Het geslachtsregister van Jezus Christus

(Mat.1:1-17)

 

Gijs van den Brink, 2013 (gepubliceerd in Studiebijbel magazine 7.2)


Met de eerste twee Griekse woorden in het evangelie naar Matteüs wordt het boek Genesis in herinnering geroepen en een verband gelegd met de eerste hoofdstukken van de Bijbel. Uitgaande van de joodse gedachte dat het einde een terugkeer naar het begin zal brengen, betekent dit dat Matteüs de inhoud van zijn boek tot de eschatologie rekent: de vervulling van de hoop op een nieuwe schepping.

Het ‘boek van de oorsprong'

De woorden biblos geneseōs (lett. ‘boek van de oorsprong') zijn een Griekse vertaling van de Hebreeuwse uitdrukking, die in de NBV vertaling van Gen.5:1 wordt vertaald met ‘(geslachts)lijst'. In Gen.2:4 gebruikt de Septuaginta, de Griekse vertaling van het OT, deze woorden ook, maar dan voor een Hebreeuws woord, dat in de NBV wordt vertaald met ‘geschiedenis'.
Het kan dus zijn dat Matteüs hier spreekt over het ‘boek van de geschiedenis' (vgl. Gen.2:4; 6:9; 37:2) en daarmee het hele hierna volgende evangelieboek bedoelt. Maar aangezien alle geschreven teksten ‘boeken' werden genoemd, kan het ook ‘geslachtslijst' betekenen (vgl. Gen.5:1; 10:1) en dan heeft Matteüs hier de lijst in vs.2-17 op het oog.
In beide gevallen wordt echter een verband gelegd met de eerste hoofdstukken van de Bijbel. De schepping van hemel en aarde (Gen.2:4) en de schepping van de mens (Gen.5:1) wordt met de ‘geschiedenis' van Jezus Christus in verband gebracht. Via deze Joodse man, de Zoon van David, de Zoon van Abraham, zal de oorspronkelijke bedoeling van God met de schepping, de mensheid en Israël hersteld worden. (vgl. Matt.28:19-20). Deze inleiding is te vergelijken met de prachtige inzet van het evangelie naar Johannes.

Korte geloofsbelijdenis

Direct hierna volgt een zeer puntige karakterisering van de persoon over wie dit evangelie gaat, een korte geloofsbelijdenis: Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham.
Iēsous is de Griekse vorm van het Hebreeuwse jēsjūa', dat ‘de Heer is redding' betekent. Christos, (gezalfde) is Grieks voor ‘messias', de persoon over wie de profeten profeteerden en die Israël verwachtte. Jezus is de eigennaam en ‘messias' de ambtsnaam of titel. ‘Zoon van David' was de meest gangbare messiaanse titel onder de Joden (vgl. Psalmen van Salomo, hfst.17): de Messias zou voortkomen uit het geslacht van David, dat de belofte van een eeuwig koningschap had ontvangen (2Sam.7:12-13; Jes.9:6). Deze benaming spreekt primair van heil voor Israël.
Jezus was, evenals David, ook een nakomeling van Abraham (vs.2-16). Abraham, zelf een heiden van geboorte, was de eerste die een messiaanse belofte ontving, die sprak over heil voor de volkeren (Gen.12:3; 18:18; 22:18). Deze belofte zal in Jezus vervuld worden (vgl. Mat.8:11-12; 28:19; Rom.4:1-25; Gal.3:6-29).
Na deze korte en krachtige typering van de persoon van Jezus volgt de geslachtslijst. Maar voordat we deze lezen, moeten we iets zeggen over het verschil tussen de lijst bij Matteüs en die bij Lucas.

Twee verschillende lijsten

In Israël werden geslachtslijsten met grote zorgvuldigheid opgesteld. Ze werden bewaard als documenten van grote waarde. Ze bekrachtigden de aansluiting die iemand had met zijn voorgeslacht en zijn volk.
Het geslachtsregister van Jezus is ons in het NT overgeleverd in twee versies, in Matt.1:2-17, in een van Abraham uitgaande lijn en in Luc.3:23-38, in een tot Adam en God zelf teruggaande lijn.
De beide geslachtsregisters zijn vrijwel gelijk van Abraham tot David. Daarna volgen beide een andere weg: Matteüs spreekt over een zekere Jakob als vader van Jozef (Mat.1:16), terwijl Lucas Jozef de zoon noemt van een zekere Eli (Luc.3:24); Jakobs afkomst wordt teruggevoerd tot Salomo (Matt.1:6); Eli's afkomst tot Natan, een andere zoon van David (Luc.3:32).
Men heeft op verschillende manieren geprobeerd deze ongelijkheid te verklaren, maar een definitieve oplossing is nog niet gevonden. Elk voorstel heeft argumenten voor en tegen.

1. Volgens een theorie van Annius van Viterbo (15e eeuw), die overigens teruggrijpt op een traditie uit de vijfde eeuw, geeft Matteüs het geslachtsregister van Jozef weer: de lijn van de vader voor de wet, dus de juridische lijn. Lucas daarentegen zou Jezus' natuurlijke afstamming van Maria naar voren brengen. Jozef wordt bij hem dan opgevat als de schoonzoon van Eli. Opmerkelijk is, dat de Talmud spreekt over een zekere Mirjam (= Maria), de dochter van Eli. Maar of hier de moeder van Jezus bedoeld wordt, is niet zeker (zie Str.-Bill. II,155).

2. Een andere uitleg verklaart het verschil door de mozaïsche wet omtrent het zwagerhuwelijk als uitgangspunt te nemen. Dit vinden we al bij Sextus Julius Africanus (160 - 240 n.Chr.; volgens Eusebius, Kerkgeschiedenis, I,7). Jozef was biologisch gezien de zoon van Jakob, maar werd op grond van het leviraatsrecht (zie Deut.25:5-10) beschouwd als de zoon van Jakobs halfbroer Eli, omdat deze kinderloos was overleden. Jakob en Eli hadden wel dezelfde moeder, maar niet dezelfde vader, zodat hun geslachtsregisters verschillend waren.

3. Lord A. Hervey (1853), gevolgd door o.a. F.F. Bruce, stelde nog weer een andere verklaring voor: Matteüs geeft vanaf David de lijn van erfgenamen voor de troon weer, terwijl Lucas de werkelijke nakomelingen van David geeft in de familietak, waartoe Jozef behoorde. Hij neemt dan vervolgens aan, dat Jozef, de lijfelijke zoon van Eli (Lucas), werd gerekend als erfgenaam (voor de troon) van de kinderloze Jakob (Matteüs).

Het is moeilijk vast te stellen welke verklaring de juiste is. Het is wel opmerkelijk, dat niemand van de tegenstanders van het christendom in de eerste eeuwen in deze beide geslachtsregisters iets onjuist of met elkaar in tegenspraak vond. Als hier werkelijk iets fout is, is het ondenkbaar, dat de tegenstanders zouden hebben nagelaten hierop te wijzen. Het feit dat Jezus werkelijk een nakomeling van David was, vinden we al heel vroeg in de geschiedenis van het christendom, o.a. in Rom.1:3, waar Paulus hoogstwaarschijnlijk een oude belijdenisformule citeert (vgl. 2Tim.2:8; Op.22:16).

Getallensymboliek

In de samenstelling van beide lijsten vindt men getallensymboliek. Het duidelijkst is dit bij Matteüs (1:17). Hij noemt 3 x 14 generaties tussen Abraham en Jezus. We komen daar straks op terug. Maar ook bij Lucas komen we dit impliciet tegen. Hij plaatst Jezus in de wereldgeschiedenis die met Adam begint. ‘God' niet meegeteld, geeft hij 77 namen, d.w.z. 11 x 7. In de joodse literatuur komen we op verschillende plaatsen het verschijnsel tegen, dat ofwel de wereldgeschiedenis (vanaf Adam), ofwel de geschiedenis van Israël (vanaf Abraham) wordt ingedeeld in weken. Een periode van zeven geslachten vormde in de apocalyptische tijdrekening een wereldweek. Men rekende wel met twaalf wereldweken. Jezus staat zo gezien aan het einde van de elfde wereldweek, dat betekent dat met Hem een nieuw tijdperk begint, de twaalfde wereldweek. De laatste wereldperiode, de tijd van het messiaanse heil is met Hem aangebroken (vgl. Str.-Bill. IV,2, 986vv.).
Het gaat er in de geslachtsregisters dus niet alleen om de exacte afkomst van Jezus te geven, maar veeleer om Hem te doen uitkomen als het hoogtepunt in een door God geleide historische ontwikkeling.

Heil voor de volkeren

Laten we de lijst bij Matteüs eens wat nauwkeuriger beklijken. In overeenstemming met de toenmaals gebruikelijke manier van geschiedschrijving wil Matteüs door het geslachtsregister een zo kort mogelijk overzicht geven van de geschiedenis van Israël tot aan Jezus.
In de verzen 2-6a beschrijft hij de opgaande lijn van Abraham tot aan de koningsheerschappij van David. Evenals meerdere andere joodse schrijvers voor hem geeft Matteüs in zijn schematische weergave van de geschiedenis van Israël een centrale eerste plaats aan Abraham (vgl. 1Makk. 2:51-60; 1Hen. 89:10; 93:5; 4Ezra 6:7-8).
Dat alleen in vers 2 en 11 de broers van Juda worden genoemd, is waarschijnlijk vanwege het keerpunt in de geschiedenis dat hier plaatsvond. Matteüs wil hiermee aangeven dat de zegen niet langer op één persoon rustte, maar op alle twaalf zonen van Jakob. Juda en zijn broers vormen de oorsprong van het huis Israël, het twaalfstammenvolk (Mat.10:6; 19:28).

Behalve de moeder van Jezus worden nog vier vrouwen in het geslachtsregister genoemd: Tamar (vs.3), Rachab (vs.5), Ruth (vs.5) en Batseba (vs.6). Het was vrij ongebruikelijk dat vrouwen in een joodse geslachtslijst vermeld werden. Het is hier bovendien eigenaardig dat zoveel vooraanstaande vrouwen gepasseerd worden, Sara, Rebekka, Lea en Rachel, die een voorname plaats krijgen in de joodse literatuur. Daarentegen worden drie niet-joodse vrouwen genoemd, namelijk Tamar (Gen.38), Rachab (Joz.2) en Ruth, terwijl Batseba wordt omschreven als de vrouw van Uria (een Hethiet! 2Sam.11). Dit alles wijst erop dat Mattheüs wil laten zien dat de volkeren in de verlossing van de Messias mogen delen (vgl. vs.1, zoon van Abraham).
Dat Salmon met Rachab getrouwd was (vs.5), vinden we alleen hier in de Bijbel. Ruth was een Moabitische. Zij behoorde dus tot een volk, voor wie het volgens de wet tot in het tiende geslacht verboden was het huis des Heren te betreden (Deut.23:3-6). Evenwel mocht haar nakomeling Salomo de tempel bouwen en haar nazaat Jezus Christus de nieuwe tempel (Mat.16:18; 1Kor.3:16).
Met dit alles benadrukt Matteüs dat de nieuwe heilstijd is aangebroken, waarin er ook heil voor de volkeren is.

Het dieptepunt van de ballingschap

De verzen 6b-11 beschrijven de neergaande lijn van het koningschap van David tot aan de ballingschap. Dat David zo duidelijk ‘koning' wordt genoemd, wil benadrukken dat het geboorteregister een bekrachtiging is van de aanspraak van Jezus op de troon van David, die zo lang onbezet was geweest. De neergaande lijn begon al direct met Salomo. Eerst lezen we nog van hem dat hij ‘zijn liefde voor de Here toonde' (1Kon.3:3), maar even later dat hij ‘vele vreemde vrouwen liefhad', die hem van het geloof in de Here deden afdwalen naar afgoderij (1Kon.11:1-13).
De afval was niet alleen geestelijk, maar ook politiek. Na Salomo scheurde het rijk in tweeën (1Kon.12). Het tweede grote scharnierpunt na het hoogtepunt van de Davidische monarchie (vs.6) is het dieptepunt van de Babylonische ballingschap. Het volgende grote scharnierpunt is de geboorte van Jezus, de Messias (vs.16). Wright stelt vervolgens dat de periode van de ballingschap eigenlijk pas ten einde is gekomen met de komst van Jezus, de Davidische Messias (vgl. Wright, NTPG, 268-270).

Het Messiaanse koningschap

De verzen 12-17 beschrijven de weg terug, naar het Messiaanse koningschap van Jezus. Wat betreft Jozef en Maria (vs.16) heeft Matteüs zijn woorden nauwkeurig gekozen: ‘Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Messias genoemd wordt'. Tegelijk met de bevestiging van de juridische aanspraak van Jezus op het zoonschap van David, vermijdt Matteüs de indruk dat Jozef zijn natuurlijke vader zou zijn. De bewoording is een voorbereiding op de maagdelijke geboorte, die beschreven wordt in de verzen 18-25. De vaders betekenen in de joodse geslachtsregisters meer dan de moeders. Maar Maria is een vrouw, die met het grootste recht, meer dan enige man in het hele mensenras, een plaats verdient in deze geboortelijst.

Indeling met een boodschap

Het geslachtsregister wil een schematische samenvatting geven van de geschiedenis van Israël. Dat was niet ongebruikelijk (vgl. Gen.5:1vv.; 11:10vv.) Bovendien was men bekend met veertien geslachten tussen Abraham en David (vgl. 1Kr.1-2). Matteüs verdeelt de geslachtslijst in drie onderdelen van elk veertien namen. Om dit te bereiken wordt een aantal namen weggelaten en wordt Jechonja zowel in het tweede als het derde gedeelte meegerekend. Matteüs wil met dit schema uitdrukken dat deze drie perioden van Israëls geschiedenis van gelijke betekenis zijn. De eerste periode vertoont een opgaande lijn van Abraham naar het koningschap van David, de tweede een neergaande lijn van David naar de ballingschap, de derde de weg terug naar het koningschap van de zoon van David, Jezus.
Andere uitleggers hebben voorgesteld de geslachten om te rekenen naar jaren (waarbij per geslacht 35 jaren worden genomen; dus 14 x 35 jaren = 490 jaren; vgl Dan.9:24-27), zodat de tijd tussen de ballingschap en de geboorte van Jezus op 490 jaren komt. Weer anderen willen vanuit Dan.9 de geslachten omzetten naar jaarweken, d.w.z. 3x14=6x7 weken. De geboorte van Jezus zou dan de zevende en laatste jaarweek inluiden, ook wel de wereldsabbat genoemd. Er is bij Matteüs echter geen aanwijzing te vinden dat hij in zijn geslachtslijst een relatie met Dan.9 wil leggen of dat we moeten gaan rekenen.
Veel uitleggers nemen aan dat Matteüs in vers 17 zinspeelt op de getalswaarde (zgn. gematria) van de naam David (d+w+d = 4+6+4 = 14): drie letters met de gezamenlijke waarde van veertien. Hoewel gematria bekend was onder joden en christenen in de eerste eeuw, veronderstelt een getallenwaarde van Hebreeuwse letters in een Griekse tekst een behoorlijk geleerde lezer. Bovendien plaatste men in dit geval doorgaans een koppelteken tussen de letters om aan te geven dat er sprake was van gematria. Hoewel niet onmogelijk blijft het onzeker of Matteüs hier een getallenwaarde beoogt.
Wanneer we opmerken dat de naam van David in vs.1 wordt genoemd en twee keer in het slotvers 17, kunnen we daarentegen wel met zekerheid stellen dat de naam David de sleutel is tot een goed begrip van de geslachtslijst: Matteüs karakteriseert Jezus als de verwachte Davidische koning.

 

Literatuur:
H.L. Strack, P. Billerbeck, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, dl. I-VI, 6e dr., München: C.H. Beck, 1974.
N.T. Wright, Christian Origins and the Question of God. Vol. 1. The New Testament and the People of God, Minneapolis: Fortress, 1992.