Het gezag van de bijbel: foutloos of betrouwbaar?

drs Gijs van den Brink, B&W 2001

 

 

Er is een discussie op gang gekomen onder evangelischen over het gezag van de Schrift naar aanleiding van het themanummer over hermeneutiek van het theologisch kwartaaltijdschrift Soteria (18,1 maart 2001). Naar aanleiding van artikelen van dr. Chris Wright van All Nations Christian College in Londen en ondergetekende, schreef drs K. van Berghem een brochure getiteld ‘de stille revolutie in het evangelische kamp'.

Hierin concludeert hij dat de aangehaalde schrijvers van Soteria lijnrecht staan tegenover de stellingen die geschreven zijn tijdens twee internationale congressen over ‘Biblical Inerrancy' gehouden in Chicago in 1978 en 1982 en verder dat de Soteria auteurs behoren tot de ‘neo-evangelikalen'. Nu denk ik niet dat deze discussie vruchtbaar zal uitwerken wanneer we allerlei termen als ‘inspiratie' en ‘foutloosheid' (inerrancy) en classificaties als ‘fundamentalist', ‘evangelikaal' en ‘neo-evangelikaal' gebruiken zonder van deze woorden een zeer duidelijke definitie te geven. Maar zelfs wanneer dit mogelijk zou zijn, laat ik een dergelijke insteek graag aan anderen over. Zelf heb ik weinig behoefte aan classificatie, maar wil ik graag in gesprek blijven met broeders en zusters in de volle breedte van de kerk van Christus.

 

Een God die spreekt?

Er bestaan wijdverbreide twijfels bij de moderne mens met betrekking tot de taal als efficiënt communicatiemiddel. We leven in een beeldcultuur. Als dit al zo is onder mensen van gelijke natuur, hoeveel te meer dan in de relatie tussen God en de mens. Zo vinden we dan ook een wijdverbreid ongeloof onder vele moderne christenen dat God zichzelf sprekend openbaart. De Bijbel is volgens hen niet een boek, waarin God spreekt tot mensen, maar waarin mensen spreken over God.

Een en ander wordt nog versterkt door de invloed van oosterse godsbeelden, die benadrukken dat God onpersoonlijk is, zich dus niet verbaal uit en ook niet onder woorden te brengen is. Het is duidelijk dat hier de kern van het christelijk geloof in het geding is, te weten de zelfopenbaring van de God van Abraham, Izaäk en Jakob.

 

Drie Schriftvisies

Packer[i] onderscheidt drie Schriftvisies.

1. De ‘traditiona­listische visie', die stelt dat het uiteindelijk gezag over geloof en leven ligt bij de officiële leer van het instituut kerk. Om God en Bijbel te kennen moet men de traditie van de kerk raadplegen. Deze opvatting ontkent niet dat de Heilige Schrift door God gegeven is en dus gezaghebbend is, maar beweert wel dat de Bijbel niet volledig is en ook niet begrijpelijk zonder de uitleg van de kerk. Het meest bekende voorbeeld is de R.K. kerk met apocriefen in de canon, de Vulgaat als gezaghebbende vertaling en leerstel­lingen als de onfeilbaarheid van de Paus en de hemelvaart van Maria.

2. Vervolgens is er de ‘subjectivistische visie': het laatste gezag voor mijn geloof en leven ben ik zelf. Deze visie kent vele vormen, meer mystieke of spirituele en meer rationele of combinaties van beiden. De meer spirituele vorm hebben we bijvoorbeeld in de veel gehoorde populaire opmerking: ik geloof in wat ik voel (wat waar is of wat God zegt). De rationele component ontmoeten we bijvoorbeeld in de bijbelopvatting van veel ­bevrijdings-theologieën, waar de situatie van de hoorder of lezer de waarde van de bijbeltekst bepaalt. Alle vormen hebben echter één ding gemeen: het laatste gezag is het oordeel van mijn verstand of mijn geweten of mijn religieus gevoel. Ook veel van de historisch-kritische benaderingen van de Schrift vallen hieronder. Het lijkt erop dat geloof hier een zaak is van loyaal zijn aan de eigen religieuze overtuigingen.

3. Dan is er de ‘evangelisch-reformatorische' visie. In deze opvatting worden gezag en inspira­tie met elkaar verbonden. Het laatste gezag rust in de Bijbel zelf. De Heilige Schrift is het Woord van God. Dit gezag wordt bevestigd door het getuigenis van de Heilige Geest in ons hart en niet door het gezag van de kerk of van het verstand. Verder is de openbaring van God in de Bijbel volledig en behoeft niet aangevuld te worden door de kerkelijke traditie. Deze openbaring is ook begrijpelijk en er mag geen onafhankelijk gezag toegekend worden aan het verstand. De traditie, de kerk en de individuele christen kunnen dwalen en doen dat ook, maar de Bijbel, het Woord van God, moet hen corrigeren.

Voor alle duidelijkheid, ondergetekende onderschrijft van harte deze derde visie.

 

Het gezag van ‘de Schriften' (OT)

Maar waarop is de derde Schriftvisie gebaseerd? Spreekt de Bijbel zelf zich hierover uit?[ii]

In het NT blijkt dat men met de term ‘de Schriften' aan de boeken van het OT een absoluut waarheidsgehalte en een onomstote­lijk gezag toekent. We vinden dat expliciet uitgedrukt in de woorden van Jezus in Johannes10:35 ‘en de Schrift kan niet gebroken worden' of ‘de Schrift kan niet ontbonden worden', d.w.z. kan niet opzij gezet worden. Hetzelfde Griekse woord (luo) wordt gebruikt als in Matteüs 5:19 waar de Here Jezus over de wet en de profeten (d.w.z. het OT) zegt: ‘Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt (luo) en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen'. Hij reageert hier op de idee dat het OT en met name de Wet een verzameling van afzonderlijke geboden zou zijn, waarin men naar believen enige gedeelten als meer en andere als minder geldend zou kunnen beschouwen.

Jezus leerde Zijn discipelen de ondeelbaarheid van de Schrift tot in de kleinste onderdelen.

Verder blijkt uit meerdere gegevens dat het God is die in de Schriften spreekt. Oudtestamentische citaten kunnen ingeleid worden met ‘God zegt' of ‘de Heilige Geest zegt' (bv. Hebr.3:7). Verder kunnen ‘God zegt' en ‘de Schrift zegt' zonder meer verwisseld worden. Bv. in Romeinen 9:15 en 17). Dat God spreekt in de Schriften blijkt ook uit de personifi­catie van de Schrift, zoals we bijvoorbeeld in Galaten 3:8 tegenkomen: ‘En de Schrift, die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof rechtvaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkon­digd'. Deze personificatie blijkt ook uit het veelvuldige ‘de Schrift zegt', dat in niet christe­lijke literatuur niet voorkomt.

We moeten concluderen dat het Nieuwe Testament de identificatie van het gesproken en geschreven Woord leert.

 

Het gezag van het NT

Maar hoe zit dat met het NT? Wat bepaalt het gezag van een nieuwtestamentisch boek? En geeft het Nieuwe Testament zelf dit al aan?

In de eerste plaats is er sprake van het onomstotelijk gezag van de woorden van Jezus Christus[iii]. Jezus zelf zegt: ‘jullie hebben gehoord dat er gezegd is ... maar Ik zeg u' (Mat.5:21-48). Hij spreekt met het gezag van de Messias, van de plaatsvervanger van  God op aarde. Voor Paulus wordt elk verschil van mening beslecht met de woorden: ‘dit zeggen wij u met een woord des Heren' (1 Tess. 4:15; vgl. 1 Kor.9:9,13,14; 11:23vv). 

In de tweede plaats lezen we in het Nieuwe Testament over het gezag van de apostelen. Jezus zelf heeft zijn apostelen uitgekozen (Mar.3:14vv) en hen met Zijn gezag bekleed om Zijn representanten te zijn. Hij zegt tot hen: ‘Wie u ontvangt, ontvangt Mij en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft'[iv] (Mat.10:40). Hun gezag betreft met name het onderwijzen van de leer van Jezus. De apostelen zijn de pilaren en fundamenten van de kerk van het Nieuwe Verbond (Ef.2:20; Op.21:14). Ook Paulus is zich bewust van de roeping en het gezag dat hij van Jezus Christus heeft ontvangen, zodat hij kan zeggen dat wanneer iemand een ander evangelie brengt, deze vervloekt is (Gal.1:1,7vv). Dit van de Heer afgeleide gezag van de apostel is gelijk aan het gezag van Christus zelf, het is een levend gezag dat gelijkwaardig is aan dat van de Schriften van het Oude Testament[v].

In de derde plaats wordt in het Nieuwe Testament het ‘oor- en ooggetuige zijn' genoemd als kenmerk van betrouwbaarheid en waarheid[vi]. Jezus zelf beroept zich hierop als Johannes de Doper laat vragen of Hij de verwachte Messias is of niet. Hij antwoordt: ‘gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet' (Mat.11:4 = Luc.7:22). Johannes en Lucas hebben dit criterium sterk benadrukt (Luc.1:2;1 Joh.1:1-3).

Vervolgens moet in dit verband bovendien gezegd worden dat naast het gezag ook de schriftelijke neerslag en het verzamelen van de canonieke boeken al in het Nieuwe Testament worden aangegeven. Tijdens het leven van de apostelen had hun geschreven en gesproken woord evenveel gezag[vii]. Paulus zegt in 2 Tess. 2 :15 ‘zo dan broeders, staat vast en houdt u aan de overleveringen die door ons hetzij mondeling, hetzij schriftelijk geleerd zijn'. En in zijn tweede brief spreekt Petrus over een verzameling van brieven van Paulus die hij op één lijn plaatst  met de Geschriften van het Oude Testament (2 Petr.3:15-16)[viii].

Bovendien is het van belang op te merken dat door de historische eenmaligheid van de openbaring van Jezus Christus en het verslag daarvan door de eerste apostelen en ooggetuigen de canon van het Nieuwe Testament principieel gesloten is[ix]. En de omvang van deze canon was in principe compleet vanaf het moment dat haar boeken geschreven waren[x].

 

Belijdenis van de kerk van alle eeuwen

De Kerk heeft door de eeuwen heen beleden in navolging van het NT: de Heilige Schrift is het Woord van God. Vroege kerkvaders als Origenes en Hieronymus spraken al over ‘een alle woorden omvattende inspiratie' en met name Cyprianus en Augustinus over: ‘het normatieve gezag van het geschreven Woord'[xi]. Dit alles sluit direct aan bij 2 Timoteüs 3:16 ‘Elk van God ingegeven Schriftwoord'. De inspiratie is betrokken op de graphē, op de concrete woorden. Dit kan ook niet anders, want de Schrift kan niet in extase raken, kan niet horen en niet voelen! Schriftinspiratie is per definitie verbaal, woordelijk.

We moeten natuurlijk niet de leiding van de Geest in alle processen, die aan het geschreven Woord vooraf gaan, ontkennen. Het is echter het eindproduct, het geschreven Woord, waarvoor we de term ‘inspiratie' willen reserveren, dit in navolging van het NT in het algemeen en 2 Timoteüs 3:16 in het bijzonder. En deze inspiratie is ten allen tijde verbaal. Een niet-woordelijke Schriftinspiratie zou een contradictio in terminis zijn, een tegenstelling in gebruikte termen.

 

 Foutloos? Vragen aan ‘inerrentisten'

Als we de voorgaande uiteenzetting over het gezag van de Schrift accepteren, betekent dit dan dat de consequentie is dat we stellen dat de Bijbel foutloos informeert over alle levensterreinen, dus ook met betrekking tot geologie, sterrenkunde, geografie, geschiedenis etc., zoals verwoord in de stellingen van Chicago (1978, artikel 9,11,12)[xii].

Ik heb hier de nodige vragen bij. Wat bedoelt men met foutloos informeren? Bedoelt men dat wat er in de Bijbel staat betrouwbaar is overgeleverd? Maar wat staat er in de Schrift? De oorspronkelijke handschriften zijn niet bewaard gebleven. Van de tekst van het NT bestaan er bijvoorbeeld ongeveer 5000 handschriften, die op details (hoe miniem ook) verschillen. Wat er precies staat wordt door de wetenschap die wij ‘tekstkritisch onderzoek' noemen bestudeerd en bij benadering vastgesteld. Hierbij helpt een leer van ‘foutloosheid' niet.

Wanneer men gaat spreken over de autographa, de oorspronkelijke handschriften (1978, art.10), die niet bewaard zijn gebleven, wordt het nog kwalijker, want dat houdt dan in dat de teksten zoals wij die nu bezitten dus wel fouten bevatten, waarmee men dus het tegenovergestelde bereikt van wat gesteld wordt.

Of bedoelt men met foutloos informeren dat het waar is wat de Schrift beweert? Maar of er iets beweerd wordt en wat er beweerd wordt in de tekst van de Schrift is pas duidelijk na een goede uitleg. Woorden en zinnen kunnen niet waar of onwaar zijn, alleen de desbetreffende verwijzing naar een werkelijkheid buiten de tekst, bijvoorbeeld een historische gebeurtenis. Vandaar dat men ook herhaaldelijk stelt dat de ‘inerrancy' betrokken is op ‘propositional revelation'[xiii] (1982, art.6).

Dus het geloof in de foutloosheid van de Schrift houdt in dat je een bepaalde taalfilosofie aanhangt (taal bestaat uit proposities die verwijzen naar een objectieve werkelijkheid[xiv]) met daaraan gekoppeld een bepaalde opvatting over Gods openbaring als een openbaring van goddelijke waarheden. Het lijkt me toch echt teveel gevraagd dat ik dit alles op voorhand moet aannemen om de Schrift juist te kunnen verstaan. Op deze wijze bevat het begrip ‘inerrancy' voor mij teveel dogmatische en filosofische vooronderstellingen.  Maar het belangrijkste is dat het op voorhand stellen hóe een bepaalde tekst informeert methodisch onjuist en ook onmogelijk is, omdat dit pas duidelijk wordt na een grondige exegese van de betreffende tekst.

 

Geloofwaardig en betrouwbaar

Een van de meest besproken kwesties is het aspect van de historische betrouwbaarheid van Schriftgegevens. Wanneer wij in navolging van Christus en de apostelen stellen dat de Schrift gezaghebbend is, hoort hierbij m.i. eerder de eis van geloofwaardigheid en betrouwbaarheid dan van foutloosheid. Hoe gaan we om met het probleem van de historiciteit en authenticiteit van beschreven gebeurtenissen en gesproken woorden[xv].

Met betrekking tot de evangeliën leeft bij velen bijvoorbeeld de vraag: heeft Jezus deze woorden werkelijk zelf gesproken? Centraal in deze discussie staan de diverse criteria, die men aanwendt om de echtheid te bewijzen. De moderne kritische bijbelwetenschap (de ‘histo­risch‑kritische' exegese, m.n. de scholen van de ‘Formgeschichte' en ‘Redaktionsgeschichte') heeft voornamelijk twee criteria: het ‘meervoudig getuigenis' en het ‘criterium van ongelijkheid'.

Het eerste geeft aan dat een tekst in verschillende onafhankelijke bronnen voorkomt. Het tweede dat de inhoud van een uitspraak van Jezus niet overeenstemt met het gedachtegoed van het jodendom of de vroege kerk. Er is op deze criteria heel wat kritiek te leveren[xvi]. De meest fundamentele kritiek is dat wij in de lijn van de moderne wetenschapsfilosofie van mening zijn dat niet de echtheid aangetoond moet worden, maar de onechtheid[xvii]. De betrouwbaarheid van de overgeleverde teksten moet niet geverifieerd worden, maar gefalsificeerd. Er moet bewezen worden dat de teksten geen betrouwbare voorstelling van zaken geven. Dat betekent dat de bewijslast bij de critici ligt.

Geschiedkundigen kennen twee basiscriteria voor het aantonen van onbetrouwbare informatie. Ten eerste gebrek aan correspondentie met de werkelijkheid. Dit is bijvoorbeeld het geval bij tegenbewijzen vanuit de archeologie (en bijv. bij anachronismen). Ten tweede gebrek aan coherentie, aan overeenstemming met andere tekstgegevens, bijvoorbeeld bij tegenstrijdigheid met de context.

Laten we het verschil tussen verificatie en falsificatie eens verduidelijken door beide toe te passen op het zendingsbevel van Jezus in Matteüs 28:16vv. Volgens de onderzoekers die de echtheid van deze woorden van Jezus bewezen willen zien door met name de criteria van ‘meervoudig getuigenis' en van ‘ongelijkheid' is het zendingsbevel niet authentiek. We treffen het namelijk alleen aan in Matteüs 28 en het komt door de trinitarische doopformule sterk overeen met de vroegchristelijke gemeentetheologie.

Zij die de onechtheid van de woorden willen aantonen brengen met name twee punten naar voren. Ten eerste dat Matteüs 28 met zijn verschijning van Jezus in Galilea niet zou overeenstemmen met het evangelie naar Lucas, dat alleen verschijningen bij Jeruzalem meldt. Ten tweede dat uit de zendingsmotivatie van de apostelen in het boek Handelingen en de brieven niet blijkt dat zij deze woorden van Jezus kenden. De vraag of deze tegenwerpingen steekhoudend zijn, is nu niet aan de orde[xviii]. Het gaat ons om het verschil tussen beide benaderingen: de verificatie gaat er in eerste instantie van uit dat de woorden van Jezus niet betrouwbaar zijn. De falsificatie daarentegen dat deze in eerste instantie wel betrouwbaar zijn.

 

De heilshistorische visie

 

Het is duidelijk dat ik me niet schaar onder hen die een historisch-kritische bijbelopvatting huldigen, maar me ook niet reken tot de aanhangers van de Chicago-stellingen. De door mij voorgestane opvatting is wel de ‘heilshistorische benadering' genoemd, een wijze van theologiseren zoals deze bedreven is door bijvoorbeeld George Eldon Ladd en in Nederland door Herman Ridderbos. Wat houdt dit kort gezegd in? God openbaart zich in een proces van gebeurtenissen en hun interpretaties.

Hij openbaarde zich bijvoorbeeld in het gebeuren dat Jezus Christus stierf aan het kruis op Golgota, maar ook in de interpretatie hiervan, dat dit moest gebeuren tot vergeving van onze zonde. Bij zo'n wijze van openbaring passen schriftelijke documenten; dit is immers de enige verantwoorde vorm om geschiedenis aan latere geslachten door te geven. Bij een openbaring in het natuurgebeuren of in de stille diepte van het mensenhart is het boek niet nodig en zelfs vreemd. Deze schriftelijke documenten nu zijn voor ons gezaghebbend, omdat God daarin spreekt.

Wat is nu de winst van zo'n heilshistorisch uitgangspunt? Ten eerste dat de visie op de Bijbel is geworteld in de Schrift zelf. Ten tweede dat er weinig of geen behoefte is aan allerlei leeswijzers of ingewikkelde inspiratie theorieën. Verder bewaart het ons voor dogmatisme, waarbij de kerkelijke traditie over de Schrift gaat heersen, en voor een massief fundamentalisme, waarbij elk gegeven van de Schrift van gelijk belang wordt geacht.

In de Schrift vinden we de juiste uitleg van de grote daden Gods. De Schrift is onze belijdenis, die behoorlijk helder en duidelijk de werken van God in de geschiedenis noemt en uitlegt.

 

 



[i] J.I. Packer, Fundamentalism and the Word of God (London 1958, Grand Rapids 1980) 775-778

[ii] Een goede inleiding biedt: J.W. Wenham, Christ and the Bible. London, 1972

[iii] W.G. Kümmel, Introduction to the New Testament, H.C. Kee, vert. (2e dr., London, 1977) 477

[iv] De discipelen worden uitgezonden en doen het werk van een sjaliách, d.w.z. een ‘afgezant', die niet zijn eigen woorden spreekt, maar die van zijn zender. E.E. Ellis, ‘New Directions in Form Criticism' in: E.E. Ellis, Prophecy and Hermeneutic in Early Christianity (Grand Rapids, 1978) 242

[v] Kümmel, Introduction, 478

[vi] Zie met name de zeer waardevolle studie van W.C. van Unnik, Oog en oor. Utrecht, 1973.

[vii] F.F. Bruce, The Canon of Scripture (Downers Grove, 1988) 117-118; L. Goppelt, Apostolic and Postapostolic Times. R.A. Guelich, vert. (London, 1970) 156,162; H. Ridderbos, Heilsgeschiedenis en Heilige Schrift van het Nieuwe Testament (Kampen, 1955) 51

[viii] Zie voor de discussie hierover: Ridderbos, a.w., 56; Bruce, a.w., 120-121

[ix] W.G. Kümmel, ‘Notwendigkeit und Grenze des Neutestamentlichen Kanons', Zeitschrift für Theologie und Kirche 47 (1950) 298-300; Ridderbos, a.w., 58-60

[x] Zo Metzger: "If the authority of the New Testament books resides not in the circumstance of their inclusion within a collection made by the Church, but in the source from which they came, then the New Testament was in principle complete when the various elements coming from this source had been written".  B.M. Metzger, The Canon of the New Testament (Oxford 1988) 283

[xi] O. Weber, ‘Inspiration', RGG III (3e dr., Tübingen, 1959) 776

[xii] Vastgesteld tijdens twee internationale congressen over ‘Biblical Inerrancy', gehouden te Chicago in 1978 en 1982.

[xiii] Een goede uiteenzetting door Kevin J. Vanhoozer, ‘The Semantics of Biblical Literature' in: D.A. Carson, J.D. Woodbridge (ed), Hermeneutics, Authority and Canon (Leicester 1986) 57vv. En meer recent: Kevin J. Vanhoozer, Is there a meaning in this text? The Bible, the reader and the morality of literary knowledge. Leicester 1998

[xiv] Het maakt nogal verschil of iemand bijvoorbeeld uitgaat van de ‘propositions' van de vroege Wittgenstein (die hij later herriep) of van de ‘speech-act' theorie van filosofen als Austin, Alston en (in Nederland) Brümmer.

[xv] Voor voorbeelden uit andere velden van onderzoek, zie: G. van den Brink, Op betrouwbare grond. Over ontstaan en gezag van het Nieuwe Testament (Heerenveen 1999) 61-70

[xvi]  Een uitstekend artikel over deze problematiek m.b.t. de evangeliën geeft: S.C.Goe­tz and C.L. Blomberg, ‘The Burden of Proof', Journal for the Study of the New Testament 11 (1981) 39‑63. Zij noemen wel 12 criteria, maar verwerpen er minstens 7.

[xvii] K.R. Popper, ‘Unity of Method in the Natural and Social Sciences' in: The Poverty of Historicism, 2e dr., New York, 1964.

[xviii] Tegen de eerste poging tot falsificatie kunnen we inbrengen, dat niet alleen Matteüs, maar ook Marcus verschijningen van Jezus in Galilea noemt (Mar.14:28; 16:7). Het is verder niet vreemd en zeker niet tegenstrijdig dat Jezus zijn discipelen ook in Galilea is verschenen, de provincie die zo'n belangrijke rol speelde in zijn aardse bediening. Het feit dat we in Handelingen nergens een herinnering aan het zendingsbevel tegenkomen kan verklaard worden tegen de achtergrond van het OT. De OT-ische verwachting was dat alle volkeren naar Jeruzalem zouden k­omen. Zie J. Jeremias, Jesu Verheissung für die Völker, 2e dr., Stuttgar­t, 1959. We concluderen dat het bewijs voor de onechtheid van deze woorden van Jezus niet overtuigend is.