De 'gemeente aan huis' in het NT

Drs Gijs van den Brink, (Soteria 15/3) 1998

 

 

De eerste gemeente in Jeruzalem

 

Over de eerste christelijke gemeenten in Jeruzalem en omstreken, waarover wij redelijk goed geïnformeerd zijn, lezen we o.a. in Hand.2:41-46:

"41 Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd.  42 En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. ... 44  En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; 45 en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden; 46  en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten" (zie ook Hand. 1:13; 4:32-35; 5:42; 12:12)

Een gemeente met leden die elkaar dagelijks aan huis ontmoetten en bleven bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. We citeren dit gedeelte bewust enigszins uitvoerig, omdat het aangeeft dat het samenkomen aan huis niet een onbelangrijke toevalligheid is, maar ingebed is in een bepaalde sociale context[i].

We kunnen dit gemeenteleven het beste verduidelijken als we even stilstaan bij de gezamenlijke maaltijden, die Lukas met name noemt (vs 46). Dagelijks waren er gemeenschappelijke maaltijden aan huis. En dan gaat het om minstens 5000 gelovigen in Jeruzalem en omstreken (Hand. 4:4)[ii]. Als we (met Banks en Branick[iii]) op grond van archeologisch onderzoek aannemen dat er gemiddeld 30 mensen per huis kwamen eten, dan betreft het minstens 165 huizen, waar dagelijks de tafels bediend werden! Voor een ieder, arm of rijk was er te eten[iv].

Het veronderstelt een enorme organisatie om dit alles te regelen. Als we dit tot ons laten doordringen, begrijpen we ook beter waarom de apostelen even later, als de gemeente nog meer groeit, zeggen: `Het bevredigt niet dat wij met veronachtzaming van het woord Gods de tafels bedienen' (Hand. 6:2). Ook blijkt hier overduidelijk hoe grote waarde de apostelen aan het sociale aspect van het gemeenteleven toekenden. Ze beschouwden het organiseren van de gezamenlijke maaltijden even belangrijk als de prediking! Het zal duidelijk zijn dat deze gemeentevisie samenhangt met de keuze om in huizen samen te komen.

De vraag is echter of dit samenkomen in particuliere huizen beperkt is gebleven tot Jeruzalem en van voorbijgaande aard was of dat het juist een voorbeeldfunctie had, die wijd verbreid navolging vond en een fundamenteel gegeven is voor de christelijke kerk? Wat het antwoord van Lucas op deze vraag zou zijn, is trouwens voor niemand een vraag.

 

Betekenis van ekklesia

 

In het Grieks buiten de sfeer van het NT is ekklesia[v] het gewone woord voor de bijeengeroepen vergadering van alle burgers in een stad, voor politieke doeleinden. In deze zin komen we het tegen in Handelingen 19, waar Lucas spreekt over de ‘volksvergadering' van Efeze (vs. 32,39,40). Als dit woord in het NT ook gebruikt wordt voor de ‘vergadering' van gelovigen, de kerk, moeten we dus bedenken dat dit woordgebruik geen religieuze, maar een politieke klank had en primair de feitelijke vergadering, het concrete samenkomen aangeeft.

Paulus (en het Nieuwe Testament) gebruikt het Griekse woord ekklesia met betrekking tot de christelijke gemeente drieërlei wijze. Hij gebruikt het voor de universele Gemeente, het Lichaam van Jezus Christus wereldwijd, dus het totaal van alle christenen; Bijvoorbeeld in Kol. 1:18 `En Hij (Christus) is het hoofd van het lichaam, de gemeente.'

Vervolgens gebruikt hij het woord voor de plaatselijke gemeente, dat wil zeggen alle christenen in een bepaalde woonplaats of een bepaalde streek. Hij doet dat in de brief aan de Kolossenzen in hoofdstuk 4:16 waar hij zegt: `Zorgt dan dat hij (deze brief) ook in de gemeente te Laodicea voorgele­zen wordt.'

En in de derde plaats gebruikt hij ekklesia in de betekenis van de gemeente die op één plaats samenkomt. En dat is in het Nieuwe Testament en pakweg de eerste twee eeuwen na Christus de huisgemeente. Deze betekenis vinden we bijvoorbeeld in Kol.4:15 "Nymfa met de gemeente bij haar aan huis".

We zagen al dat de gelovigen in Jeruzalem in huizen samenkwamen, maar het NT meldt ook samenkomsten in huizen in bijvoorbeeld Troas en Efeze in Klein Azië (Hand. 20:8,20), in Korinthe in Griekenland (Hand.18:7) en in Rome in Italië (Rom.16:5). Verspreid over de hele toenmalige wereld vinden we een gemeente die in huizen samenkomt en de `gemeente aan huis' is voor Paulus een vaste uitdrukking (Rom.16:5; 1Kor.16:19; Kol.4:15). Voordat we hierop doorgaan willen we eerst nog stilstaan bij de betekenis van de Griekse woorden oikos en oikia, huis.

 

Oikos en oikia

 

De twee woorden overlappen elkaar in betekenis en zijn beide algemene woorden voor ‘huis'. Oikos heeft echter vaker de nuance ‘woning, huishouden' dan oikia, wat op haar beurt vaker dan oikos de betekenisnuance ‘gebouw' heeft[vi]. We zullen ze in dit korte bestek samen bespreken. Het is van belang te weten dat deze woorden naast ‘huis' in de zin van woning, ook een aanduiding kunnen zijn voor het ‘huis met inbegrip van de bewoners' (Mat. 10:13 ‘en indien het huis het waard is, zo kome uw vrede daarover; doch indien niet, zo kere uw vrede tot u terug) of zelfs de bewoners alleen, het huisgezin.

In Filippenzen 4:22 geeft Paulus een groet van ‘de (mensen) uit het huis van de keizer', waar het om de bewoners, het personeel van de keizer gaat (vgl. Mark.3:25; Joh. 4:53). Deze en andere teksten geven ook aan dat dit ‘huisgezin' niet beperkt mag worden tot ouders en kinderen en andere familieleden, (tenzij de context dit aangeeft, zoals in het geval van Noach - Hebr.11:7), maar dat ook het personeel tot dit ‘huis' gerekend wordt. Het gaat om het ‘huis' in de zin van de grootfamilie, de ‘extended family', het uitgebreide gezin, waar naast vader, moeder en kinderen ook grootouders, ooms en tantes en (al naar gelang de status van de familie) ook slaven en slavinnen (en hun gezinnen) toe behoorden.

 

‘De gemeente aan huis'

 

We stelden al dat ‘de gemeente aan huis' voor Paulus een vaste uitdrukking is. In het Grieks is dit he kat' oikon ekklesia (lett. de aan huis gemeente). Hoe kunnen we het kat' oikon het beste vertalen? Wanneer een persoon of zaak in de vierde naamval bij kata[vii] genoemd wordt (zoals hier het geval is), is er in het algemeen een globaal of totaal contact met die persoon of zaak. In dit verband kunnen we kata o.a. vertalen met ‘verspreid over' of ‘overal in' (bv. Luc. 8:39: een hongersnood komt ‘over' het land, of in Hand. 22:19: Paulus vervolgt de gelovigen ‘overal in' de synagogen).

Zo zegt Paulus in Hand. 20:20 in Milete tegen de oudsten van Efeze: ‘hoe ik niets nagelaten heb van hetgeen nuttig was om u te verkondigen en te leren in het openbaar en binnenshuis' (kat' oikous). Het kat' oikous (mv) betekent dus ‘overal in de huizen', dat wil zeggen ‘in ieder afzonderlijk huis'. Soms is er bij kata gevolgd door een vierde naamval ook een gedachte aan herhaling op verschillende plaatsen of tijden. In dat geval komt de betekenis dicht bij het Nederlandse ‘per'.

We kunnen het boven genoemde Hand.2:46 ‘het brood breken aan huis' (kat' oikon) daarom beter vertalen met ‘het brood breken per huis, dat wil zeggen in elk huis apart[viii]. Zo betekent de uitdrukking ‘de gemeente aan huis' eigenlijk: de gemeente per huis. En Klauck[ix] vertaalt dan ook als volgt: ‘die sich hausweise konstituierende Kirche'.

 

Huisgemeente-praktijk

 

Als we de gegevens overzien, kunnen we zonder enige twijfel stellen dat het huis in de vroege kerk de plaats was waar de gemeente samenkwam. Tot deze ‘huisgemeente' behoorde niet alleen de grootfamilie die het huis bewoonde, maar ook de gelovigen die elders woonden, maar in dat huis samenkwamen. Zo neemt men meestal aan in Fil.1:1-2 dat Apfia de vrouw van Filemon is; Onesimus (vs.10), de weggelopen slaaf, behoorde tot de grootfamilie, maar Archippus, de medestrijder, woonde mogelijk elders.

In de huizen van de rijkere christenen kwamen gelovigen uit alle sociale lagen samen. Het is vanaf het begin kenmerkend dat men in deze huisgemeenten zowel rijken als armen aantreft. Er is sprake van een sociaal engagement, dat blijkt uit het vrijwillig openstellen van het huis, de gezamenlijke maaltijden en de zorg voor elkaar.

De ruimtelijke keuze voor het huis had automatisch bepaalde consequenties. Zo heeft bijvoorbeeld de omvang van een doorsnee nieuwtestamentische gemeente tussen de 10 en 40 personen gelegen.

Wat betreft de invulling van de samenkomsten blijven de in Hand. 2:42 genoemde elementen ook in later tijd essentieel: onderwijs, avondmaal, gebed en gemeenschap. Vanaf het begin vinden we in deze huisgemeenten alle kenmerken van een kerk.

Ook voor de snelle verbreiding van het Evangelie zijn de huisgemeenten in de vroege kerk belangrijk geweest. We lezen in het evangelie dat Jezus zegt tegen de zeventig die Hij uitzendt in Israël: ‘Welk huis gij ook binnentreedt, zegt eerst: Vrede zij dezen huize.  En indien daar een zoon des vredes is, dan zal uw vrede op hem rusten, maar zo niet, dan zal hij tot u terugkeren.  Blijft in dat huis, eet en drinkt wat men u geeft, want de arbeider is zijn loon waard. Gaat niet van het ene huis naar het andere' (Luc.10:5-7)[x].

Zo zijn nadien voortdurend nieuwe rondreizende evangelisten en profeten uitgegaan (vgl. 3Joh.5-8). De huizen en families die de boodschap aanvaardden werden de thuiscentra en uitvalsbases voor deze evangelisten, die voor onderdak, kleding en verzorging op hen waren aangewezen. Uit het apostolisch geschrift de ‘Didachè' (hfst. XI-XIII) blijkt dat deze situatie rond 100 na Chr. nog springlevend is[xi].

 

Huisgemeente ecclesiologie

 

Het fenomeen huisgemeente is ook herkenbaar in de ecclesiologie, de leer over de kerk, die we in het NT aantreffen. We willen een paar voorbeelden geven.


In Marcus 3:31-35 lezen we dat Jezus' familie Hem zoekt. Als de mensen Hem dit vertellen zegt Hij: `wie zijn mijn moeder en broeders?' Hij kijkt naar degenen die om Hem heen zitten en zegt: `zie, mijn moeder en mijn broeders. Al wie de wil Gods doet, die is mijn broeder en zuster en moeder'. De geloofsband is hechter dan de bloedband. De discipelen staan dichter bij Jezus dan zijn naaste familie. De gemeenschap van gelovigen is het meest fundamentele gezin. Een gezin met broers, zussen en moeders.

En in Marcus 10:29-30 zegt de Here Jezus: `Voorwaar Ik zeg u, er is niemand, die huis of broeders of zusters of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en om het Evangelie, of hij ontvangt honderdvoudig terug: nu, in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven'. Naast `moeder of vader' noemt Jezus hier ook de `kinderen'. Met andere woorden Hij spreekt niet alleen over het gezin, waarin je geboren bent, maar ook over het gezin dat iemand gesticht heeft. Ook in dat gezin veranderen relaties, als men gaat behoren tot het huisgezin van God. Het meest fundamentele gezin is het gemeentegezin met geestelijke broers, zussen, moeders en kinderen; een gezin waarvan God zelf de Vader is en de Here Jezus de oudste broer (Hebreeën 2:11-18).

Niet alleen Jezus heeft op deze wijze gesproken over het huisgezin van God. Ook Paulus beschrijft de gemeente als een gezin met vaders, moeders, broers en zussen. We lezen bijvoorbeeld in 1 Timoteüs 5:1-2 : `word niet heftig tegen een oude man, maar vermaan hem als een vader; doe het jonge mannen als broeders, oude vrouwen als moeders, jonge vrouwen als zusters ...' Verder spreekt hij over 'het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God' (1 Tim.3:15), waarvan Jezus Christus het fundament (1Kor.3:11) of de hoeksteen is (Efez.2:20).

Ook de apostel Johannes gebruikt het beeld van het 'huis(gezin)': Hij spreekt over vaders, kinderen en jongemannen (1 Johannes 2:12-14).

We willen deze korte inleiding besluiten met een citaat van J.C. Hoekendijk[xii]: "de tempel is niet een van de voorlopers van de ecclesia en de ecclesia is geen variant van de synagoge, het leerhuis. ... De meest duidelijke demonstratie van dit fundamentele gegeven was, dat de mensen samenkwamen in de maatschappij - oikos (daar waar de mensen zijn)!"

In de 20-ste eeuw is de kerk als organisme steeds duidelijker naar voren gekomen. Mijn hoop en  verwachting is dat in de 21-ste eeuw de kerk als huisgemeente steeds belangrijker zal worden.

 

 

LITERATUUR:

 

R. Banks, Paul's Idea of Community. The Early House Churches in their Historical Setting. Grand Rapids, 1980.

D. Birkey, The House Church. A Model for Renewing the Church. Scottdale 1988.

V. Branick, The House Church in the Writings of Paul (Zacchaeus Studies: New Testament) Wilmington 1989.

J. Blohm, "Die Dritte Weise. Zur Zellenbildung in der Gemeinde. Betrachtungen und Überlegungen zur Hauskreisarbeit unter Zugrundelegung einer empirischen Erhebung. Stuttgart 1992.

H.J. Klauck, `Die Hausgemeinde als Lebensform im Urchristentum', Müncher Theologische Zeitschrift 32 (1981) 1-15.

NOTEN



[i]. Dit gebeurde om de ‘gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden' op een passende wijze gestalte te geven. We lezen dat de gelovigen in Jeruzalem ook elke dag in de tempel bijeen waren en wel in de zuilengang van Salomo, waar ook de apostelen waren (Hand.3:11; 5:12). Het samenkomen in huizen was dus niet noodzakelijk, omdat men geen andere mogelijkheden had. Men kon bijvoorbeeld ook een zaaltje huren, zoals Paulus deed in Efeze, toen de besprekingen in de plaatselijke synagoge bemoeilijkt werden (Hand.19:8-10).

[ii]. Twee zaken zijn niet geheel duidelijk: heeft andron hier de stricte betekenis ‘mannen' (dus uitgezonderd vrouwen en kinderen) of de meer algemene betekenis van ‘mensen'? En moeten deze 5000 bij het eerder genoemde aantal van 3000 (2:41) opgeteld worden of is het totaal van de gemeente op dat moment bedoeld?
Met Ernst Haenchen en bijvoorbeeld de Groot Nieuws Bijbel (herziene uitgave, Haarlem 1996) nemen wij aan dat Lucas het hier heeft over het totale aantal christenen op dat moment, en dat andron hier in algemene zin gebruikt is, evenals in Luc. 11:31 (vgl. ook yucai in Hand. 2:41). E. Haenchen, Die Apostelgeschichte (KEK, 7e dr. Göttingen, 1977) 213
Joachim Jeremias stelde dat Jeruzalem ten tijde van Jezus tussen 25000 en 30000 inwoners telde [J. Jeremias, "Die Einwohnerzahl z. Zt. Jesu", ZDPV, 63 (1943) 24-31]. De aantallen die Jozefus (meer dan een miljoen, Bell.6,420) en Tacitus (600.000, Hist., V,13) noemen, zijn volgens hem sterk overdreven (TDNT VII, 323). In een recent onderzoek stelt Wolfgang Reinhardt echter dat een aantal van 60.000 - 120.000 inwoners realistisch lijkt. W. Reinhardt, ‘The Population size of Jerusalem and the Numerical Growth of the Jerusalem Church', in: R. Bauckham (red.), The Book of Acts in its First Century Setting, vol. 4, Palestinian Setting. Eerdmans, Grand Rapids/Paternoster, Carlisle, UK 1995, pg. 237-238.
Op grond van het onderzoek van Jeremias en het feit dat dus een vijfde of een zesde van de inwoners van de stad tot geloof in Jezus zou zijn gekomen, zegt Haenchen vervolgens: ‘das zeigt dass die Zahl 5000 nicht statistischen, sondern symbolischen Wert besitzt' (pg. 213, noot 3). Een vreemde opmerking voor een historicus.
Wij kunnen ons beter vinden in de opmerkingen van Adolf Schlatter: ‘Wir haben dabei daran zu denken, dass in Jerusalem alles zur Entscheidung reif war: die Zuhörer lebten in der Schrift und in der Weissagung. Nun wurde ihnen die Frage mit aller Bestimmtheit gestellt: Ist Jesus der Christus, oder ist er es nicht? ... Mit der Ruhe, die die Wahrhaftigkeit gewährt, erklärten die Apostel: wir sahen ihn auferstanden. ... Man kann auch nicht sagen, für Jesu eigene Arbeit wären solche Zahlen eher zu erwarten als für der Jünger. Denn Jesus konnte seinen Hörern die Entscheidung für oder gegen ihn nicht mit derselben Bestimmtheit vorlegen wie die Apostel, die auf das fertige Werk Jesu hinzuzeigen vermochten. Vor dem Kreuz blieb Jesu Ziel und Werk rätselhaft; er konnte es nicht mit Worten deuten; die Tat Gottes allein musste hier Licht schaffen.' A. Schlatter, Die Apostelgeschichte, (Stuttgart, 1948) 49-50.

[iii]. R. Banks, Paul's Idea of Community. The Early House Churches in their Historical Setting (Grand Rapids, 1980) 41-42; V. Branick, The House Church in the Writings of Paul (Zacchaeus Studies: New Testament,  Wilmington 1989) 39-41.

[iv]. Jeremias stelt vanuit een vergelijk met joodse praktijken in de eerste eeuw, dat de gemeenschappelijke maaltijden in de vroege kerk onderdeel waren van een sociale diensverlening, zoals dagelijkse voedseldistributie, aan minder bedeelde gelovigen. J. Jeremias, Jerusalem in the Time of Jeus, An Investigation into Economic and Social Conditions during the New Testament Period (tr. F.H. and C.H. Cave, Philadelphia, 1969 19772) 131.

[v]. W. Bauer, Wörterbuch zum Neuen Testament, s.v. ekklesia  (Berlin-New York, 1971); G. van den Brink e.a., red., Studiebijbel, Woordstudies en Concordantie, XII (Soest. 1992) 276-280.

[vi]. Bauer, a.w., s.v. oi=koj en  oi=kia.

 [vii]. Bauer, s.v. kata II, c/d; Liddell-Scott-Jones, Greek-English Lexicon, s.v. kata B.II (Oxford 1968);   G. van den Brink e.a., a.w., XIII (Soest. 1993) 258-259

[viii]. We moeten dan ook de uitleg van Jeremias afwijzen, die stelt dat kat' oikon hier naast ‘in de tempel' betekent ‘aan huis' in de zin van ‘in één bepaald huis', mede omdat alle apostelen aanwezig zouden zijn. J. Jeremias, a.w, 131 n. 20. Er zijn drie argumenten tegen deze interpretatie: 1. De betekenis van kata + acc; 2. De voortdurende aanwezigheid van alle apostelen in één huis is niet aanwijsbaar; 3. Het aantal gelovigen maakt dit praktisch onmogelijk.

[ix].  H.J. Klauck, `Die Hausgemeinde als Lebensform im Urchristentum', Müncher Theologische Zeitschrift 32 (1981) 2

[x]. Voor de grote invloed van dit patroon in de vroege kerk, zie: D.L. Matson, Household Conversion Narratives in Acts, Pattern and Interpretation (JSNT Suppl. Series 123) Sheffield 1996.

[xi]. A.F.J. Klijn, Apostolische Vaders 1 (2e dr., Kampen 1992) 251-253

[xii]. A. Camps e.a., red., ‘Eerst horen dan Zien, J. C. Hoekendijk (1912-1975)', Wereld en Zending 5/6 (1976) 398.