Geboeid door Herman Ridderbos

Drs Gijs van den Brink, 2003 (gepubliceerd in Soteria 21/2)

 

Mijn relatie met Herman Ridderbos (geb.1909) bestaat voornamelijk uit een ‘Aha Erlebnis' en een te late ontdekking. Ook heb ik hem pas in het jaar 2000, op 91-jarige leeftijd dus, voor het eerst persoonlijk ontmoet. Mijn ‘geboeid door' pretendeert dan ook op geen enkele wijze een inleiding te zijn op Herman Ridderbos als persoon of als theoloog[i]. Ik wil slechts aan de hand van een paar voorbeelden laten zien hoe zijn inzichten richting hebben gegeven aan mijn denken. En er is één boek, dat ik veel te laat heb ontdekt, maar dat mij tot op de dag van vandaag mateloos boeit: Heilsgeschiedenis en Heilige Schrift' (1955).

Tijdens mijn studie theologie in Utrecht in de jaren '70 van de vorige eeuw behoorden de boeken van Ridderbos niet tot de mij verplichte litteratuur. In Utrecht werden in die tijd de nieuwtestamentici Bultmann, Jeremias, Cullmann en Goppelt bestudeerd. Cullmann en Goppelt behoorden weliswaar tot dezelfde theologische school als Ridderbos (heilshistorische theologie), maar werden blijkbaar als wetenschappelijker beschouwd en waren ten dele ook meer recent. Feit is dat dit mede reden is dat ik zijn belangrijke boeken ‘De Komst van het Koninkrijk' (1950) en ‘Paulus: Ontwerp van zijn theologie' (1966) in die tijd niet echt heb bestudeerd, hoewel ik de titels kende.

De meeste boeken van Ridderbos las ik pas in de jaren '80  toen ik als redacteur betrokken raakte bij het commentarenproject ‘Studiebijbel'[ii]. We waren als redactie in die tijd op zoek naar onze theologische identiteit binnen de evangelische beweging in Nederland. En keer op keer bleek dat Herman Ridderbos het evenwicht bood dat wij zochten. Het is voor de lezer misschien het aardigst wanneer ik een en ander thematisch groepeer.

 

Schriftvisie

 

Het is vanaf het begin van mijn theologische werkzaamheden binnen het Studiebijbelproject inzet geweest om in de lijn van de ‘heilshistorische' theologie, waarvan professor Ridderbos in Nederland de belangrijkste vertegenwoordiger is, ook aan de historische dimensie van de openbaring van God aandacht te geven. Ik zie de laatste 50 jaar een trend, die ik de verschriftelijking van de openbaring zou willen noemen. Aan de linkerzijde is er de voortdurende nadruk op de literaire benadering van de Schrift, waarbij de geschiedenis meestal niet relevant is. Aan de rechterzijde houdt men zich ook weinig met historische vragen bezig omdat men dat gevaarlijk vindt. Je moet gewoon geloven wat er staat, zegt men. Dit is dezelfde trend van verschriftelijking, maar vanuit andere beweegredenen.

De ‘heilshistorische' benadering die Ridderbos voorstaat, wil uitleggen wat God in de geschiedenis heeft gezegd en gedaan. Niet alleen wat Hij gezegd heeft, maar ook wat Hij gedaan heeft is voorwerp van het onderzoek. Ridderbos heeft keer op keer laten zien dat de Schrift zelf heilshistorisch is. De wijze waarop de apostelen met het Oude Testament omgingen was niet litterair in de zin van knippen en plakken zoals wij dat met onze tekstverwerker doen. Nee, zij maakten iets mee, namelijk dat beloften die in het OT waren gedaan in hun dagen vervuld werden. Zij maakten mee dat de Messias, die tevoren aan hen beloofd werd, gekomen was in de persoon van Jezus van Nazaret. Daarvan hebben zij getuigenis gegeven en dat hebben ze neergeschreven. Beloften werden vervuld.

 

Nadruk op historisch gebeuren, maar geen beperkte historisch-kritische benadering

Heilshistorisch betekent voor Ridderbos aandacht hebben voor en nadruk leggen op het historisch aspect van de openbaring. Christus is waarlijk opgestaan, niet in de gedachten van zijn volgelingen, niet geestelijk in de verkondiging of in de liturgie, maar lichamelijk uit het graf! Want wat gebeurd is in het verleden heeft consequenties voor het heden en de toekomst. Geen opstanding van Christus in het verleden, betekent geen hoop voor ons op een nieuwe toekomst.

Een historische benadering betekent voor Ridderbos niet dat hij zich heeft uitgeleverd aan één tekstkritische of historisch-kritische theorie. Zo heeft hij zich niet uitgeleverd aan de 'tweebronnentheorie', die in de 20e eeuw in de wetenschap zeer dominant aanwezig was. Ridderbos hanteerde een brede traditiehypothese. Hij was hierin zijn tijd vooruit. Aan het begin van de 21 eeuw begint ook internationaal het tij te keren. Zelfs iemand als James Dunn, een vooraanstaand en internationaal zeer bekende Engelse nieuwtestamenticus vindt de tweebronnen theorie niet meer noodzakelijk voor de uitleg van de evangeliën[iii].

De heilshistorische theologie van Ridderbos wijst een weg tussen de scylla en charibdis van enerzijds de historisch kritische benadering en anderzijds het fundamentalisme.

 

‘Al wel - nog niet' realiteit van het Koninkrijk

 

Er zijn in de vorige eeuw vele boeken volgeschreven over de vraag of het Rijk van God in de prediking van Jezus nu een presente realiteit was of een toekomstige. Het was Ridderbos, die samen met o.a. Ladd, Goppelt en Kümmel, aangaf dat dit een vals dilemma was, dat het niet of - of was, maar en - en. De ‘heilshistorische' benadering van Ridderbos geeft aan dat we na de komst van Christus in het vlees leven in een tussentijd, waarin enerzijds het Koninkrijk van God gekomen is, maar anderzijds nog niet volmaakt of voltooid is. Dat zal gebeuren bij Christus' wederkomst. Dit is wel genoemd de ‘al wel - nog niet' gestalte van het Rijk.

Het Koninkrijk van God zoals zich dat in de tijd tussen de eerste en de tweede komst van Jezus aan ons presenteert is voorlopig van karakter. De vervulling van het volmaakte Koninkrijk staat nog uit. Dit is heel essentieel voor een evenwichtig begrip van met name de evangeliën, maar ook van de rest van het Nieuwe Testament. Het is voor ons als redactie van de ‘Studiebijbel NT' ook een heel praktische sleutel geweest bij o.a. het werven van auteurs voor het schrijven van de commentaren. De schrijver werd gevraagd: geloof je in de 'al wel - nog niet' realiteit van het Koninkrijk. Dat heeft ons behoed voor extreme visies als ‘Jezus predikte de komst van het Koninkrijk, maar de kerk is gekomen' (Hij heeft het dus mis gehad) of dispensationalistische opvattingen van een uitgesteld Koninkrijk.

 

Theologische inspiratie

 

Vanaf 1980 vind ik ook theologische inspiratie bij Ridderbos. Als ik in 1981 (nog vrij jong) begin met het schrijven van een commentaar op Mattheüs, houd ik het commentaar van Ridderbos in de Korte Verklaring voortdurend bij de hand. Dit gebeurt tien jaar later ook met het schrijven van een commentaar op Johannes. Want op dit bijbelboek heeft Ridderbos eind jaren '80 begin jaren '90 op hoge leeftijd nog een theologisch commentaar geschreven. En dit deed hij terwijl hij zijn hoogbejaarde en zieke (eerste) vrouw zelf verzorgde.

Mocht iemand inmiddels denken dat ondergetekende een kritiekloze volgeling van Ridderbos is, moet ik dit ontkennen. Het bijbelonderzoek heeft na Ridderbos niet stilgestaan. Ik wil één voorbeeld geven. Wat betreft de visie van Ridderbos op de proloog van het Johannesevangelie  is mijn mening dat hij zich teveel heeft laten bepalen door een afzetten tegen Bultmann. Een grondig onderzoek van Felix Christ uit Zwitserland (een leerling van Oscar Cullman), heeft de invloed van de oudtestamentische wijsheidstraditie op alle vier de evangeliën aangetoond[iv] (inclusief de proloog van het evangelie naar Johannes).

In de redactievergaderingen van de Studiebijbel is Ridderbos ook vaak een bron van inspiratie geweest, met name als er weer eens een heet hangijzer besproken werd. Als voorbeeld noem ik de ‘mens der wetteloosheid' of antichrist in het tweede hoofdstuk van de tweede brief aan de Tessalonicenzen. Is het een symbool of een historisch figuur? Is het een persoon of een collectief? Je kunt begrijpen dat hierover niet snel in een team eenstemmigheid bereikt is. Dan werd Ridderbos erop nagelezen. In zijn boek 'Paulus: ontwerp van zijn theologie'  besteedt hij 20 pagina's aan deze 'mens der wetteloosheid'. In een uitvoerige discussie met allerlei andere, ook door gereformeerde theologen als Berkouwer en Schippers, voorgestelde opties concludeert Ridderbos: Deze 'mens'  is geen symbool, idee of kracht, geen duivel of demon en geen collectief. Het is ook geen figuur die leefde ten tijde van Paulus. Een 'zeitgeschichtliche' interpretatie is onmogelijk. De antichrist is wel: een individu, een mens en een eschatologisch persoon, waarover we al lezen bij Daniël en van wie Paulus verwacht dat hij in de toekomst zal optreden. Omdat Ridderbos voortdurend met gedegen exegetische argumenten komt en tegelijk de bredere theologische consequenties in de gaten houdt, is hij voor onze redactie steeds een goede leermeester geweest bij discussies.

 

Schrijven voor de kerk

 

Den Heijer, een leerling van Ridderbos, heeft erop gewezen dat zijn leermeester niet schreef voor de wetenschap (d.w.z. hij publiceerde niet in vooraanstaande wetenschappelijke bladen), maar voor de kerk[v]. Ook dat boeit mij en verbindt mij met Herman Ridderbos, want hiervoor heb ik ook gekozen toen ik na mijn doctoraal in 1980 voor de keuze stond om verder te gaan met een promotie onderzoek of voor de Studiebijbelserie te gaan schrijven.

Ridderbos heeft voor de kerk  geschreven, maar wie kan het aantal studenten en predikanten inschatten die sinds de jaren 50 van de vorige eeuw tot op vandaag studeren uit de boeken van Ridderbos! Ik heb een enorme waardering voor de insteek en keuze van Ridderbos om zijn boeken te schrijven tot opbouw van de gemeente van Jezus Christus.

In het kader van de gemeentetheologie wil ik nog wijzen op een detail dat voor mij het zoveelste ‘Aha-Erlebnis' was. Sinds 1980 heb ik heel wat spreekbeurten gehouden en artikelen geschreven over het belang van de woongroep/leefgemeenschap/huisgemeente voor de missionaire gemeente. In het NT komt het woord ‘kerk' (ekklesia) voor in drie betekenissen: 1. de universele gemeente, 2. de locale gemeente, d.w.z. alle gelovigen in een bepaalde stad (bv. Korinthe) of streek (bv. Galatië) en 3. de gemeente die op één plaats samenkomt. Ook de derde gestalte van de kerk, in de eerste eeuwen doorgaans een huisgemeente, is volledig gemeente van Jezus Christus. Wat een geweldige bemoediging was het voor mij begin jaren '80 om bij Ridderbos in zijn ‘Paulus' boek hiervan een exegetische verantwoording te vinden. Ook anderen die zich bezighouden met de missionaire gemeente laten zich op dit punt tot op de huidige dag door Ridderbos de weg wijzen[vi].

 

Het gezag van het Nieuwe Testament

 

Tot slot wil ik stilstaan bij het gezag van het NT en het boek dat Ridderbos over dit onderwerp schreef in 1955: 'Heilsgeschiedenis en Heilige Schrift'. Ik kreeg het boek helaas pas in 1991 in handen, maar heb sindsdien geen boek gelezen op het gebied van het NT dat mij meer heeft geboeid en beïnvloed dan dit. Het heeft mijn denken over het gezag van de Bijbel verlegd van het boek naar de openbaring van God in de geschiedenis. In een boek wordt er alleen gesproken, in de geschiedenis wordt ook gehandeld. Eerst is er de openbaring van God, God die spreekt én handelt, en daarna de vastlegging ervan in geschrift om dit aan de komende geslachten door te geven. Ons heil is niet afhankelijk van een letter of een boek, maar van een daad van God in de geschiedenis met als hoogtepunt de komst van Zijn Zoon als mens van vlees en bloed.

De stelling van Ridderbos omhelst eenvoudig samengevat het volgende: Het gezag van het Nieuwe Testament berust niet op kerkelijke dogma's (uit de vierde eeuw na Chr.) of subjectieve geloofsovertuigingen van individuele gelovigen, maar op het gezag van Jezus Christus. Het gezag van het Nieuwe Testament is geworteld in de heilsgeschiedenis en berust via afgevaardigden, de apostelen, bij Jezus zelf. Het spreken van een apostel is te vergelijken met het spreken van een ambassadeur, een gevolmachtigde.

Als David Dunbar[vii] in een boek over de canon en het gezag van de bijbel in 1986 de kwestie van de canon bespreekt, catalogiseert hij vier visies: 1. de historisch kritische visie (James Barr: de canon is een volledig menselijke beslissing), 2. de meer literaire benadering (Brevard Childs: de canon is een geloofsgegeven), 3. de Rooms-Katholieke benadering (Nicolaus Appel: het gezag ligt bij de kerk) en 4. de heilshistorische en christologische benadering (Herman Ridderbos). Voor zover ik het kan beoordelen zijn deze posities anno 2003 niet veranderd. Het gaat in de bijbel om de Auteur met een hoofdletter, een God die spreekt en handelt in de geschiedenis van mensen. Omdat dit zo direct aansluit bij mijn geloofsbeleving, boeit dit boek mij enorm.

De laatste keer dat ik professor Ridderbos sprak was op 4 februari 2003. Hij zei o.a. dat zijn boeken niet meer geciteerd werden. Dat is toch onjuist. Zijn invloed werkt nog steeds door. Naast de eerder genoemde citaten wil ik hier ook nog wijzen op een boek van de bekende Amerikaanse godsdienstfilosoof Nicholas Wolterstorff.  Hij schreef in 1995 het boek 'Divine discourse - Philosophical reflections on the claim that God speaks'.[viii] Daarin citeert hij op pagina 324 het boek van Ridderbos uit de Engelse vertaling (The Authority of the New Testament Scriptures) veertien regels lang. Met een beroep op deze studie geeft hij een historische verantwoording van zijn taalfilosofische opvatting dat God ook vandaag kan spreken.

Dit soort studies boeien mij enorm. De God van de bijbel is dezelfde God die ook vandaag nog spreekt. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid (Hebr.13:8). De boeken van Herman Ridderbos hebben mij geholpen om dat geloof te bewaren en uit te dragen.

 

Aangehaalde boeken van Herman N. Ridderbos:

Het evangelie naar Mattheüs (Korte Verklaring), 2e dr., Kampen, 1954. 

De Komst van het Koninkrijk. Jezus' prediking volgens de synoptische evangeliën, Kampen 1950.

Heilsgeschiedenis en Heilige schrift van het Nieuwe Testament, Kampen 1955.

Paulus: Ontwerp van zijn theologie, Kampen 1966.

Het Evangelie naar Johannes: proeve van een theologische exegese, I-II, Kampen 1987-1992.

 

Noten



[i] Voor wie dit zoekt is er een hele aardige introductie verschenen in de Kamper Miniaturen (deel VIII): B.J. Aalbers en H. Baarlink, Herman Ridderbos. Nuchter en bewogen, Kampen 2002.

[ii] J.C. Bette, G. van den Brink e.a. (red.), Studiebijbel deel I-XVI, Soest/Veenendaal 1986-2003

[iii] James D.G. Dunn, ‘Jesus in Oral Memory : The Initial Stages of the Jesus Tradition', in: SBL Seminar papers 136, Chico California, 2000.

[iv] F. Christ, Jesus Sophia. Die Sophia-Christologie bei den Synoptikern, Zürich 1970.

[v] C.J. den Heyer, ‘Herman Ridderbos - doctor ecclesiae', in: Communiqué. Jaargang 9/2 (1992) 3-15.

[vi] Zo bv  vrij recent M.W. Goheen, ‘The Missional Church: Ecclesiological Discussion in the Gospel and Our Culture Network in North America' in: Missiology, Vol XXX.4, October 2002, p. 487

[vii] D. G. Dunbar, ‘The Biblical Canon' in: D.A. Carson, J.D. Woodbridge, ed., Hermeneutics, Authority and Canon, Leicester (IVP) 1986, p. 345-355.

[viii] N. Wolterstorff, Divine discourse - Philosophical reflections on the claim that God speaks, (Cambridge 1995) 324.