Hermeneutiek: velden en principes van exegese

©  copyright  1998 drs Gijs van den Brink

 

 

Velden van exegetisch onderzoek

 

Definitie van exegese

De uitlegkunde of met een moeilijk woord, de hermeneutiek, staat in onze tijd enorm in de belangstelling. De hermeneutiek behandelt, eenvoudig gezegd, de regels die men moet volgen om tot de juiste uitleg van de Bijbel te komen. Hermeneutiek is belangrijk, want je hoort nogal eens de uitlating ‘de een zegt dit, de ander dat'. Dat zo'n relativerende opvatting het gezag van de Bijbel behoorlijk ondermijnt, zal een ieder duidelijk zijn.

We zullen aan de hand van een concrete tekst, Matteüs 26:32, de verschillende velden van exegetisch onderzoek bespreken en in het volgende hoofdstuk ingaan op principes en vooronderstellingen. Voordat we overgaan tot het bespreken van de verschillende aandachtsgebieden van de exegese moeten we echter deze discipline afgrenzen van de dogmatiek en de homiletiek.

De dogmatiek of systematische theologie bespreekt een thema, een onderwerp, zoals God, Israël, doop etc. De exegese daarentegen behandelt een bijbelvers, een perikoop of een boek. De exegese levert daarom de bouwstenen voor de dogmatiek. De systematische theologie vraagt: wat kan uit dit vers geconcludeerd worden over het thema. De exegese vraagt: wat zégt dit vers. Waar deze twee te weinig onderscheiden worden, leidt dit snel tot een laten buikspreken van de Bijbel.

Ook het verschil tussen exegese en homiletiek, de leer van de prediking, moet duidelijk zijn. De homileet, de verkondiger van het Woord, vraagt: wat zegt het bijbelvers ons. De exegeet vraagt: wat zei het vers de eerste hoorder. De prediker is gericht op het actuele, de uitlegger op het historische aspect. Als de prediking niet gebaseerd is op een goede exegese is het gevaar van terugval in de kerkgebonden uitleg van voor de Reformatie erg groot.

We gaan nu over tot het analyseren van Matteüs 26:32, waar de Here Jezus het volgende zegt: ‘Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea'. De analyse is de voorstudie, die nodig is om tot een goede interpretatie van het vers te komen.

 

Tekstueel onderzoek

 

Het eerste aandachtsgebied is de Griekse tekst. Van het NT zijn meer dan 5000 handschriften bekend, die hier en daar verschillen vertonen. De wetenschap van de tekstvaststelling vergelijkt handschriften om de meest betrouwbare tekst te bepalen. Met betrekking tot Matteüs 26:32 vertonen zowel de meeste als de oudste handschriften een volledige éénstemmigheid[1].

Dat is bijvoorbeeld niet het geval in Matt. 18:l5[2]. Het verschil in tekstoverlevering komt daar ook tot uiting in de vertalingen. De NBG‑vertaling van 1951 heeft: ‘Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen'. De Statenvertaling heeft: ‘Indien uw broeder tegen u gezondigd heeft'. Een tekst met of zonder ‘tegen u' geeft een verschillende betekenis. De Statenvertaling spreekt over een geschil tussen broeders, de Nieuwe Vertaling over zondigen tegen God. Het is dus van belang met tekstuele criteria de oorspronkelijke tekst vast te stellen, voordat men tot de uitleg overgaat.

 

Taalkundig onderzoek

 

Het tweede veld van onderzoek is de Griekse taal, die overgezet moet worden in de Nederlandse. Ook dit is een exegetische activiteit. Uitleggen begint met vertalen. Dit blijkt ook in Matteüs 26:32. De Statenvertaling vertaalt met ‘nadat Ik zal opgestaan zijn', de NieuweVertaling met ‘nadat Ik zal zijn opgewekt', de Groot Nieuws Bijbel met ‘wanneer ik door God ben opgewekt' en de Willibrordvertaling met ‘na mijn verrijzenis'.

In de Statenvertaling wordt de verrijzenis beschreven als een daad van Jezus, in de Nieuwe Vertaling als de daad van een ander, in de Groot Nieuws Bijbel als een daad van God en de Willibrordvertaling houdt het neutraal. Wie heeft nu gelijk? Het Griekse werkwoord staat in een passieve vorm (aor. inf. pass.). Het was kenmerkend voor Jezus deze passieve werkwoordsvorm te gebruiken om het handelen van God te omschrijven[3]. De Groot Nieuws Bijbel heeft hier dus een goede vertaling.

Vervolgens is van belang dat het Griekse woord, dat met ‘voorgaan' vertaald is, een typische herdersterm is[4]. Dit geeft aan dat ons vers het beeld uit het vorige vers, vers 31, voortzet. Daar haalt Jezus de profeet Zacharia aan en zegt: ‘Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden'. De belofte in vers 32 sluit dus direct aan bij de profetie uit vers 31. De band tussen beide verzen is verder ook aangegeven door het voegwoo­rd ‘maar'. Op het belang van deze band komen we straks terug.

 

Historisch onderzoek

 

Het derde veld van onderzoek is de historische context. Zijn er historische gegevens op het gebied van o.a. geografie, cultuur of politiek en godsdienst, die licht werpen op de betekenis van het vers? Met betrekking tot ons vers is beweerd dat Galilea niet de bekende provincie in het noord‑oosten van Israël zou zijn, maar een dorpje in de nabijheid van Jeruzalem[5]. Dit voorstel moet echter afgewezen worden, omdat ons noch uit bijbelse, noch uit buitenbijbelse bronnen een dorp met die naam bekend is.

Maar de godsdienstige context voegt wel nieuwe gegevens toe aan ons inzicht hoe de eerste hoorders, de discipelen, de woorden van Jezus begrepen hebben. De opstanding is namelijk in het Oude Testament (Jesaja 26:19; Daniel 12:2) en in de joodse traditie[6] een eschatologisch gebeuren, d.w.z. betrokken op de eindtijd en verbonden met de komst van het Messiaanse Rijk.

Vervolgens wist men uit Ezechiël 34 dat, als de herders, de leiders van Israël, onbetrouwbaar zijn geworden, God hen zal bezoeken (Ezechiël 34:1‑10, vgl. Jeremia 2:8; 23:2); dat God zelf de taak van herder zal overnemen en de verstrooide kudde zal verzamelen en weiden (Ezechiël 34:11‑22, vgl. Jeremia 23:3; 31:10); en dat Hij dan één herder zal aanstellen om zijn volk te weiden, namelijk zijn knecht David, de Messias (Ezechiël 34:23).

Tegen deze historische achtergrond is het duidelijk dat de discipelen deze woorden van Jezus zo hebben begrepen dat de laatste dagen, namelijk de dagen van de opstanding der doden, waren aangebroken en dat Jezus de Messias was, de éne herder, die voortaan de kudde zou weiden.

 

Genre‑onderzoek

 

Een vierde veld van onderzoek is de vorm, de stijl van de tekst. Het maakt namelijk een heel verschil voor de betekenis van een tekst of deze bijvoorbeeld in een historisch overzicht staat of in een apocalyptisch visioen of in een gelijkenis. Dat is duidelijk. Maar ook minder bekende verschillen in stijl hebben consequenties voor de uitleg, zoals bijvoorbeeld de vorm van een profetisch woord, een wijsheidsspreuk of een wet. Ook voor ons vers in Matteüs 26 is dit genre‑onderzoek relevant en wel met betrekking tot de uitleg van ‘opwekken'.

Het opwekken kan namelijk op zich geestelijk bedoeld zijn (Ezech 37) of over een louter lichamelijke opwekking spreken (Mat. 9:25). Hebben de discipelen kunnen begrijpen over welke soort opstanding Jezus hier sprak? Naar alle waarschijnlijkheid wel. Jezus spreekt hier namelijk niet als een wijsheidsleraar of een rabbi, maar als een profeet. De woorden in Matteüs 26:31 en 32 hebben de vorm van een profetische aankondiging van de toekomst.

Eerst zegt Hij: ‘Jullie allen zullen mij in deze nacht ontrouw worden' en daarna: ‘Ik zal jullie voorgaan naar Galilea'. Mede door deze vorm hebben de discipelen in deze woorden van Jezus een profetische voorzegging gehoord, die aanknoopt bij oudtestamentische profetieën. Daarom hebben zij geweten dat Jezus niet sprak over een geestelijke opwekking en ook niet over een louter lichamelijke opstanding in het heden, maar over een toekomstige escha­tologische opstanding, een opstanding die verband houdt met de beloofde Messiaanse tijd in de laatste dagen.

 

Bronnenonderzoek

 

Een vijfde veld van onderzoek dat met name in de evangeliën van belang is, is het bronnenonderzoek. In de evangeliën bezitten wij vier onafhankelijke verslagen van de woorden en werken van JezusChristus. Waar de evangeliën dezelfde stof behandelen is het daarom van belang de parallelle teksten te bestuderen. Wat ons vers betreft levert dit onderzoek niet veel op. Matteüs 26:32 komt niet voor in het evangelie naar Lucas en het evangelie naar Johannes. Alleen Matteü s en Marcus geven het en wel in dezelfde context en op het woordje ‘maar' na in dezelfde woorden.

 

Redactioneel onderzoek

 

Een zesde veld van onderzoek is de redactie van de schrijver. Dat dit een apart aandachtsgebied is volgt direct uit het gegeven dat alle evange­liën het onderscheid kennen tussen een woordelijk citeren van Jezus en het verslag van de evangelist over Jezus. Ook het verschil tussen de vier evangeliën in verwoording en ordening van gegevens vraagt om dit onderzoek. Deze studie omvat twee terreinen, de literaire context en de heilshistorische context.

Literaire context

De literaire context van een bijbelvers is een perikoop, een hoofdstuk of zelfs een heel bijbelboek. De heilshistorische context omvat het geopenbaarde heilsplan van God. Met betrekking tot ons vers zijn beide terreinen relevant. De literaire context van het evangelie naar Matteüs geeft aan dat de woorden ‘doch nadat Ik zal zijnopgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea' vervuld worden tussen Jezus' opstanding en hemelvaart.

Want in Mat. 28:7b zegt de engel bij het graf tot de vrouwen: ‘Gaat terstond op weg en zegt zijn discipelen, dat Hij is opgewekt uit de doden. En zie, Hij gaat u voor naar Galilea (Jezus herhaalt dit bij zijn verschijning aan Maria, Matt. 28:10). En in Matteüs 28:16 lezen we: ‘En de elf discipelen vertrokken naar Galilea ... waar Jezus hen bescheiden had'.

En als we dit gebeuren nu vanuit het perspectief van de heilsgeschiedenis bezien dan valt het op dat Jezus bij deze verschijning in Galilea zijn discipelen het zendingsbevel gaf waarin Hij zegt: ‘Maakt al de volken tot mijn discipelen ... en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb' (Mat. 28:19). Dit geeft aan dat Galilea in de aankondiging van Jezus niet slechts een geografische betekenis had, maar ook een inhoudelijke. Het was de plaats waar Jezus leefde en werkte in tegenstelling tot Jeruzalem, waar Hij stierf. Zijn dood was éénmalig, maar zijn werken moeten doorgaan.

Heilshistorische context

Het heilshistorisch perspectief geeft echter nog een tweede lijn aan, nu niet voorwaarts, maar achterwaarts. We hebben al gezegd dat Matteüs 26 vers 31 en 32 een éénheid vormen en dat vers 31 Zacharia 13:7b aanhaalt. Heel Zacharia 13:7 luidt als volgt: ‘Zwaard, ontwaak tegen mijnen herder en tegen den man, die mijn metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen; sla dien herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal mijne hand tot de kleine wenden (SV)[7].

Bijbelgeleerden hebben erop gewezen dat Matteüs 26:32 een vrije weergave is van de laatste regel van Zacharia13:7, namelijk ‘Ik zal mijn hand tot de kleinen wenden[8]. Maar wat betekent deze zin? In Zacharia 13 wordt het nader uitgelegd in vers 8 en 9, waar we lezen dat een derde van het volk zal overblijven en dat dit derde deel, dit overblijfsel de naam van God zal aanroepen; en dan zal de Heer zeggen: ‘Dit is mijn volk' en zij zullen zeggen: ‘de Here is mijn God'.

Vanuit Zacharia 13 kunnen we nu twee opmerkingen maken die van belang zijn voor de interpretatie van Matteüs 26:32. Ten eerste dat het verzamelen van de discipelen in Galilea het begin is van de vervulling van de profetie over het overblijfsel. De discipelen van Jezus vormen het gelovig overblijfsel, waarover Zacharia en de andere profeten spreken ( Micha 4:7; 5:6‑7; Sefanja 3:11‑13 e.a.).

De discipelen van Jezus zijn de gelovige rest, die overblijft na het oordeel van God. Ten tweede moeten we de opstanding en het voorgaan van Jezus in ons vers zien in het licht van de profetieën van Zacharia, waar wordt gesproken over een herder, die door het volk doorstoken wordt (Zach. 12:10; vgl. Mat. 26:31), maar wiens dood leidt tot de heilstijd (Zach. 13:1‑6). Met andere woorden: met de ‘opstanding' en het ‘voorgaan' van Jezus neemt in beginsel de beloofde heilstijd een aanvang[9].

We zijn aan het einde gekomen van onze weg langs de zes velden van exegetisch onderzoek. We sommen de aandachtsgebieden nog één keer op: het bestuderen van de tekst, de taal, de historische achtergronden, de vorm, de bronnen en de redactie van het tekstgedeelte. We hebben een voorbeeld gegeven van het analyseren van een bijbelvers. Het zal duidelijk zijn dat er verschillende keuzen gemaakt moeten worden om tot een goede interpretatie te komen. In het volgende hoofdstuk zullen we daarom ingaan op vooronderstellingen en principes van de exegese.

 

 

Vooronderstellingen en principes van exegese

 

Verschillende exegetische benaderingen

 

Bestaat er een wetenschappelijke bijbelgetrouwe exegese? Deze vraag is minder vreemd dan hij lijkt. Velen denken namelijk dat wetenschappelijk en bijbelgetrouw kenmerken zijn, die elkaar uitsluiten. Dit komt met name omdat men ‘wetenschappelijk' associeert met waardevrij en ‘bijbelgetrouw' met geloofsovertuiging. Deze associaties zijn echter niet terecht. Ik wil dat laten zien door in te gaan op verschillende vooronderstellingen die een rol spelen bij het interpreteren van een bijbelvers. Er bestaan namelijk verschillende exegetische benaderingen.

In 1953 schreef de Amerikaan Abrams zijn bekende boek The Mirror and the Lamp. In de inleiding[10] geeft hij een prachtige en eenvoudige uiteenzetting van de verschillende componenten die van betekenis zijn voor de beoordeling van een kunstwerk in het algemeen. Hij onderscheidt er vier, namelijk: het kunstwerk zelf, de werkelijkheid of het universum, de kunstenaar en het publiek. Deze componenten nu spelen ook alle een rol bij de beoordeling van het literaire kunstwerk en dus ook bij de exegese van de bijbel[11].

De onderdelen zijn in het laatste geval ten eerste de bijbeltekst; ten tweede de werkelijkheid, d.w.z. de historische gebeurtenissen en goddelijke waarheden; ten derde de bijbelschrijver en ten vierde de hoorder of lezer. Deze vier onderdelen verklaren de verschillen, die er bestaan in exegetische benadering. De exegese kan zich namelijk op één van deze vier meer dan op de andere concentreren.

Zo stond in de voorkritische tijd de werkelijkheid centraal. Men las een tekst om zijn informatie over de werkelijkheid. Dit veranderde met de komst van de historisch‑kritische exegese. Het gaat dan met name om de bedoeling van de schrijver, om de auteursintentie. De lezer of hoorder krijgt een enorme aandacht in de zogenaamde ‘materialistische' exegese, die een grote rol speelt in bevrijdingstheologieën. Hier wordt het volgende gesteld: dé boodschap van de tekst bestaat niet, alleen diverse lezingen, diverse interpretaties van de tekst, waarbij de interpretatie afhankelijk is van de context van de hoorder. Het laatste onderdeel, de tekst zelf, wordt opgeëist door de zogenaamde ‘structuralistische' exegese, die de andere drie componenten denkt te kunnen afwerpen en zichzelf presenteert als ‘objective criticism'. Maar wat is nu een bijbelgetrouwe benadering?

 

Bijbelgetrouwe benadering 

 

Alle benaderingen hebben het uitgangspunt van de tekst gemeen, maar ze verschillen in hun visie op de functie van de tekst. Voor een ieder die gelooft dat de bijbel het Woord van God is, komt de functie van de bijbeltekst overeen met de algemene opvatting van de voorkritische tijd. De bijbel geeft informatie over Gods werkelijkheid. De gelovige exegeet wil uiteindelijk uitleggen wat God aan de gemeente en aan de wereld te zeggen heeft. Maar hoe zit het nu met de plaats van de schrij­ver en de lezer? Het is voor ons in verband met wetenschappelijke kennis niet mogelijk deze gebieden te negeren, zoals dat in de voorkritische tijd gebeurde. Maar het is eveneens onmogelijk ze als uitgangspunt of doel van de exegese te zien, want in onze optiek is de tekst uitgangspunt en Gods werkelijkheid het doel.

Dan blijft over beide te zien als middel tot het kennen van de woorden en werken van God. Wat de auteur betreft, is het niet moeilijk in te zien dat zaken als bijvoorbeeld de taal van de schrijver van belang zijn voor de betekenis van de bijbeltekst. Maar hoe zit het met de functie van de lezer of de hoorder? Hier zijn twee dingen van fundamenteel belang.

Ten eerste moet de lezer, of de exegeet, objectiviteit nastreven. Hij moet naspeuren hoe de eerste hoorder de woorden heeft gehoord. Dit kan door historisch onderzoek te doen naar de context, ook de geloofscontext van de eerste hoorder. Ten tweede speelt het persoonlijk geloof van de uitlegger een rol. Een ongelovige exegeet zal spreken over mythen en theologische ideeën van de bijbelschrijver, daar waar het gaat over heilshistorische gebeurtenissen en goddelijke waarheden.

De bijbelgetrouwe benadering heeft dus de bijbeltekst als uitgangspunt, de schrijver en lezer als middel en het kennen van de goddelijke werkelijkheid als doel.

 

Historiciteit 

 

Als we het over de zojuist genoemde benadering eens zijn, betekent dit nog niet dat we in de praktijk van het exegetiseren ook dezelfde principes hanteren. We moeten ook een aantal velden van exegetisch onderzoek bekijken op het gebied van vooronderstellingen[12].

Het meest bekend zijn de verschillen in benadering bij het historisch onderzoek. We zullen hier dan ook iets uitvoeriger op ingaan.We hebben te maken met het probleem van de historiciteit en authenticiteit van beschreven gebeurtenissen en gesproken woorden. Met betrekking tot de evangeliën leeft bij velen de vraag: heeft Jezus deze woorden werkelijk zelf gesproken? Centraal in deze discussie staan de diverse criteria, die men aanwendt om de echtheid te bewijzen.

De moderne kritische bijbelwetenschap (de ‘histo­risch‑kritische' exegese, m.n. de scholen van de ‘Formgeschichte' en ‘Redaktionsgeschichte') heeft voornamelijk twee criteria: het ‘meervoudig getuigenis' en het ‘criterium van ongelijkheid'. Het eerste geeft aan dat een tekst in verschillende onafhankelijke bronnen voorkomt. Het tweede dat de inhoud van een uitspraak van Jezus niet overeenstemt met het gedachtegoed van het jodendom of de vroege kerk. Er is op deze criteria heel wat kritiek te leveren[13]. De meest fundamentele kritiek is dat wij in de lijn van de moderne wetenschapsfilosofie van mening zijn dat niet de echtheid aangetoond moet worden, maar de onechtheid[14]. De betrouwbaarheid van de overgeleverde teksten moet niet geverifieerd worden, maar gefalsificeerd. Er moet bewezen worden dat de teksten geen betrouwbare voorstelling van zaken geven. Dat betekent dat de bewijslast bij de critici ligt.

Geschiedkundigen kennen twee basiscriteria voor het aantonen van onbetrouwbare informatie. Ten eerste gebrek aan correspondentie met de werkelijkheid. Dit is bijvoorbeeld het geval bij tegenbewijzen vanuit de archeologie (en bijv. bij anachronismen). Ten tweede gebrek aan coherentie, aan overeenstemming met andere tekstgegevens, bijvoorbeeld bij tegenstrijdigheid met de context.

Laten we het verschil tussen verificatie en falsificatie eens verduidelijken door beide toe te passen op het zendingsbevel van Jezus in Matteüs 28:16vv. Volgens de onderzoekers die de echtheid van deze woorden van Jezus bewezen willen zien door met name de criteria van ‘meervoudig getuigenis' en van ‘ongelijkheid' is het zendingsbevel niet authentiek. We treffen het namelijk alleen aan in Matteüs 28 en het komt door de trinitarische doopformule sterk overeen met de vroegchristelijke gemeentetheologie.

Zij die de onechtheid van de woorden willen aantonen brengen met name twee punten naar voren. Ten eerste dat Matteüs 28 met zijn verschijning van Jezus in Galilea niet zou overeenstemmen met het evangelie naar Lucas, dat alleen verschijningen bij Jeruzalem meldt. Ten tweede dat uit de zendingsmotivatie van de apostelen in het boek Handelingen en de brieven niet blijkt dat zij deze woorden van Jezus kenden. De vraag of deze tegenwerpingen steekhoudend zijn, is nu niet aan de orde[15]. Het gaat ons om het verschil tussen beide benaderingen: de verificatie gaat er in eerste instantie van uit dat de woorden van Jezus niet betrouwbaar zijn. De falsificatie daarentegen dat deze in eerste instantie wel betrouwbaar zijn.

 

Velden van exegetisch onderzoek 

 

Na deze bespreking van de historiciteit moeten we ook kort de hypothetische aspecten van de velden van exegetisch onderzoek onder de loep nemen. Onder historisch onderzoek valt ook het godsdiensthistorisch onderzoek, dat heel nuttig is als onderzoek naar de godsdienstige context van de hoorders. Maar zeer hypothetisch en gevaarlijk wordt het als deze studie uitgroeit tot een fenomenologische benadering, waarbij verschijnselen uit heidense religies worden gebruikt om bijbelse gegevens te verduidelijken. Bijvoorbeeld de mysteriegodsdiensten om de doopleer van Paulus te verhelderen of extatische verschijnselen in hellenistische religies om de gaven van vreemde talen te begrijpen.

Ook het bronnenonderzoek kent hypothetische varianten. Het NT geeft ons in de evangeliën vier bronnen, die ons informeren over het aardse leven van Jezus Christus. Dit is legitiem. Maar de moderne bijbelwetenschap gaat doorgaans uit van één of andere theorie van literaire afhankelijkheid, waarbij de éne evangelist de andere heeft overgeschreven en aangevuld of ingekort. Zeer populair is de tweebronnentheorie, die stelt dat Matteüs en Lucas Marcus gebruikt hebben en daarnaast nog een andere bron, die men Q noemt. Het behoeft geen betoog dat het onjuist is de uitleg van een evangelietekst te baseren op een onzekere hypothese.

Vervolgens is ook het vormonderzoek niet éénduidig. Naast het waardevolle onderzoek naar de stijlvorm van de tekst, wordt het ook gebruikt als traditiehistorisch onderzoek. Een uitspraak van Jezus wordt dan gevolgd in zijn overlevering in diverse contexten, namelijk die van de historische Jezus, de palestijnse gemeente, de hellenistische gemeente, de bron Q en het evangelieboek. Telkens zou de uitspraak veranderen of tenminste een andere betekenis krijgen. Ook dit dient zich aan als wetenschap, maar het is zeer aanvechtbaar[16]. De evangeliën maken alleen onderscheid tussen woorden van Jezus en woorden van de evangelist.

Ook het redactioneel onderzoek, dat het vers in zijn literaire context bestudeert, kan ontsporen als men dit verabsoluteert, d.w.z. als er niet tegelijk ook oog is voor bronnenonderzoek en historisch onderzoek. Men vervalt dan tot louter theologie van de schrijver zonder relatie met de historische werkelijkheid.

Zelfs het tekstuele onderzoek is niet waardevrij. De waarde van tekstuele argumenten is afhankelijk van een drievoudige keuze. Ten eerste op het gebied van theorievorming met betrekking tot historische gegevens. In hoeverre is het spreidings‑ en vermenigvuldigingsproces beïnvloed door historische gebeurtenissen, zodat niet meer van een normaal verlopend proces sprake is. Ten tweede de keuze met betrekking tot de methode van onderzoek. Gaat men meer uit van het externe getuigenis, dus van handschriften, of van het interne getuigenis, van afzonderlijke lezingen binnen handschriften. De derde keuze ligt op het vlak van de geloofsleer. Hoe is de houding met betrekking tot canon en inspiratie van de bijbeltekst[17].

 

Tekstanalyse en tekstinterpretatie

Vervolgens moeten we een belangrijk onderscheid bespreken, namelijk het verschil tussen tekstanalyse en tekstinterpretatie. Het analyseren van een tekst, zoals dat in het vorige hoofdstuk aan de hand van Matteüs 26:32 is gedaan, kunnen we beschouwen als een exegetische voorstudie, waarin de tekstfeiten worden verzameld. Op grond van deze feiten moet daarna een voorstel tot interpretatie worden gedaan. De literatuurwetenschapper Oversteegen difinieert als volgt: Een interpretatie is een voorstel tot ordening van tekstgegevens. Interpreteren bestaat uit het ordenen van de verzamelde gegevens tot één betekenissamenhang en het maken van keuzen uit de verschillende mogelijkheden, die de analyse oplevert[18].

Bij dit laatste moeten we even stilstaan. Als de voorstudie aanleiding geeft tot verschillende interpretatie-mogelijkheden, blijven we hiermee dan zitten of zijn er goede en slechte interpretaties? Oversteegen noemt vier criteria om tot de meest aannemelijke interpretatie van een tekst te komen[19].

Ten eerste het criterium van de feitendekking. De interpretatie moet aan zoveel mogelijk tekstgegevens rechtdoen.
Ten tweede verdient een eenvoudige uitleg de voorkeur boven een gecompliceerde.
Ten derde moeten alle elementen van de tekst zo volledig mogelijk op gelijk niveau geïntegreerd worden.
Ten vierde is er de bedoeling van de auteur, die de ene uitleg waarschijnlijker maakt dan de andere.
Met betrekking tot de bijbel moeten we hieraan twee criteria toevoegen.
Ten eerste de canon‑coherentie, d.w.z.: wordt een bepaalde interpretatie door andere schriftplaatsen gesteund?
Ten tweede de geloofservaring van de exegeet. Dezelfde Geest die de bijbelschrijvers inspireerde woont ook in de gelovige onderzoekers van vandaag. Deze laatste twee criteria kan men ook Woord en Geest noemen. Zij spelen niet zozeer een rol bij het analyseren van een tekst, maar wel bij het maken van een keuze in het geval van verschillende interpretatie-mogelijkheden.

Het Schrift met Schrift vergelijken en de verlichting van de Heilige Geest zijn dus niet de enige methoden van bijbeluitleg, maar welde laatste criteria voor de meest aannemelijke uitleg van de bijbel.

 

 



[1] Wel wordt het hele vers gemist in het Fayyum fragment van het Rainer papyrus, maar dit wordt beter verklaard door het schrappen van een onbegrijpelijke tekst dan als bewijs van oorspronkelijkheid. D. Hill, The Gospel of Matthew (2e dr.,London, 1982) 340. Verder mist één papyrushandschrift (P 53) het lidwoord to en één minuskel (=kleinletterhandschrift ‑ 565) heeft de aanvulling: ‘en daar zult gij mij zien'. Maar beide lezingen vormen de enige uitzondering en de aanvulling is waarschijnlijk ontstaan i.v.m. Mat. 28:10.

[2] De belangrijkste handschriften van het Byzantijnse teksttype lezen   (tegen u) na zondigen en die van het Egyptische teksttype laten het weg. Lees ook bv Mat. 5:44 en 11:l9 in NBG en SV om een verschil in vertaalde grondtekst waar te nemen. Voor een heldere uiteenzetting van de vragen rondom handschriftenen tekstkritiek zie: J. van Bruggen, De tekst van het Nieuwe Testament, Groningen, 1976.

[3] Jeremias spreekt over een passivum divinum: J. Jeremias, Neutestamentliche Theologie, I (2e dr., Gütersloh, 1973) 20‑24.

[4] J. Jeremias, ‘poimen', TDNT, VI, 493.

[5] R. Hofman, geciteerd door Zahn; Th. Zahn, Das Evangelium des Matthäus (3e dr., Leipzig, 1910) 699.

[6] D.S. Russell, Tussen Maleachi en Mattheüs, M.C.W. Wegeling, vert. (Den Haag,1962) 122‑127.

[7] De NBG vertaling van 1951 heeft de laatste regel anders vertaald: ‘Ik zal mijn hand keren tegen de kleinen'. De keuze van de SV lijkt ons de beste i.v.m. de analogie met vs. 8 en 9, waar ook het tweede versdeel een positieve belofte heeft. Zie C.F. Keil, ‘Minor Prophets' in: C.F. Keil and F. Delitzsch, red., Comnmentary on the Old Testament, X. J. Martin, vert., herdr., Grand Rapids, 1975

[8] C.F. Kcil, a.w., ad loc.;  J. Jeremias, ‘poimen', TDNT, Vl, 492‑493.

[9] Dat deze heilstijd in het heden een voorlopig karakter heeft, wordt duidelijk bij een studie van het begrip ‘Koninkrijk Gods' in de evangeliën. Voor een evenwichti­ge bespreking, zie G.E. Ladd, The Presence of the Future, Grand Rapids, 1974.

[10] M.H. Abrams, The Mirror and the Lamp. Romantic Theory and the Critical Tradition (New York, 1953) 6‑7.

[11] J. Barton, ‘Classifying Biblical Criticism', Journal for the Study of the Old Testament 29 (1984) 19‑35.

[12] Een uitvoerige en goede bespreking vindt men in I.H. Marshall, red., New Testament Interpretation, Exeter, 1977.

[13] Een uitstekend artikel over deze problematiek m.b.t. de evangeliën geeft: S.C.Goe­tz and C.L. Blomberg, ‘The Burden of Proof', Journal for the Study of the New Testament 11 (1981) 39‑63. Zij noemen wel 12 criteria, maar verwerpen er minstens 7.

[14] K.R. Popper, ‘Unity of Method in the Natural and Social Sciences' in: The Poverty of Historicism, 2e dr., New York, 1964.

[15]  Tegen de eerste poging tot falsificatie kunnen we inbrengen, dat niet alleen Matteüs, maar ook Marcus verschijningen van Jezus in Galilea noemt (Mar.14:28; 16:7). Het is verder niet vreemd en zeker niet tegenstrijdig dat Jezus zijndiscipelen ook in Galilea is verschenen, de provincie die zo'n belangrijke rol speelde in zijn aardse bediening. Het feit dat we in Handelingen nergens een herinnering aan het zendingsbevel tegenkomen kan verklaard worden tegen de achtergrond van het OT. De OT-ische verwachting was dat alle volkeren naar Jeruzalem zouden k­omen. Zie J. Jeremias, Jesu Verheissung für die Völker, 2e dr., Stuttgar­t, 1959. We concluderen dat het bewijs voor de onechtheid van deze woorden van Jezus niet overtuigend is.

[16] Het onderscheid tussen een palestijns en een hellenistisch jodendom is onhoudbaar, zie: M. Hengel, Judentum und Hellenismus (2e dr., Tübingen, 1973) 191‑195, 565‑570.

[17] Voor twee verschillende benaderingen zie: J. v. Bruggen, De Tekst van het Nieuwe Testament, Groningen, 1976 en K. Aland and B. Aland, The Text of the New Testament. F. Rhodes, vert., Grand Rapids/Leiden, 1987.

[18] J.J. Oversteegen, Beperkingen (Utrecht, 1982) 204.

[19] J.J. Oversteegen, Lampas IV, 2/4 (1971) 132‑146.