De hel in het Nieuwe Testament

drs. G. van den Brink, 1990
gepubliceerd in: A.G. Knevel, red., Hemel of hel. Onze eeuwige bestemming (Kok: Kampen, 1991) pg 33-41.

 

Wat is de hel?

 

Te onderzoeken wat het Nieuwe Testament over de hel zegt is niet eenvoudig. Niet zozeer vanwege onduidelijkheid van de Bijbel of vanwege het wijdverbreide ongeloof aan een hel, maar wel vanwege het onder ogen krijgen van deze gruwelijke consequentie van de zonde.

Het is voor mij alleen mogelijk deze dingen te doordenken in de wetenschap dat mijn zonden vergeven zijn door Jezus Christus. De prediking van het evangelie en het aanbieden van het heil van God is dan ook voortdurend de context, waarin het Nieuwe Testament over de hel spreekt. We mogen en kunnen alleen in het licht van de evangelie-prediking over de hel spreken[1].

 

Hades en gehenna

 

Het eerste wat ons opvalt is dat er verschillende Griekse woorden gebruikt worden, die niet allemaal naar dezelfde zaak verwijzen. De twee belangrijkste zijn `hades' en `gehenna'.[2]

Nu is het verwarrend dat sommige oudere vertalingen beide woorden met "hel" vertalen (o.a. de Statenvertaling). Dit is onjuist. Hades en ‘gehenna' zijn in het Nieuwe Testament als ook in het contemporaine jodendom geen synoniemen[3]. Het Griekse `hades' is wel een synoniem van het Hebreeuwse `sje'ol' en kan het beste vertaald worden met `dodenrijk'. Het is een soort wachtkamer, waar de zielen van de goddelozen[4]  zich na hun lichamelijke dood bevinden in afwach­ting van de opstanding der doden[5].

We zien dit in het Nieuwe Testament het duidelijkst in de gelijkenis van Jezus over de rijke man en de arme Lazarus. Jezus zegt daar dat de rijke stierf, werd begraven en in het dodenrijk zijn ogen opsloeg ....(Luc. 16:23). De hades staat in nauw verband met de eerste dood, de dood van het lichaam, en heeft een tijdelijke functie. Bij het laatste oordeel geeft zij namelijk haar inwoners over om geoordeeld te worden. Zo lezen we in Openbaring 20:13 "De dood en het dodenrijk gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken."

De `gehenna' daarentegen is de plaats die beschreven wordt als een `poel van vuur'(Openb. 20:14)[6] en een `vurige oven' ( Matt. 13:42), waartoe men veroordeeld kan worden aan het einde der tijden. We lezen dit bijvoorbeeld in Mattheüs 13:40-42 waar Jezus zegt: "Zo zal het gaan bij de voleinding der wereld. De Zoon des mensen zal zijn engelen uitzenden en zij zullen uit zijn koninkrijk verzamelen al wat tot zonde verleidt en hen, die de ongerechtigheid bedrijven, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars".

Nog preciezer beschrijft Johannes wanneer dit zal gebeuren, namelijk na de opstanding en het laatste oordeel. We lezen dit in Openbaring 20, waar staat: "En de doden werden geoor­deeld, op grond van hetgeen in de boeken geschreven stond, naar hun werken....en wanneer iemand niet bevonden werd geschre­ven te zijn in het boek des levens, werd hij geworpen in de poel des vuurs" (Openb. 20:12,15). Aansluitend bij de moderne vertalingen moeten we concluderen dat het begrip `hel' beperkt dient te worden tot deze `gehenna'[7].

 

Wat is de gehenna

 

Wat is nu deze hel? In de eerste plaats is belangrijk dat het Nieuwe Testament, vergeleken met de joodse apocalyptiek[8], heel summier en sober is in zijn beschrijving van de hel.

Ten tweede moet voor iedereen duidelijk zijn dat de beschrijvin­gen van de hel in het Nieuwe Testament beelden zijn. Vuur en duisternis bijvoorbeeld sluiten elkaar in letterlijke zin uit. Het eerste beeld waarmee de Here Jezus de hel beschrijft is "de buitenste duisternis"(Matt. 8:12; 22:13; 25:30). Duisternis wil zeggen: uitgesloten van het licht van God[9]. Het spreekt dus over een plaats, waar de laatste band met God is doorgesneden.

Hetzelfde wil de apostel Johannes duidelijk maken als hij in het boek Openbaring over de hel spreekt als "de tweede dood" (Openb. 2:11; 20:6; 20:14; 21:8). Dat de tweede dood een omschrijving is van de hel en niet duidt op een vernietiging, op een ophouden te bestaan, lezen we duidelijk in Openbaring 20:14 waar staat: "Dit is de tweede dood: de poel des vuurs". Deze tweede dood is in tegenstelling tot de eerste dood de eeuwige dood[10], waarover de Here Jezus spreekt in Mattheus 10:28 waar hij zegt: "en weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel". De tweede dood is dus evenmin als de eerste, de natuurlijke dood, een ophouden te bestaan, maar is een scheiding. Zoals er in deze wereld geestelijke doden bestaan (Joh.5:25; Matt.8:22.), zo zullen er in de toekomen­de wereld eeuwige doden bestaan. Samenvattend betekenen de beelden van `buitenste duisternis' en `tweede dood' een volledig gescheiden zijn van God als Vader[11].

Een tweede omschrij­ving die de Here Jezus van de hel geeft luidt: `daar zal het geween zijn en het tandengeknars'  (Matt.8:12; 13:42,50; 22:13; 24:51; 25:30; Luc.13:28). Tandengeknars kan spreken over machteloosheid en wanhoop[12], maar ook over boosheid en woede[13]. Mogen we aannemen dat beide elkaar afwisselen? Vervuld met wanhoop en woede zal men op het aardse leven terugzien in een machteloos berouw. Wenend en tandenknar­send zal men denken aan de verlossing, die men door eigen schuld heeft verspild en verspeeld[14]. Vreselijk zal de wanhoop zijn door deze herinnering aan het aardse leven en de gemiste levenskansen.

Te meer omdat er in de hel een besef zal zijn van de hemelse heerlijkheid. Hiervan sprak Jezus in Lucas 13:28 waar Hij zegt: "Daar zal het geween zijn en het tandenge­knars wanneer gij Abraham en Isaäk en Jacob zult zien[15] en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar uzelf buitenge­worpen". Hetzelfde wordt ook gezegd in Openbaring 14:10, waar we lezen: `En hij zal gepijnigd worden...ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam'. Waarschijnlijk wordt de ergste wroeging en pijn van de veroordeelden in de hel veroorzaakt door het zien van het Lam[16]. Samenvattend moeten we zeggen dat de hel een vreselijke plaats is vol van wanhoop en wroeging, van machteloos­heid en woede omdat er een besef is van de hemelse heerlijkheid, waar men geen deel aan heeft.

 

Is de hel eeuwig?

 

De vraag die vervolgens gesteld kan worden is of dit helse bestaan eeuwig zal voortduren of dat het misschien een einde heeft? Hierop geeft het Nieuwe Testament een ondubbelzinnig antwoord. Er wordt gesproken over een `eeuwig vuur', een `eeuwige straf', een `eeuwige zonde' en een `eeuwig verderf' (respectievelijk in Matt.18:18; 25:41; Jud.7 - Matt.25:46 - Marc.3:29 - 2 Thess.1:9). En het is hier onmogelijk het Griekse woord voor eeuwig een andere betekenis toe te kennen dan `onophoudelijk' of `zonder einde'[17]. Ook de context spreekt heldere taal. Jezus zegt in Mattheüs 25:46 `En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.' Het is duidelijk dat de duur van de straf gelijk zal zijn aan de duur van het leven.

Ook Paulus is duidelijk over wat hij onder "eeuwig" verstaat, als hij het eeuwige stelt tegenover het tijdelijke (2 Cor. 4:18). Het is daarom ook duidelijk wat hij bedoelt, als hij over de ongehoorza­men zegt in 2 Thessalonicensen 1:9 `Dezen zullen boeten met een eeuwig verderf, ver van het aangezicht des Heren...' We willen tenslotte nog wijzen op Openbaring 14:11, waar Johannes over de helse straf zegt: `En de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheden en zij hebben geen rust dag en nacht.' De hel zal even lang bestaan als de troon van God, waarvan we lezen dat hij er zal zijn in alle eeuwigheid (Hebr. 1:8).

 

Gradaties in straf

 

Hoewel de hel een eeuwige straf is, is er beslist geen sprake van één grijze massa in het grauwe duister, waar alle zondaren op één hoop worden gegooid. Er zijn gradaties in het lijden. Jezus zegt in Mattheüs 11:21-22 `Wee u, Chorasin, wee u, Betsaïda! Want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebben. Doch ik zeg u, het zal voor Tyrus en Sidon dragelijker zijn in de dag des oordeels dan voor u'[18]. Een lichtere straf dus voor Tyrus en Sidon omdat zij minder mogelijkheden hebben gehad dan de steden ten noorden van het meer van Galilea. De mens wordt niet alleen geoordeeld naar zijn werken, maar ook naar wat hij gedaan zou kunnen hebben[19].

Een tweede woord van Jezus over verschil in straf vinden we in Mattheüs 23:14 `Wee u schriftge­leerden en farizeeën, gij huichelaars, want gij eet de huizen der weduwen op, terwijl gij voor de schijn lange gebeden uitspreekt. Daarom zult gij zwaarder oordeel ontvangen'. Een zwaardere straf dus voor hen die willens en wetens verkeerd gehandeld hebben. Hetzelfde zegt Jezus ook in Lucas 12:47-48 `Die slaaf nu die de wil van zijn heer kende en geen toebereidselen getroffen heeft, of niet gedaan heeft naar de wil van zijn heer, zal vele slagen ontvangen. Wie echter die wil niet heeft gekend en dingen heeft gedaan, die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen'. We zien hier dat er een relatie bestaat tussen de kennis die men heeft van Gods openbaring en de zwaarte van de straf die men ontvangt[20].

Ook Paulus weet van gradaties in het oordeel als hij zegt in Romeinen 2:5-6 `Met uw botte en onboet­vaardige gezindheid stapelt[21] gij voor uzelf een kapitaal van toorn op tegen de dag van de toorn, wanneer Gods rechtvaardig oordeel openbaar zal worden. Hij zal een ieder vergelden naar zijn werken.'[22]

Samenvattend moeten we zeggen dat zij die verloren gaan geoor­deeld zullen worden naar hun werken (Rom.2:6; 2 Cor.11:15; 2 Tim.4:14; Openb.20:12,13 ; 22:12) en dat dit betekent dat een ieder een verschillende straf ontvangt, gebaseerd op de mogelijk­heden en onmogelijkheden die hij in dit leven heeft gehad.

 

Alle heidenen verloren?

 

De verscheidenheid in straf dringt tot slot de vraag aan ons op of er ook ongelovigen zijn die vrijgesproken zullen worden in plaats van veroordeeld? Hoe zal het oordeel uitvallen over kinderen van ongelovigen. En hoe over hen die nooit het Evangelie hebben gehoord?

Er is in het Nieuwe Testament één passage die ons informeert over Gods oordeel over ongelovigen, namelijk Mattheüs 25:31-46. Het is de passage van het oordeel van de Zoon des Mensen over de volkeren, een schilderachtige vertelling die soms op een gelijkenis lijkt (bv. in vs. 32-33). Hier komt het lot ter sprake en de maatstaf voor het oordeel van de mensen die ten tijde van de wederkomst op aarde leven, maar niet tot de Gemeente van Christus behoren[23]. Zij worden gescheiden in twee groepen, één aan de rechterhand van de Zoon en één aan de linkerhand.

Tot de eerste groep zegt de Rechter: `Komt gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Konink­rijk' (Matt.25:34). Tot de tweede:`Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur.' Dat het hier een oordeel over niet-christenen betreft blijkt onder andere uit het gegeven dat de vrijgesproke­nen niet weten dat zij de Koning, die hen nu vrijspreekt, hebben liefge­had[24]. We moeten hieruit concluderen dat het voor God niet onmogelijk is om mensen buiten de genademiddelen van prediking en doop om toch rechtvaardig te verklaren[25].

Karakte­ris­tiek voor dit oordeel van de Zoon des mensen is verder de norm. Bekende maatstaven als geloof, waakzaamheid en trouw worden hier niet genoemd. Op de vraag van de mensen waaraan zij hun vrij­spraak te danken hebben en wanneer zij de Koning liefde hebben betoond, antwoordt Deze: `Voorwaar Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan.' Zij hebben de Koning liefde betoond in zijn broeders, dat wil zeggen: hun vrijspraak berust op hun houding tegenover de gelovigen[26]. Jezus maakt hun zo duidelijk dat zij niet gerecht­vaar­digd worden door hun werken, maar door hun relatie met Hem, een relatie die door hun werken, die een natuurlijk uitvloeisel waren van hun hart, aanwezig was (vgl. Matt.12:33-37; Rom.2:12-16).

Mogen wij nu aannemen dat analoge normen ook toegepast worden wanneer bij het laatste oordeel alle mensen geoordeeld worden naar hun werken en dat dan ook daar nog mensen worden vrijgespro­ken?[27] Op deze en andere vragen die we eerder stelden over kinderen van ongelovigen en hen die nooit het Evangelie gehoord hebben moeten wij het antwoord schuldig blijven. Maar we moeten er dan ook direct bij zeggen dat dit onze vragen zijn, niet die van de schrijvers van het Nieuwe Testament zelf. Daar is immers het spreken over de hel onlosmakelijk verbonden met het spreken over het Evangelie, over de verlossing die er is door Jezus Christus. Daarom kunnen wij ons goed vinden in de woorden van Schilder als hij in dit verband zegt: `Men vergete niet dat de Bijbel over het lot van zulke mensen zich opzettelijk zeer onvolledig uitlaat; al tellende en metende en wegende vergeet men immers het beproeven van eigen hart.'[28]

Het feit echter dat God vrijmachtig is om mensen vrij te spreken buiten de middelen van prediking en doop om[29] en de weten­schap dat Hij de hoogste rechtvaardigheid en de hoogste liefde is zou voor de gelovigen die hun Vader in alles vertrouwen voldoende moeten zijn.

 

Noten


[1]G.C. Berkouwer, De wederkomst van Christus, II (Kampen, 1963) 204-207.

[2]We beperken ons tot deze twee begrippen, omdat zij betrekking hebben op mensen. Tartaros (2 Petr.2:4) en abussos (Luc.8:31; Openb.9:1-2 e.a.) hebben betrekking op gevallen engelen en demonen

[3]J. Jeremias, `haides', TDNT, I, 148. J. Jeremias, ‘geenna', TDNT, I, 658.

[4]De enige uitzondering hierop is Hand.2:27,31; maar dit is een OT-isch citaat en spreekt dus over de situatie onder het Oude Verbond.

[5]J. Jeremias, `haides', TDNT, I, 148.

[6]J. Jeremias, `geenna', TDNT, I, 658.

[7]Het Griekse Woord is afgeleid van het Hebreeuwse ge hinnom, dal van Hinnom, een plaats ten zuiden van Jeruzalem, waar in de dagen van Achaz en Manasse offers aan Moloch werden gebracht (2 Kon.16:3; 21:6; 2 Kron.33:6; Jer.7:31).

[8]Hier is het lijden van de goddelozen bv. een eeuwig schouwspel voor de rechtvaardigen, 1 Henoch 27:2-3; 90:26-27; 4 Ezra 7:36.

[9]J. Jeremias, Neutestamentliche Theologie, I (2e dr., Gütersloh, 1973) 130.

[10]G.E. Ladd, The Revelation of John (3e dr., Grand Rapids, 1976) 45. Ook de rabbijnen, die een opstanding van ongelovigen leerden, spraken over een `toekomstige dood' in de zin van een overleveren aan een eeuwig oordeel.  H.L. Strack, P. Billerbeck, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, III (6e dr., München, 1974) 830.

[11]K. Schilder, Wat is de hel? (3e dr., Kampen, 1932) 93. Hetzelfde brengt  Paulus onder woorden als hij spreekt over `een eeuwig verderf, ver van het aangezicht des Heren en van de heerlijkheid zijner sterkte' (2 Thess. 1:9).

[12]J. Jeremias, Theologie, 130.

[13]I.H. Marshall, The Gospel of Luke (Exeter, 1978) 567-568.

[14]H. Berkhof, Gegronde verwachting (2e dr., Nijkerk, 1968) 54.

[15]Hendriksen interpreteert het `zien' als: are made aware of the presence of .... W. Hendriksen, The Gospel of Luke (5e dr. Grand Rapids, 1987) 707.  Schilder zegt op grond van dit vers dat `de Schrift ons leert, dat ginds God, hoewel nooit bekend - in kennis des geloofs - dan toch gekend, geweten wordt .... ( K. Schilder, Hel 122-123). Elders zegt hij dat ` in de hel God niet kan vergeten worden, dat God niet van Zijn plaats kan worden gezet, noch gedacht, dat God er niet kan zijn de Onbekende'. (pag. 100).

[16]G.E. Ladd, Revelation, 197.

[17]W. Bauer, `aionios', Wörterbuch zum Neuen Testament (5e dr., Berlin, 1971) s.v.; H. Sasse, `aionios', TDNT, I, 208-209.

[18]Zie ook Matt.10:15 `Voorwaar, Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor die stad.

[19]Vgl. Jac. 4:17, en zie ook voor het omgekeerde (zwaarder straf) Joh.15:24 `Indien ik niet de werken onder hen gedaan had, die niemand anders gedaan heeft, zouden zij geen zonde hebben, maar nu hebben zij, hoewel zij ze gezien hebben, toch mij en mijn Vader gehaat.'

[20]H. Seesemann, `oligos', TDNT, V, 173.

[21]Hetzelfde werkwoord, thesaurizein, wordt gebruikt als in Matt. 6:19 `Verzamelt u geen schatten ....'.

[22]Volgens de Willibrord Vertaling. Ook Michel vertaalt zo: `sich selbst Zorn wie ein Konto auf den jüngsten Tag ansammle'. O. Michel, Der Brief an die Römer (5e dr., Göttingen, 1978) 114.

[23]Met `alle volkeren' in vs. 32 zijn hier, evenals in Matt. 24:14 en Matt. 28:19 `alle volkstammen der aarde' bedoeld (24:30; Openb.1:7), d.w.z. alle niet tot de gemeente behorende, levende volkeren der wereld. Th. Zahn, Das Evangelium des Matthäus (3e dr., Leipzig, 1910) 684.

[24]Matt.25:37-39. Goppelt spreekt over `einem latenten christentum der Humanität'. L. Goppelt, Theologie des Neuen Testaments (3e dr., Göttingen, 1978) 176. Volgens Jeremias behandelt Jezus met deze gelijkenis de vraag volgens welke maatstaf de heidenen geoordeeld worden.  J. Jeremias, Die Gleichnisse Jesu (6e dr., Göttingen, 1962) 206-207.

[25]Dit is geen onbekend gegeven. Bavinck zegt: `De gereformeerden wilden ten eerste de mate der genade niet vaststellen, waarmee een mens ook onder vele dwalingen en zonden nog aan God verbonden zijn kan, noch den graad der kennis bepalen, die tot zaligheid onmisbaar nodig is. En ten anderen hielden zij staande, dat de middelen der genade niet absoluut noodzakelijk waren tot de zaligheid en dat God ook buiten woord en sacramenten kon wederbaren ten eeuwigen leven ....' K. Schilder, Hel, 202.

[26]Zowel `broeder' (Matt.12:48-49; 23:8; 28:10) als `kleinste'of `geringste' (vgl. 11:25 `kinderkens' en 10:42; 18:6, 10,14 `kleinen') geeft duidelijk aan dat Jezus Zijn discipelen bedoelt, de gelovigen. Jezus spreekt erover hoe de heidenen Zijn volgelingen behandeld hebben, toen ze met het Evangelie door de wereld trokken (24:14). G.E. Ladd, A Theology of the New Testament (2e dr., Grand Rapids, 1975) 206; J.C. Bette, G. van den Brink, H. Courtz, red., Studiebijbel 2. Het evangelie naar Mattheüs (2e dr., Soest, 1989) 623,625

[27]Zo: Th. Zahn, Matthäus, 685-686.

[28] K. Schilder, Hel, 201-202

[29]Hier kunnen we opmerken dat ook bekende kerkvaders en reformatoren hebben gedacht dat God bij het laatste oordeel ook bepaalde heidenen, die geen christen waren geweest, zou vrijspreken. Schilder noemt: Augustinus, Abaelardus, Luther, Melanchton en Zwingli. K. Schilder, Hel, 247.