Het Koninkrijk van God in de prediking van Jezus

Is het al gekomen of nog niet?

 

Gijs van den Brink, Studiebijbel Magazine 1/1-2, 2007

 

Waarover hebben Jezus en de apostelen het eigenlijk als zij het ‘Koninkrijk van God' prediken? Volgens samenvattingen in de evangeliën is het Koninkrijk van God de inhoud van Jezus' boodschap. ‘En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea om het evangelie Gods te prediken, en Hij zeide: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen.' (Marc. 1:14-15).

Sommigen stellen dat het Koninkrijk alleen toekomstig is. In een liberale versie is dit sinds Albert Schweitzer een toekomst die wel beloofd, maar niet gekomen is. In een conservatieve dispensationalistische versie wordt het Koninkrijk beperkt tot het duizendjarig vrederijk.

Volgens het traditioneel reformatorische en katholieke standpunt gaat het Koninkrijk van God over het altijd aanwezige koningschap van God en is het Rijk boven en verborgen. Het thema wordt dan ook in de oudere dogmatieken besproken onder het hoofdstuk ‘providentia', Gods voorzienigheid en besturing, niet onder het hoofdstuk ‘leer van de laatste dingen'.

Spiritualistische stromingen in alle denominaties interpreteren het Rijk op hun beurt weer geestelijk en innerlijk. Dit was de hoofdgedachte in de 19e eeuw: het Koninkrijk als ethisch beginsel (gebaseerd op de filosofie van Kant).

 

Woordgebruik

 

Bij Mattheüs en bijna uitsluitend bij hem, maar ook bijvoorbeeld in het joods-christelijk evangelie der Nazoreeërs, vinden we de term ‘Koninkrijk der hemelen'. Dit is inhoudelijk identiek aan ‘Koninkrijk van God', blijkens de parallelteksten. De reden van dit synoniem is de joodse huiver de naam van God uit te spreken. ‘Hemelen' is voor joden een gebruikelijke omschrijving van God. Hieruit blijkt ook dat de joden met de term malkuth sjamaim niet een territoriale bedoeling hadden, zoals de hemel als Gods koninkrijk. Het gaat bij de term om Gods koningschap, om Zijn koninklijke heerschappij over alle dingen.

 

Twee aspecten in het OT

 

De term wordt in het Nieuwe Testament nergens uitgelegd, waaruit we opmaken dat zij bekend werd voorondersteld. Om een begrip te krijgen hoe de eerste hoorders in de eerste eeuw in Israël de boodschap van Jezus verstaan hebben, zullen we naar het Oude Testament en joodse geschriften uit die tijd moeten kijken.

In het Oude Testament lezen we ten eerste over het altijd aanwezige, algemene koningschap van God. In de Psalmen wordt het universele koningschap van God bezongen (bv. Ps. 47, 93, 96‑99). Bij de profeten komt de koningsheerschappij van God uit de sfeer van de cultus: uiteindelijk zal Gods koningschap werkelijkheid worden. Het zichtbare koningschap van God over de wereld zal in de toekomst werkelijkheid worden. Deze beloofde toekomstige heerschappij is nauw verbonden met de komst van de knecht van de Heer, de Messias. In Marcus 1:15 zegt Jezus ‘de tijd is vervuld'. Het gaat dus om iets dat in het Oude Testament beloofd en aangekondigd wordt! Met andere woorden het gaat om de tweede betekenis, het messiaanse vrederijk.

In Daniël 2:44 lezen we over dit Rijk het volgende: ‘Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan ...'
En in Jesaja 2:2-4: ‘Op het einde der dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van de HEER gevestigd zal zijn als de hoogste der bergen, ... en alle volken stromen naar hem toe;
en zij zeggen: ‘Kom, laat ons optrekken ... dan zal Hij ons zijn wegen wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen. ... Hij zal recht doen onder de volken, en machtige naties straffen. Dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen en hun speerpunten tot sikkels. Geen volk heft het zwaard meer tegen een ander en oorlog leren ze niet meer.'

Jesaja beschrijft de komst van het Vrederijk in twee aspecten (24:21-23): ‘Op die dag rekent de Heer af: in de hemel met het leger van de hemel, op de aarde met de koningen van de aarde. ... omdat de Heer van de machten als koning heerst op de berg Sion en in Jeruzalem.'  Het eerste aspect speelt in de geestelijke wereld: ‘het leger van de hemel', wat spreekt over engelenvorsten (het Nieuwe Testament noemt ze machten en overheden van de duisternis). Het tweede in de natuurlijke wereld: ‘koningen van de aarde'. Deze twee aspecten blijken bij de vervulling ten tijde van Jezus in tijd gescheiden te worden. Daarover een volgende keer. Eerst bespreken we nog de tijd tussen de testamenten.

 

Tussen Oude en Nieuwe Testament

 

In het Jodendom zet de lijn van Jesaja 24‑27 en Daniël door. De hoop op het Messiaanse Rijk is volgens de oudtestamentische profeten een hoop voor het einde der tijden, maar niet eschatologisch in strikte zin, want de komst van de Messias gaat volgens oudtestamentisch denken aan het voltooide eschaton vooraf. De mensen zullen bijvoorbeeld zo oud worden als bomen, maar nog wel sterven (Jes. 65:20, 22).

In de tijd tussen de testamenten wordt dit nog concreter gesteld, bijvoorbeeld in 2Baruch en 4Ezra: het messiaanse vrederijk is een interim rijk. 4Ezra spreekt zelfs concreet over 400 jaar. Pas hierna komt het grote oordeel en de eeuwige onvergankelijkheid.

Om een goed idee te krijgen waaraan men bij dit messiaanse rijk dacht, noemen we een paar kenmerken. In de apocriefe Psalmen van Salomo wordt de Messias de Zoon van David genoemd en zijn optreden heeft voornamelijk een politiek karakter: hij zal het koningschap over Israël op zich nemen, alle onrecht, zonde en boosheid uit hun midden verwijderen, Jeruzalem reinigen van heidenen en heidense overheersing en alle volkeren zullen bevend voor Hem staan.

In het Nieuwe Testament blijkt deze achtergrond in de vraag van de discipelen in Handelingen 1:6 ‘Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?'
En ook in  Matteüs 19:28 ‘Voorwaar, Ik zeg u, gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten.'

Maar met de Psalmen van Salomo is niet het hele plaatje compleet. Ook in 2Baruch 29:5-8 worden een aantal kenmerken van het messiaanse rijk genoemd. Het zijn de volgende:

Vergelijk voor het genieten van spijze de woorden van Jezus in Lucas 6:21 ‘Zalig, gij, die nu hongert, want gij zult verzadigd worden.' En voor het kenmerk van de wonderlijke voedselvoorzieningen bijvoorbeeld de wonderbare spijziging door Jezus en de reactie van de mensen in Johannes 6:14‑15 ‘Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou. Daar Jezus bemerkte, dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen.' De reactie wordt begrijpelijk tegen de achtergrond van de joodse opvatting over het Koninkrijk.

 

Een lijdende Koning

 

En tot slot is er nog het in de tijd van Jezus ondergewaardeerde karakter van de lijdende Messiaanse koning. Er zijn een aantal Psalmen (18, 22, 69, 71, 86, 88, 116, 118) die handelen over de ideale koning, die door de mensen wordt veracht en vernederd, maar door God wordt verhoogd. Men heeft deze koningspsalmen wel ‘Knecht‑des‑Heren‑psalmen' genoemd. Ze worden gekarakteriseerd door het thema `door de dood tot het leven'. Er worden minstens zeven kenmerken gevonden, die telkens terugkeren[i]:

  1. De koning is in de macht van de dood
  2. Hij wordt omgeven door vijanden
  3. Hij wordt veracht en bespot
  4. God redt hem en geeft hem leven
  5. Hij zal zijn redding verkondigen aan de ‘grote gemeente' of aan de komende generaties
  6. Hij is een knecht des Heren
  7. De hulp komt in de morgen

 

De profeet Jesaja geeft aan dat dit koningsideaal eens tot vervulling zal komen in de lijdende Knecht des Heren (Jes. 52:13‑53:12). Dit karakter van de messiaanse Koning is van bijzonder belang geweest in de prediking van Jezus en de apostelen.

 

De vervulling

 

Het eerste wat opvalt in het Nieuwe Testament is dat we de ene keer lezen dat het Koninkrijk al gekomen is en dan weer dat het nog niet gekomen is en wij om haar komst moeten bidden. Dat laatste vinden we bijvoorbeeld in het Onze Vader "Uw Koninkrijk kome" ofwel "laat uw Koninkrijk komen' (Mat.6:10) en het eerste in Jezus' woorden "indien Ik door de Geest Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen' (Mat.12:28). Hoe zit het nu? Is het koninkrijk al gekomen of moet het nog komen? Waaruit blijkt de aanwezigheid ervan in het heden en hoe zal het er straks uitzien? Dit zijn de vragen waarop we een antwoord zoeken.

 

Het Koninkrijk nu al aanwezig

 

Eerst noemen we de tekstplaatsen waar gesproken wordt over het Koninkrijk zoals zich dat in deze tijd manifesteert.

1. In de eerste plaats is het aanwezig in de persoon van Jezus. ‘Ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u' (Luc.17:21). Dit zegt Jezus tegen de mensen die om hem heen staan. Het Griekse en humin moet hier niet vertaald worden met ‘in ulieden', maar met ‘bij u'. Jezus spreekt hier namelijk tegen de Farizeeën (vs. 20). Hiermee vervalt de klassieke tekst voor de spiritualisten, zij die het Koninkrijk zuiver geestelijk willen uitleggen. Ook na Pinksteren blijft de uitspraak van Jezus van kracht, alleen is Hij dan aanwezig in de persoon van de Heilige Geest, die daar is waar de naam van Jezus beleden en verheerlijkt wordt.

2. In de tweede plaats manifesteert het Koninkrijk zich in de werken van Jezus. Jezus zegt ‘Indien Ik door de Geest Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen' (Mat.12:28). Het is ook aanwezig in de werken van de discipelen: ‘Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet' (Mat.10:7‑8). De tekenen in vers 8 geven aan dat we het Griekse ¨¥ggiken hier moeten vertalen met ‘is gekomen' in plaats van met ‘is nabij.'

3. Ten derde openbaart het Koninkrijk zich in prediking en onderwijs, zowel in het onderwijs van Jezus als in het onderwijs van de discipelen. Matteüs zegt over Jezus: ‘En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk' (Mat.4:23). Onderwijzen is evenals genezen een manifestatie van het Koninkrijk van God. Dat het onderwijs van de discipelen een onderdeel is van het Koningschap van Jezus, blijkt uit de woorden van Jezus die wij doorgaans het ‘zendingsbevel' of ‘de Grote Opdracht' noemen: ‘En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb' (Mat.28:18‑19).

 

Voltooiing in de toekomst

 

Andere teksten spreken over een komst van het Koninkrijk in de toekomst. Waar gaat het dan over? De tekstplaatsen op een rijtje.

1. Ten eerste zal dan de wil van God op aarde gebeuren zoals in de hemel: ‘Uw Koninkrijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel' (Mat.6:10). We hebben hier geen belofte (uw Koninkrijk zal komen), ook geen wens (moge uw Koninkrijk komen), maar een vraaggebed: laat uw Koninkrijk komen. Het betreft een vraag, dus iets wat nu nog geen realiteit is. Het ‘uw wil geschiede/laat uw wil geschieden' is in wezen dezelfde vraag. Als Gods Koninkrijk komt, zal Zijn wil op aarde gebeuren zoals in de hemel.

2. Ten tweede wordt dan het Messiaanse koningschap over Israël hersteld. We hebben de vorige keer al gewezen op Hand.1:6 en Mat.19:28. Twee andere belangrijke teksten zijn: ‘Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!' (Mat. 23:39). Deze woorden spreekt Jezus tot de bewoners van Jeruzalem (vs. 37) en in hen tot alle joden. Het is een voorwaardelijke profetie.

En Paulus zegt in Rom.11:25‑26: ‘Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden.'

3. Ten derde zal Christus als koning over de volkeren regeren. Over de tijd van de voltooiing van het Koninkrijk handelt bijvoorbeeld Op.15:4: ‘Wie zou niet vrezen, Here, en uw naam niet verheerlijken? Immers, Gij alleen zijt heilig. Want alle volken zullen komen en zullen voor U nedervallen in aanbidding, omdat uw gerichten openbaar zijn geworden'. En verderop in het boek Openbaring lezen we: ‘en hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden, voordat de duizend jaren voleindigd waren; ... en zij werden weder levend en heersten als koningen met Christus, duizend jaren lang. De overige doden werden niet weder levend, voordat de duizend jaren voleindigd waren. Dit is de eerste opstanding' (Op. 20:2,3,5).

Over het koningschap van Christus over de volkeren spreekt ook Paulus in 1Kor.15:22‑25:
‘Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst; daarna het einde/de rest, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben. Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft.'

Het Griekse telos kan hier het beste met `rest' vertaald worden, omdat hier sprake is van een derde en laatste groep. De driedeling is dan als volgt: a. Christus is als eersteling opgestaan, b. daarna de gelovigen, die van Christus zijn, bij Zijn komst  (eerste opstanding), c. de ‘rest', d.w.z. de ongelovigen, nadat alle vijanden onttroond zijn (tweede opstanding). Op deze wijze geeft 1Kor.15 hetzelfde beeld als Op.20.

Er is in het Nieuwe Testament dus sprake van een tweeledige gestalte van het Koninkrijk, een voorlopige vorm nu en een volmaakte vorm straks. Het einde bestaat uit een serie gebeurtenissen die zich over een periode uitstrekken, maar al in het heden beginnen. Sommige gebeuren in het heden al en andere in de nabije toekomst. De laatste act van Gods geschiedenis is begonnen, maar heeft zijn hoogtepunt nog niet bereikt. Zo'n concept van het Koninkrijk vinden we overigens ook in andere joodse geschriften als de Apocalyps van de Weken, 1Henoch 93 en 91, 12-17, Jubileeën 23. (Davies-Allison, 390)/[ii].

Om te zien wat deze tweeledige gestalte voor consequenties heeft, willen we drie relaties beschrijven: die tussen het Koninkrijk en de mens, het Koninkrijk en de gemeente en het Koninkrijk en de wereld.

 

Het Koninkrijk en de mens

 

De mens kan deel krijgen aan het Koninkrijk van God, nu en straks. Een ingaan nu en straks wordt in het Nieuwe Testament dan ook onderscheiden. In deze tijd kan iemand deel krijgen aan het Koninkrijk door bekering en geloof: ‘en Hij zeide: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie' (Mar.1:15). Door bekering kan iemand hier en nu al deze goddelijke heerschappij ervaren. Zo zegt Jezus: ‘Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven' (Luc.12:32).

De vraag kan gesteld worden waarom er nog bekering nodig is als het Koninkrijk van God al aanwezig is. Het antwoord moet luiden: omdat we er niet vanzelfsprekend deel aan hebben. Het Koninkrijk breekt in eerste instantie door in de geestelijke wereld en is onzichtbaar en verborgen voor de ongelovigen. ‘En Hij zeide tot hen: U is gegeven het geheimenis van het Koninkrijk Gods, maar tot hen, die buiten staan, komt alles in gelijkenissen (of: raadsels)' (Mar.4:11). Het is voor rationalisten een dwaasheid en voor religieuzen een ergernis, zoals Paulus zegt in 1Kor.1:23. De nabijheid van de Heer en het Koninkrijk van God wordt niet opgemerkt tenzij men zich bekeert en gelooft.

In de toekomst bij Jezus' komst in heerlijkheid gaan de gelovigen voor de tweede keer het Rijk in. Zij die in het heden in overgave en nederig als een kind hebben geleefd mogen het Rijk binnengaan. Dit is toch een soort voorwaarde. Jezus zegt in Mat.18:3‑4 tot zijn discipelen (!) (vs.1): ‘Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij (u) niet (omkeert en) opnieuw wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan. Wie nu zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen." Een tweede voorwaarde die Jezus noemt, is volharden in vervolging: ‘Wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden' (Mat.24:13).

We gaan dus twee keer het Koninkrijk van God binnen, nu en straks. Dit is in overeenstemming met de twee gestalten van het Koninkrijk, de voorlopige in het heden, en de voltooide in heerlijkheid straks.

 

Het Koninkrijk en de gemeente

 

Koninkrijk en gemeente zijn beslist niet identiek en het zijn ook geen gelijke grootheden. We kunnen zelfs niet zeggen dat de gemeente een deel van het Koninkrijk is. Het Koninkrijk is het koningschap van God en de gemeente is een gemeenschap van mensen. De relatie tussen Koninkrijk en gemeente is drieërlei:

‘En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn' (Mat.24:14).

‘Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet' (Mat.10:8).

Over dit laatste iets meer, omdat deze relatie het minst bekend is. De gemeente ontvangt de sleutels van het Koninkrijk, d.w.z. het gezag, de autoriteit van het Koninkrijk. ‘Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel' (Mat.18:18). Deze woorden worden gesproken tot alle discipelen, tot de hele gemeente. Al eerder had Jezus dit tot Petrus als eerste gezegd (Mat. 16:19), maar hieraan toegevoegd: ‘Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen.'

Het `geven van de sleutels' symboliseert het overdragen van de macht van de heer aan de beheerder, de zaakwaarnemer. De beheerder krijgt dezelfde macht als zijn heer. ‘In de hemel gebonden en ontbonden zijn' wil zeggen door God bevestigd worden. ‘Binden en ontbinden' spreekt over de rechterlijke volmacht iemand vrij te spreken of schuldig te verklaren. Het betreft de volmacht de verlossing uit te spreken of het oordeel aan te zeggen, de vrede van God mee te delen of het stof van de voeten te schudden. Deze volmacht van de gemeente in het heden is de voorlopige vorm van het heersen met Christus, dat ten volle zal aanvangen bij Zijn komst in heerlijkheid.

 

Het Koninkrijk en de wereld

 

Het Koninkrijk van God is fundamenteel een geestelijk en dynamisch gegeven. Het is dan ook beter te spreken over koningschap in plaats van koninkrijk en over volmacht in plaats van macht. In dit verband wordt ook duidelijk waarom we zoveel horen over de prediking van het Koninkrijk bij Johannes de Doper en bij Jezus en relatief weinig bij de apostelen. Het Koninkrijk van God is het koningschap van God en dat is gelijk aan het koningschap van zijn Messias, Jezus. Als de apostelen de opgestane Jezus prediken, verkondigen zij het koningschap van Jezus, wat gelijk is aan het koningschap van God (bv. duidelijk bij Paulus in 1Cor.15). Jezus predikte het Koninkrijk, de apostelen de Koning; het is fundamenteel dezelfde prediking.

Omdat het over het koningschap van God en zijn Messias gaat, is dit rijk niet op één lijn te plaatsen met andere rijken in deze wereld. Jezus zegt in Joh.18:36 ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.' Daarom ook gaat het ingaan hier en nu gepaard met een geestelijke geboorte: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien' (Joh.3:3).

Bij Jezus' komst in heerlijkheid zal er wel een natuurlijke en politieke manifestatie van het Rijk plaatsvinden: ‘Wie zou niet vrezen, Here, en uw naam niet verheerlijken? Immers, Gij alleen zijt heilig. Want alle volken zullen komen en zullen voor U nedervallen in aanbidding, omdat uw gerichten openbaar zijn geworden' (Op.15:4). En in Op.17:14 lezen we: Dezen (de tien koningen) zullen oorlog voeren tegen het Lam, maar het Lam zal hen overwinnen (want Hij is de Here der heren en de Koning der koningen) en zij, die met Hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en gelovigen.'

 

Conclusie

 

Als we de gegevens in het Nieuwe Testament samenvatten kunnen we stellen dat het Koninkrijk van God zich manifesteert in twee gestalten die parallel lopen met Jezus' komst in nederigheid en zijn komst in heerlijkheid.
In het heden sinds Jezus' komst in nederigheid zien we primair een doorbraak van het Koninkrijk in de geestelijke wereld en op microniveau.
In de toekomst bij Jezus' komst in heerlijkheid verwachten we een totale doorbraak van Gods Rijk over alle levensgebieden, zowel geestelijk als natuurlijk, op micro- zowel als op macroniveau, over Israël alsook over alle volkeren in de wereld.

 


 

[i] H. Ringgren, Israelite Religion, (SPCK: 3e dr, London, 1974) 234-238.

[ii] W.D. Davies and D.C. Allison, The Gospel according to Saint Matthew, Vol. 1 (ICC; New York: T&T Clark, 1988) 390.