de kribbe van een stal. In de theologie spreken we over de incarnatie, God werd mens en werd geboren als een kind. Enerzijds theologisch een fundamenteel verlossingsgegeven en een diep mysterie, anderzijds zo eenvoudig dat het voor een kind te begrijpen is.

In de lijn van dit grootse heilsfeit willen we in dit artikel de betekenis en de plaats van het kind in het NT nagaan. Hebben onmondige kinderen deel aan Gods heil? En zo ja, geldt dit alle kinderen of alleen kinderen van gelovigen? Uit de vraag blijkt al dat wij geneigd zijn kinderen theologisch te problematiseren. Bij Jezus is dit anders. Hij zegt:
‘Wie een van zulke kinderen ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij' en ‘Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het Koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan.'
De woorden staan niet alleen haaks op de praktijk van de joodse schriftgeleerden en de Romeinen, maar ook van de apostelen. De algemene opvatting onder de joden in de eerste eeuw valt eerder negatief uit dan positief. In de veelgebezigde term ‘vrouwen, (niet-joodse) slaven en kinderen' komt de geringe waardering voor vrouwen en kinderen duidelijk tot uitdrukking (SBNT 1, 89-90). Ook bij de Romeinen werden kinderen ondergewaardeerd en was hun rechtspositie (evenals van vrouwen en van slaven) bijzonder gering. Als bezit van de ‘pater familias' konden zij verkocht of verstoten worden, wat dan ook met name bij meisjes nogal eens gebeurde.

Kinderen delen in de vruchten van het Koninkrijk

Hoe radicaal anders is het voorbeeld dat Jezus ons laat zien. Het Koninkrijk van God is met de eerste komst van Jezus aangebroken (hoewel nog niet volmaakt). Dat blijkt uit de tekenen: zieken genezen, demonen worden uitgedreven en armen ontvangen de blijde boodschap (Mat.10:7-8; 11:4-6). Niet alleen volwassenen, maar ook kinderen en zelfs meisjes mogen delen in het heil van het Messiaanse Rijk. Het dochtertje van de synagogebestuurder Jairus wordt opgewekt (Mar.5:35vv). En zelfs de dochter van een Griekse vrouw uit het gebied van Tyrus wordt bevrijd van een demon (Mar.7:24vv). Ook zij mag de vruchten plukken van de heilskrachten van het Rijk. Verder horen we nog van de genezing van een bezeten jongen (Mar.9:14vv) en van de genezing van de zoon van een dienaar van de koning in Kafarnaüm (Joh.4:46vv; een kind, paidion, vs.49). Jezus' houding t.o.v. kinderen wordt nog duidelijker wanneer we lezen wat hij over hen zegt.

Jezus vereenzelvigt zich met kinderen

‘En Hij nam een kind en plaatste dat in hun midden, omarmde het en zeide tot hen: Wie één van zodanige kinderen ontvangt in mijn naam, die ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem, die Mij gezonden heeft.' (Mar.9:36-37).
Als de discipelen eens ruziën over wie van en de belangrijkste is, haalt Jezus er een kind bij en plaatst dat midden in de kring van de aanwezigen. Een kind heeft geen positie of waardigheid en is daarmee een goed voorbeeld van iemand die de geringste is (vs.35). Je zou nu verwachten dat Jezus iets zou zeggen in de trant van: ‘wie de eerste wil zijn, moet worden als dit kind'. Dat zegt hij echter niet. Hij spreekt over het accepteren van dit kind als was Hij het zelf. Een vergelijking met het verslag van Matteüs van dezelfde gebeurtenis (Mat.18:1-5) helpt ons echter verder. Jezus plaatst het kind in het midden van de groep en geeft vervolgens drie toepassingen: 1. ‘wie het Koninkrijk wil binnen gaan, moet worden als de kinderen' (Mat.18:3), 2. ‘wie de grootste wil zijn in het Koninkrijk der hemelen moet zich vernederen als dit kind' (Mat.18:4) en 3. ‘wie dit kind ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij' (Mat.18:5). Marcus als ook Lucas (Luk.9:48) leggen alle nadruk op het derde woord. Jezus zegt, dat wie een kind verzorgt, er aandacht aan schenkt (opneemt) in Zijn naam, d.w.z. omwille van Hem, dit aan Hem doet. Het is een belofte dat Jezus zich vergaand verbonden wist en vereenzelvigde met onmondige kinderen (vgl. Mat.25:31-46). Wie hen ontvangt, ontvangt Jezus zelf. En wie Jezus ontvangt, ontvangt Hem die hem gezonden heeft, de Vader. Niet veel later zal Jezus zijn woorden zelf in praktijk brengen (Mat.19:13-15).

Het kind als voorbeeld

‘Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan. Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel.' (Mat.18:3-4)
Jezus zag in het kind het tegenovergestelde van wat Hij bij de discipelen zag, die blijkbaar geïnteresseerd waren in uiterlijke eer en een hoge positie.
De discipelen discussieerden over de eerste plaats in het Koninkrijk, maar waren vergeten hoe men in dit Rijk kon komen! Het Koninkrijk der hemelen is een geschenk van God, dat diegene ontvangt, die als een kind met lege handen staat en zijn volle vertrouwen op de hemelse Vader stelt.
Er zijn geen Joodse teksten bekend waarin een kind als voorbeeld of model wordt genomen. De uitspraak van Jezus, die in Joodse oren enigszins choquerend klinkt, zal hierdoor een behoorlijke impact hebben gehad. Relativeert Hij hiermee het overaccentueren van kennis door de schriftgeleerden?
Groot in het Koninkrijk der hemelen is hij die zichzelf gering acht, die zichzelf beschouwt als een kind zonder wereldse status. Jezus noemde de discipelen eerder al ‘kinderkens, onmondigen' (Mat.11:25) en ‘deze kleinen' (Mat.10:42). De Joden in Jezus' tijd stonden er om bekend dat zij de aandacht vestigden op hun normen en de Griekse wereld verachtte nederigheid. Maar Jezus leerde dat men er niet naar moest streven de meeste te zijn, maar de minste. Om iets te bereiken in deze wereld moet je anderen aan je onderwerpen, maar om iets te worden in het Koninkrijk van God moet je jezelf aan anderen onderwerpen, de minste worden.
Het gaat er niet om dat kinderen dichter bij God staan vanwege bepaalde deugden als onschuld, maar zij staan dichter bij het Koninkrijk omdat ze geliefd zijn en gezegend worden door de Vader en de Zoon.

‘Van zulke kinderen is het Koninkrijk'

‘Daarop brachten de mensen kinderen bij hem, ze wilden dat Hij hun de handen zou opleggen en zou bidden. Toen de leerlingen hen berispten, zei Jezus: ‘Laat de kinderen ongemoeid, belet ze niet bij M/mij te komen, want het koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie is zoals zij.' En nadat Hij hun de handen had opgelegd, trok hij weer verder.' Mat. 19:13-15 (Marc. 10:13-16 // Luc. 18:15-17)
De mensen brengen hun kinderen bij Jezus. Het was een joodse gewoonte om de kinderen bij een schriftgeleerde te brengen om ze door hem te laten zegenen. De zegen wordt gevraagd om Gods bescherming over het jonge, kwetsbare leven uit te roepen. De discipelen proberen de mensen met hun kinderen bij Jezus weg te houden, omdat ze denken dat Hem dit stoort. Waar Jezus en zij mee bezig zijn is volgens hen geen kinderwerk. Tot hun schrik krijgen ze een reprimande: ‘Laat¬ de kinderen tot Mij komen, ¬verhindert ze niet; want voor¬ zodanigen is het Koninkrijk Gods'.
Er zijn hier een paar zaken van groot belang. Ten eerste wordt het ‘komen tot Hem' door Jezus gelijkgesteld aan het ontvangen van het Koninkrijk van God. Daarmee bindt Hij het messiaanse Rijk heel nadrukkelijk aan zijn eigen persoon. Jezus belichaamt wat Hij verkondigt. Met het uitspreken van deze woorden en de zegen die Hij deze onmondige kinderen onder handoplegging geeft, mogen zij, hoe jong ze ook zijn, nu al delen in de zegeningen van het Koninkrijk van God.
Waarom? Verdienen ze het? Nee, het is juist omdat ze het niet verdienen en niet in staat zijn mee te tellen! Ze ontvangen het zoals ze hun natuurlijke geboorte ontvingen.

De Geest voor alle leeftijden

‘Aan het einde der tijden, zegt God, zal ik over alle mensen mijn Geest uitgieten. Dan zullen jullie zonen en dochters profeteren, jongeren zullen visioenen zien en oude mensen droomgezichten.' Hand.2:17
Petrus haalt op de pinksterdag een profetie van Joël aan, die handelt over de messiaanse heilstijd. Hij zegt dat deze woorden met de uitstorting van de Heilige Geest op de pinksterdag een eerste vervulling hebben gekregen.
De werkingen van de Heilige Geest, zoals het ‘profeteren', het ‘zien van gezichten' en het ‘dromen van dromen' zijn niet voorbehouden aan een van de genoemde leeftijdsgroepen en categorieën. De verschillende manieren waarop God Zich door Zijn Geest openbaart, worden gegeven aan iedereen zonder onderscheid van geslacht, leeftijd of status (vs.18).

Het kind geheiligd in één ouder

‘Want de ongelovige man is geheiligd in¬ zijn vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd in de broeder. Anders zouden ¬immers uw kinderen onrein zijn, maar ¬nu zijn zij heilig.'¬ 1Kor.7:14
Zoals de joden bang waren onrein te worden door het aanraken van een melaatse of een dode, zo waren de Korintiërs blijkbaar bang dat ze zich zouden verontreinigen door een huwelijk met een ongelovige partner, dat voor hun bekering was gesloten. Zoals Jezus dit omdraait en door aanraking de melaatsen geneest, zo stelt Paulus ook dat de ongelovige juist deel krijgt aan de heiligheid van de gelovige. Dit ‘geheiligd zijn' is wel ten dele en voorlopig. Het houdt niet automatisch in dat de ongelovige behouden is voor de eeuwigheid (dit blijkt duidelijk uit vers 16). Het houdt wel in dat God op een speciale manier met hem of haar bezig is, namelijk door het voorbeeld en de voorbede van hun gelovige man of vrouw. In dezelfde lijn stelt Paulus verder dat ook de kinderen die uit zo'n huwelijk geboren worden ‘heilig' zijn. Paulus is er blijkbaar van overtuigd dat kinderen van gelovigen, ook al hebben ze nog geen persoonlijk geloof, toch bij de gemeente behoren. Ze zijn ‘apart gezet'. Totdat ze zelfstandig worden, delen zij in de heiligheid van hun ouders. Maar deze ‘heiligheid' is ten dele en voorlopig. Het is een ‘heiligheid' die onderscheiden moet worden van de heiligheid van de gedoopte gelovigen (uitgaande van een baptistische traditie). De nog onvolwassen kinderen van gelovige ouders horen op deze wijze dus wel bij de christelijke gemeente, maar worden tevens ook onderscheiden van de volwassen gelovigen.
Dat het kind uitgesloten zou zijn van het heil is ook voor Paulus en de vroegchristelijke gemeente ondenkbaar.
Het is daarom ook nauwelijks een verrassing dat de kinderen deelnemen aan cruciale gebeurtenissen in het leven van de gemeente (Hand.21:5), en in ieder geval vanaf de jaren van onderscheid deelnemen aan de samenkomsten (Hand.20:9,12; Kol.3:20; Ef.6:1-3). Het is zelfs waarschijnlijk dat in de samenkomsten hele kleine kinderen aanwezig waren, gedragen door hun moeders.

Een aparte status

Hoewel Jezus de kinderen onvoorwaardelijk het Rijk Gods toezegt, is tevens duidelijk dat zij niet de verantwoordelijkheid van een volwassen discipel hebben.
De onderscheiden plaats van de kinderen in de christelijke gemeente moet m.i. dan ook theologisch geïnterpreteerd worden in het kader van de ‘al wel - nog niet' realiteit van het Koninkrijk. We leven nog in een onvolmaakt Koninkrijk. En in dit voorlopige Rijk van Christus, zoals zich dat in het heden vóór Zijn wederkomst manifesteert, is er verschil tussen kinderen en volwassen gelovigen.

Conclusie

De gemeenschap van gelovigen wordt in het Nieuwe Testament getekend als een messiaanse of eschatologische beweging, waaraan men niet door geboorte of afstamming deel krijgt, maar door een persoonlijke geloofskeuze. Het is een gemeenschap van gelovigen uit Joden en heidenen, die geloven dat Jezus de Messias is en Hem navolgen. Deze messiaanse gemeenschap getuigt van en is tevens zelf de voorlopige vervulling van het in het Oude Testament voorzegde messiaanse Rijk.
Kleine kinderen horen bij deze geloofsgemeenschap van het Koninkrijk van de Messias. En dat niet als tweederangs burgers, maar als voorbeelden van de nieuwe schepping! Zoals het kleine kind met lege handen staat en volledig afhankelijk is, zo wil de Heer ons allen opvoeden tot een status waarin wij met lege handen staan en ons volle vertrouwen stellen op Hem als hemelse Vader.
En daarom is ook Jezus, de Messiaanse Verlosser, gekomen als een kind.
"Een Kind is ons geboren".

 

Litteratuur:

J. Moltmann, ‘Child and Childhood as Metaphors of Hope', Theology Today 56, no. 4 (2000): 592-603.
A. Oepke, ‘paidion', TDNT V, 636-654
M. Rotman, G. van den Brink, ‘De Joodse wereld in de tijd van het Nieuwe Testament', SBNT 1, 39-102.
SBOT 9, Hooglied - Jesaja, verschijnt voorjaar 2012.