De hermeneutiek van schriftgeleerden en apostelen

Een onderzoek naar het verschil

drs Gijs van den Brink, 2002 (verkort in Soteria 19/1 (2002) 63-69) 

 

In 1992 verscheen een studie van de hand van David Instone Brewer, waarin hij onderzoek doet naar de joodse regels van uitleg in de tijd vóór 70 na Chr[i]. Het betreft een promotie onderzoek aan de universiteit van Cambridge en het boek werd uitgegeven in de serie Texte und Studien zum Antiken Judentum 30 onder redactie van Martin Hengel en Peter Schäfer.

Het is om meerdere reden een belangrijke studie, maar met name om de hegemonie van de conclusies van G.F. Moore binnen de nieuwtestamentische wetenschap terug te dringen. Wat stelde Moore namelijk in 1927? Hij karakteriseerde de joodse exegese als volgt:

"atomistic exegesis which interprets sentences, clauses, phrases and even single words independently of the context or the historical occasion, ... combines them with other similarly detached utterances and makes use of analogy of expressions, often by purely verbal association".[ii]
En hij voegde hieraan toe: "The interpretation of the Scriptures in the New Testament is of precisely the same kind".

Zestig, zeventig jaar later stemmen de meeste geleerden nog steeds hiermee in en de consequenties zijn verstrekkend. Longenecker bijvoorbeeld stelt in zijn klassieke werk "Biblical Exegesis in the Apostolic Period" (1975) dat we de joodse exegetische methoden die de apostelen gebruiken, niet kunnen en niet mogen overnemen.[iii]

Maar is dit alles terecht? Brewer concludeert na een onderzoek van de bronnen dat de schriftgeleerden van vóór 70 na Chr. de Schrift niet interpreteerden los van de context, dat ze niet zochten naar een diepere bedoeling in de tekst en dat ze de tekstvorm niet aanpasten bij hun interpretatie, hoewel de latere rabbijnen al deze dingen wel deden.

 

Wat heeft Brewer onderzocht?

Hij onderscheid 1. de ‘scribal traditions' van vóór 70 en 2. de ‘non-scribal' tradities.
Onder de tweede categorie bespreekt hij de exegese bij Josefus, in Qumran en bij Philo.
Onder de eerste categorie bespreekt hij:

 

Hoeveel Joodse exegese regels gevonden?

Brewer vindt en beschrijft in totaal 21 interpretatie regels. Hieronder vallen ultra letterlijke tot en met mystieke regels. Hij onderkent dat een preciese scheiding tussen vóór en na 70 niet haalbaar is, maar dat zijn onderzoek het eerste is dat althans een poging doet om de datering te betrekken bij de studie naar de joodse vormen van interpretatie (pg.13). Het jaartal 70 na Chr. geeft dan ook meer het begin van een nieuw tijdperk aan dan van een exacte datering.
Brewer noemt de rabbi's van vóór 70 ‘scribes', schriftgeleerden. Dit om ze te onderscheiden van de latere rabbijnen.

 

Categoriseren van exegetische regels

De 21 gevonden exegetische regels deelt hij in vier categorieën in:

1.       Peshat: de eenvoudige of historische betekenis, i.t.t. de verborgen betekenis

2.       Nomologische regels (van nomos en logos): die de Schrift uitleggen als was het een wetstekst, ervan uitgaande dat de bijbeltekst gelezen dient te worden met de nauwkeurigheid van een contract.

3.       De ultra-letterlijke wijze van uitleg, waarin men een letterlijke interpretatie kiest terwijl het idioom en de context dit duidelijk tegenspreken.  Men isoleert een term of zinswending van de rest van de zin en legt deze uit volgens een letterlijke vooringenomenheid. Zo wordt bijvoorbeeld het onderscheid tussen een geschreven en een mondelinge tora later gebaseerd op het verschil tussen ‘opgeschreven' en ‘onderwijzen' in Exod.24:12. "De Here zeide tot Mozes: Klim op tot Mij, de berg op, en blijf daar, dan zal Ik u de stenen tafelen geven, de wet en het gebod, die Ik opgeschreven heb, om hen te onderwijzen."

4.       De Derash interpretatie, die de verborgen betekenis van een tekst geeft en aan de eenvoudige uitleg geheel voorbij gaat. (Brewer onderkent dat de termen Peshat en Derash anachronistisch gebruikt worden, maar zijn gekozen vanwege de duidelijkheid).

 

Wat is de uitkomst m.b.t. de uitleg van de schriftgeleerden vóór 70?

Een kleine 100 teksten zijn door Brewer onderzocht!.
Hier werd 120 keer een exegese regel gevonden en wel: (pg.159-160)
56 keer een vorm van Peshat, een eenvoudige historische uitleg.
60 keer een vorm van een nomologische benadering.
4 keer een ultra letterlijke uitleg
2 keer een Derash uitleg (verborgen zin).

Het zou bijzonder interessant zijn het NT eens te bestuderen op alle door Brewer besproken 21 regels.
Ook een interessant gegeven is dat de officiële joodse regels voor uitleg, zoals verwoord in de lijsten van Hillel (7 regels), Ishmael (13 regels) en Eliëzer b. Jose HaGelili (32) (pg.226vv), die duidelijk van later datum zijn dan de namen die erbij worden genoemd, veel minder voorkomen dan verwacht.
Die van Hillel 25 keer, Van Ishmael 3 keer  en van Eliëzer 10 keer. Samen 38 keer. De overgrote meerderheid van 57 voorbeelden komt niet in deze officiële lijsten voor.

Hier bevestigt Brewer wat al eerder werd gesteld dat er in de officiële lijsten duidelijk sprake is van een autorisatie achteraf van een selectief aantal, en niet van een weergave van regels die in gebruik waren.

 

Vooronderstellingen van de interpretatie methode van de schriftgeleerden van vóór 70

  1. De Schrift wordt beschouwd als een wetstekst, geschreven door God
  2. De nomologische benadering gaat uit van een goddelijke wetgever, dus tegenstrijdigheden zijn ondenkbaar. De Schrift spreekt zichzelf niet tegen.
  3. Elk onderdeel van de schrift is belangrijk
  4. De Schrift wordt uitgelegd in zijn context
  5. De Schrift heeft geen diepere of verborgen betekenis.
  6. Er is slechts één correcte tekstvorm. Of de tekst, óf de variant is juist, niet beide.

De volgende vraag is, hoe deze conclusies zich verhouden met wat we in het NT vinden?

 

Methoden van Schriftuitleg bij Jezus en de apostelen

We kunnen in de Schriftuitleg van Christus en de apostelen hoofdzakelijk tweeërlei benadering onderscheiden. Enerzijds volgen ze de letterlijke historische benadering van de joodse schriftgeleerden. Anderzijds onderscheiden ze zich van hen door hun actuele pesjer-uitleg.
Eerst over de letterlijke historische benadering:

de betekenis wordt gekend uit de context

Een van de regels van de schriftgeleerden is deze: ‘de betekenis wordt gekend uit de context'. Een duidelijk voorbeeld vinden we in  Hebr.2:(11-)13 `Zie hier Ik en de kinderen die God mij gegeven heeft'. Hier wordt Jes. 8:18 geciteerd en Jezus in de mond gelegd. Maar in het boek Jesaja is Jesaja zelf aan het woord! Hoe zit dat? Jes.8:14-9:6 handelt over de tijd rond de geboorte van de Messias. Een en ander wordt pas duidelijk wanneer we het hele vers bij Jesaja lezen: `Zie ik en de kinderen die mij de Here gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot zinnebeelden onder Israël vanwege de Here der heirscharen, die op de berg Sion woont'.

Uit het ‘tekenen en zinnebeelden' blijkt dat Jesaja en zijn kinderen heenwijzen naar een situatie in de toekomst. De naam van de zoon Spoedig-Roof-Buit-Nabij wijst op een donkere tijd, die van Rest-Terug op een gelovige rest die behouden zal worden. En de naam van Jesaja zelf (de Here is Heil) op de komende Messias (9:1-6). Alleen vanuit de context bij Jesaja wordt duidelijk waarom deze woorden in Hebreeën de Messias in de mond worden gelegd.

 de analogie

Een tweede regel is die van de analogie. Vanuit een overeenkomst wat betreft woordgebruik of situatie worden conclusies getrokken. Een overeenkomst in woordgebruik vinden we bijvoorbeeld in Rom. 4 in het woord ‘toerekenen'. Vanwege een contrast met analoge kenmerken legt Paulus hier twee teksten naast elkaar legt (Gen.15:6 in vs 3 en Ps.32:2 in vs 8). Het geloof dat Abraham tot gerechtigheid werd ‘gerekend' tegenover de zonde die de ‘gezegende mens' niet wordt ‘toegerekend'.

Een overeenkomst in situatie hebben we bijvoorbeeld in Matt. 12. Als de discipelen op sabbat aren plukken en eten en dit op kritiek van de Farizeeën stuit (Matt.12:1vv), wijst Jezus hen op het gedrag van David toen hij in Nob de toonbroden uit de tabernakel at (1Sam.21:2-7). Er waren namelijk enkele overeenkomsten tussen wat David gedaan had en wat de discipelen deden: honger hebben, eten op de sabbat en de wet overtreden.  Uit deze regel en de voorbeelden blijkt niet alleen dat versuitleg en een thematische benadering niet scherp werden onderscheiden, maar ook dat ons onderscheid tussen uitleg en toepassing niet werd gehanteerd. We komen hier later op terug.

qal vachomer, van klein naar groot

Het aspect toepassing brengt ons op een derde joodse uitlegregel die we regelmatig in het NT tegenkomen, die in het Hebreeuws heet qal vachomer en in het Latijn ‘argumentum a minori ad maius', een ‘redenering van klein naar groot'. Wat van toepassing is in een minder belangrijke situatie is zeker van toepassing in een meer belangrijke situatie.

Na het voorbeeld van David die de toonbroden uit de tabernakel at, zegt Jezus ‘méér dan de tempel is hier' (Matt.12:6). En in Rom.5:9-1- trekt Paulus zijn conclusie uit de voorgaande verzen en stelt dat wanneer God in Zijn liefde zo omgaat met zondaren dat Hij zijn zoon gezonden heeft om voor hen te sterven, hoeveel te meer zal Hij dan aan de gerechtvaardigden de eeuwige heerlijkheid schenken. Ook hier zouden wij eerder van ‘toepassing' spreken dan van uitleg.

twee of meer tekstbewijzen

Onder de nomologische benadering valt bijvoorbeeld ook het citeren ‘twee of meer tekstbewijzen'. Bij voorkeur citeert men de bewijsteksten op grond van overeenkomend woordgebruik uit twee of drie verschillende hoofddelen van het OT .

Zo worden bijvoorbeeld door Paulus in Romeinen 10 (vs19-21) de wet (Deut.32) en de profeten (Jes.65) aangehaald. (zie ook bv. Hebr.1:5-6;1:8-13; 2:12-13). Dit combineren van teksten is waarschijnlijk ontwikkeld naar het principe van Deuteronomium 19:15, waar we lezen: ‘op de verklaring van twee of drie getuigen zal een zaak vaststaan'.

Een dergelijke omgang met de Schrift is ook voor moderne lezers niet onbelangrijk, hoewel deze regel meer van toepassing is voor de dogmatiek dan voor de exegese. Hieruit blijkt dat de joodse schriftgeleerden als ook de apostelen geen scherp onderscheid aanlegden tussen een exegetische en een thematische benadering van de Schrift. De exegese zoals wij die bedrijven, houdt zich immers per definitie slechts met één tekstgedeelte bezig.

De meeste regels van de schriftgeleerden en de apostelen komen neer op ‘tekst met tekst vergelijken', waarbij men bijvoorbeeld door teksten te vergelijken een bepaald principe onderkent, of vanuit een specifieke opdracht tot een algemeen principe komt, of vanuit een algemeen principe tot een specifieke opdracht concludeert.

 

Allegorische uitleg?

Op twee plaatsen in het NT lijkt het dat de regels van de schriftgeleerden voor een letterlijke uitleg worden overschreden. Het betreft passages van Paulus in 1Cor.9 en in Gal.4. Paulus lijkt hier de allegorische methode van uitleg toe te passen zoals deze in het hellenistische jodendom bijvoorbeeld door Philo werd bedreven. Omdat deze twee passages uit de toon vallen, moeten we er even bij stilstaan.

In 1Cor.9:9-10 haalt Paulus Deut. 25:4 aan om duidelijk te maken dat de arbeider zijn loon waard is: ‘Gij zult een dorsende os niet muilbanden.' Vervolgens zegt hij dan: ‘Bemoeit God Zich soms met de ossen? Of zegt Hij dit in elk geval om onzentwil?' In hoeverre hier sprake is van een allegorische uitleg die ten koste gaat van een letterlijke, is afhankelijk van de vertaling van pantōs in vers 10. Vertalen we hier met ‘geheel en al' of met ‘in elk geval'?

In het tweede geval zegt Paulus dat dit voorschrift ‘in elk geval', ja zelfs eerder op de mens van toepassing is, omdat de mens meer is dan het dier. In dat geval past Paulus hier een zeer milde vorm van allegorie toe die in de praktijk overeenkomt met de hiervoor genoemde Qal vachomer regel ‘van klein naar groot'.

In Gal. 4:21-31 spreekt Paulus over de diepere zin van de namen en personen van Hagar en Sara, en brengt ze in verband met de berg Sinaï en het hemelse Jeruzalem. Er is echter op gewezen dat de argumentatie van Paulus in deze passage binnen het geheel van 3:1-4:31 duidelijk een secundair karakter draagt. De hier gebruikte allegorie is voor Paulus niet meer en niet minder geweest dan een retorisch stijlmiddel, zoals dat in de oudheid heel gebruikelijk was[iv]. Maar waarom vond Paulus dit nodig? Barrett heeft naar voren gebracht dat het waarschijnlijk komt doordat de situatie van de twee zonen van Abraham door Paulus' tegenstanders werd aangevoerd ter onderbouwing van hun standpunt. Paulus heeft zich daarom genoodzaakt gevoeld om hun argumentatie om te draaien om aan te tonen dat hier juist het Evangelie van de genade wordt ondersteund.[v]

Concluderend kunnen we stellen dat de twee genoemde allegorische uitzonderingen in het NT geen verandering brengen in het eerder geschetste beeld en eerder uitzonderingen zijn die de regel bevestigen.

 

Actuele Pesjer uitleg

 

We vinden in het NT dus verschillende joodse uitlegmethoden zoals die in de eerste eeuw n.Chr. werden gehanteerd. Er is echter één vorm die we al wel in het OT vinden, maar niet tegenkomen in de regels van de schriftgeleerden en dat is de Pesjer.  Omdat deze wijze van uitleg kenmerkend is voor het Nieuwe Testament, geven we hier apart aandacht aan.

Deze vorm wordt door onderzoekers de pesjer  methode genoemd naar aanleiding van de karakteristieke verwoording: ‘dit is de uitleg (pesjer) ..'. of: ‘de uitleg is ...'  of: ‘dit is ...'  zondermeer.

In Jesaja 9:14-15 vinden we deze uitleg bij een openbaring door een godsspraak: ‘Toen sneed de Here op een dag van Israël kop en staart, palmtak en riet af. De oude en aanzienlijke, die is de kop, en de profeet die leugen onderwijst, die is de staart.' In het boek Zacharia komt deze uitleg voor in een visioen, bijvoorbeeld Zach 5:1-3 (vgl. 1:10,19; 5:6), ‘Wederom sloeg ik mijn ogen op, ik zag toe en zie, een vliegende boekrol. Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? Ik antwoordde: Ik zie een vliegende boekrol, die twintig el lang en tien el breed is. Toen zeide hij tot mij: Dit is de vloek die uitgaat over het ganse land:' En in Daniël vinden we haar bij de uitleg van een droom (4:24) en een vreemd handschrift (5:25v). Hier komen we ook de langere versie tegen: ‘dit is de uitlegging ....'

Vervolgens komen we de pesjer wijze van uitleg en de term ‘de uitleg is ...' diverse keren tegen in de geschriften van Qumran[vi]. Hier betreft het echter geen visioenen of dromen, maar bijbelteksten die men een eschatologische duiding geeft, ingeleid met de woorden: ‘de uitleg is ...'

De pesjer wijze van uitleg die we in het NT bij de apostelen tegenkomen lijkt op die van Qumran. Petrus zegt naar aanleiding van de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag: "Dit is het waarover gesproken is door de profeet Joël (Hand.2:16). En in Hand.4:10-11 zegt hij over Jezus Christus: "Dit is de steen door u, de bouwlieden versmaad, die nochtans tot hoeksteen is geworden (Ps.118:22). En Paulus wijst vanuit Ps. 2 (vs. 7 ‘Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt') en Ps. 16 (vs 10 ‘Gij zult uw heilige geen ontbinding doen zien') op de vervulling in Jezus Christus (Hand.13:33,35). En in 2 Cor.6:2 citeert hij Jes. 49:8 ‘ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord en ten dage des heils ben Ik u te hulp gekomen' en zegt vervolgens: ‘zie, nu is het de tijd des welbehagens zie, nu is het de dag des heils.'

 

Verschil met Qumran

Hoewel de manier van uitleg van de apostelen lijkt op die in Qumran, is er ook een essentieel verschil. In Qumran gaat men van de bijbeltekst naar de vervulling, in het Nieuwe Testament gaat men van de vervulling naar de Schrift. En dat is een behoorlijk verschil. Strikt gesproken kun je bij de apostelen niet van een methode van uitleg spreken, maar eerder van inzicht in de vervulling van goddelijke beloften in het heden. De apostelen zien, dit in onderscheid van hun joodse tijdgenoten, de Schrift als een boek met beloften, die `heden' in vervulling gaan.

Deze wijze van Schriftuitleg of toepassing hebben zij van Jezus zelf geleerd. Van de vele voorbeelden geven we er twee. In Matt.11:10 zegt Jezus over Johannes de Doper: ‘Deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen bereiden zal (citaat uit Mal.3:1). En in Luc. 4 (vs 18-19) haalt Jezus Jes.61:1-2 aan: ‘De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren.' Daarna zegt Hij (vs 21): ‘Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld.'

Of en hoe wij hier in onze moderne tijd iets mee kunnen, hebben wij al eerder besproken.[vii] Hier voldoet een constatering.

 

Exegetische vooronderstellingen van de apostelen

Het beschrijven van de regels die de apostelen hanteerden bij de uitleg van de Schrift is niet voldoende om hun hermeneutische benadering van de Schrift afdoende te begrijpen. Voor een goed begrip is het tevens van belang om enig inzicht te hebben in de basale uitgangspunten van hun denken. Het is een algemeen geaccepteerde gedachte dat men iemands ideeën niet echt kan begrijpen wanneer men niet de vooronderstellingen van die persoon heeft leren kennen. Om de hermeneutiek van de apostelen te begrijpen moeten we wijzen op vier basale vooronderstellingen.
Er zijn twee joodse en twee messiaanse of christelijke vooronderstellingen.

collectieve persoonlijkheid

Ten eerste is er de joodse opvatting van de collectieve persoonlijkheid. Hetzelfde begrip kan zowel een collectieve als een individuele aanduiding zijn. De familie of het volk waartoe iemand behoort, is niet beperkt tot de levende leden, maar strekt zich ook uit tot de vroegere en toekomstige leden, omdat de hele groep een eenheid is. Het hele volk kan aangeduid worden met één individu die dan als representatief wordt gezien van het geheel. Deze opvatting is bijvoorbeeld van belang in verband met citaten uit het boek Jesaja die gaan over de ‘lijdende knecht' (Jes. 42; 49; 50 en 53) en de achtergrond van de titel ‘zoon des mensen' (Dan.7).

geschiedenisopvatting

Ten tweede is er de joodse geschiedenisopvatting. Volgens deze opvatting volgt de geschiedenis een patroon dat overeenstemt met Gods plan met Zijn schepping. De geschiedenis verloopt niet volgens een oneindige cyclus van herhalingen, en ontwikkelt of evolueert zich ook niet op een mechanische wijze naar een steeds betere wereld. Men ziet de geschiedenis in al haar ontwikkelingen en specifieke perioden als een product van Gods wil en Zijn plan.

Vanuit deze geschiedenisopvatting is het begrijpelijk dat men voortdurend overeenkomsten ziet en verbanden legt tussen Gods daden in het verleden en het heden, tussen gebeurtenissen toen en nu, tussen personen toen en nu. Het betreft hier dan ook geen toevallige overeenkomsten, maar door God gewilde en bedoelde overeenkomsten. We noemen deze overeenkomsten ‘typologieën'. Het is van essentieel belang deze te onderscheiden van ‘allegorieën'.

Een typologie legt verband tussen gebeurtenissen, personen of dingen in verschillende perioden van de geschiedenis, terwijl een allegorische uitleg de verborgen of diepere betekenis zoekt die achter de gewone betekenis van een woord of een zin ligt. Een voorbeeld van een typologie vinden we bijvoorbeeld in Matt.2:15, waar de verlossing van Israël uit Egypte door Mozes als een type, een schaduw wordt gezien van de verlossing die begint met de komst van de Messias.

eschatologische vervulling

De derde en de vierde vooronderstelling zijn christelijke, of beter gezegd Messiaanse vooronderstellingen. De eerste zouden we die van de ‘eschatologische vervulling' kunnen noemen. De volgelingen van Jezus waren ervan overtuigd dat Hij de Messias was en dat met Zijn komst de laatste dagen en het Messiaanse rijk waren aangebroken. Hoewel men nog een totale doorbraak van dit Rijk verwachtte, was de beslissende aanvang al gebeurd met de opstanding van Jezus. Deze opvatting verklaart de typerende eerder genoemde pesjer-uitleg van het Oude Testament.

aanwezigheid van de Messias

De vierde vooronderstelling kunnen we de aanwezigheid van de Messias noemen. Sinds Zijn opstanding uit de doden is Jezus Christus aanwezig door Zijn Geest in het midden van de gelovigen. Zijn wil is voor hen allesbepalend, ook voor het begrijpen van de Schriften. Voor een jood in de eerste eeuw was het vanzelfsprekend dat wanneer de Messias zou komen, men vanaf dan niet meer naar Mozes en de tora, maar naar de Messias zou luisteren. Zo heeft ook Paulus dit verwoord, als hij zegt: ‘Christus (de messias) is het doel (telos = einddoel) van de wet' (Rom.10:4).

 

Conclusie

Na de uiteenzetting van de uitlegmethode van de apostelen valt direct een punt van overeenkomst op met moderne benaderingen, maar ook een paar verschillen.

Een punt van overeenkomst zien we tussen de aandacht voor de letterlijke betekenis van de bijbeltekst in de regels van de schriftgeleerden die de apostelen gebruiken en de nadruk op historisch onderzoek in de moderne tijd.

Het eerste en grootste verschil is dat het moderne onderzoek de discipline van de ‘interpretatie' scherp onderscheidt van andere zoals ‘systematische theologie', ‘praktische theologie' en ‘homiletiek'. Jezus en de apostelen daarentegen hebben veel meer een holistische benadering, waarin alle aspecten van het lezen van de Schrift bij elkaar worden gehouden. Zonder in te leveren op het belang van de moderne velden van onderzoek die wij toepassen bij het bestuderen van een bijbeltekst, is het van belang de eenzijdigheid hiervan te constateren.

Deze constatering vindt trouwens ook plaats waar men zich verdiept in de Schriftstudie zoals die in de traditie van de Oosters Orthodoxe kerken plaatsvindt[viii]. Hoewel een theologische interpretatie in de Westerse kerken wel bestaat, is deze toch de laatste twee eeuwen duidelijk ondergeschikt geweest aan de historisch-kritische benadering.

 

Wat kunnen we leren?

Wat kunnen wij nu leren van de wijze waarop de apostelen met de Schrift omgingen? We onderkennen bij hen drie aspecten van uitleg die wel onderscheiden, maar niet gescheiden kunnen worden:

  1. Een historische interpretatie
  2. Een theologische interpretatie
  3. Een actuele interpretatie

Wanneer we de vroegchristelijke manier van lezen van de bijbel vergelijken met de Westerse valt de eenzijdige nadruk op een historische interpretatie in de Westerse wereld op. Hoe kunnen we het tweede en derde aspect weer integreren?

Wanneer we op een zinvolle manier, dat wil zeggen een manier waarmee we recht doen aan de bijbelse boodschap, de theologische interpretatie willen bedrijven, zullen we de boven genoemde vooronderstellingen van de nieuwtestamentische schrijvers moeten delen.

  1. In de eerste plaats is er de geloofsopvatting dat Jezus de Messias is die het Messiaanse rijk waarover de profeten spreken heeft ingeluid.
  2. Ten tweede is van belang dat Hij de opgestane Heer is die met Zijn Geest onder ons aanwezig is en ons leidt.
  3. Ten derde dat de geschiedenis in al haar ontwikkelingen door God geleid wordt.
  4. En tot slot het principe van de collectieve persoonlijkheid. Dit laatste staat misschien het meest ver van ons af. Toch is dit principe van essentieel belang om bijvoorbeeld het plaatsvervangend sterven van Christus voor ons te begrijpen.

Voor het derde aspect, de actuele interpretatie, volstaan we met een opmerking van Gordon Fee[ix]. Fee stelt dat de exegetische taak een historisch en een geestelijk aspect heeft. Het geestelijke aspect is de bedoeling die de door de Geest geïnspireerde bijbelschrijver met zijn tekst heeft. "De uiteindelijke taak van de exegeet is niet louter descriptief, maar wil de tekst zo laten horen dat de lezer/hoorder wordt betrokken in de spiritualiteit van de auteur".[x]

 

LITERATUUR

 

D.I. Brewer, Techniques and Assumptions in Jewish Exegesis before 70 CE, Tübingen: Mohr, 1992

J.D.G. Dunn e.a., red., Auslegung der Bibel in orthodoxer und westlicher Perspective (WUNT 130), Tübingen: Mohr Siebeck, 2000.

G. Fee, Listening to the Spirit in the Text, Grand Rapids: Eerdmans, 2000.

R.N. Longenecker, Biblical Exegesis in the Apostolic Period. Eerdmans 1975, herdruk London: Paternoster, 1995

 

 NOTEN



[i] D.I. Brewer, Techniques and Assumptions in Jewish Exegesis before 70 CE, Tübingen: Mohr 1992

[ii] G.F. Moore, Judaïsm in the first Centuries of the Christian Era: The Age of the Tannaim, Vol I (Cambridge 1927-1930) 249-250.

[iii] R.N. Longenecker, Biblical Exegesis in the Apostolic Period (Grand Rapids 1975, London 1995) 218-219

[iv]  R.D. Anderson, ‘Spelen met ongelegen allegorieën. Het gebruik van allegorie bij Paulus in Galaten 4,21-5,1. Een methode van interpretatie?' in: P.H.R. van Houwelingen e.a., red., Exeget[h]isch. Feestbundel voor prof. Dr. J. van Bruggen (Kok: Kampen 2001) 84-104.

[v]  C.K. Barret, ‘The Allegory of Abraham, Sarah and Hagar in the Argument of Galatians' in: J. Friedrich e.a., red, Rechtfertigung; Festschrift für Ernst Käsemann, Tübingen 1976.

[vi] E.E. Ellis, Prophecy and Hermeneutic in Early Christianity (Tübingen 1978) 203-205.

[vii]  G. van den Brink, ‘Interpretatie of toepassing? Over de pesjer methode', Soteria 18,1  lente 2001

[viii]  S. Crisp, ‘Orthodox Biblical Scholarship Between Patristics and Postmodernity: A View from the West', in: J.D.G.Dunn, e.a., red., Auslegung der Bibel (Tübingen 2000) 123-137.

[ix]  Zie verder mijn bijdrage in Soteria 18,1 (noot 5)

[x]  G. Fee, Listening to the Spirit in the Text (Grand Rapids: Eerdmans, 2000) 11.