Het onderwijs van de apostelen

Over het verschil tussen evangelisch en seculier onderwijs


Gijs van den Brink, 2010 (gepubliceerd in Studiebijbel magazine 3.4)

 

Er wordt in onze tijd heel veel onderwijs gegeven. Een gemiddeld kind zit toch snel minstens twaalf jaar op school. En dan hebben we het nog niet eens over het hoger beroeps- en universitair onderwijs. Onderwijs heeft een grote plaats en is diep geïntegreerd in onze cultuur. Dat heeft als gevolg dat wij alleen al bij het gebruik van het woord ‘onderwijs' een heel duidelijk concept voor ogen hebben. Doorgaans verschilt de wijze van onderwijs in de kerk niet noemenswaardig van de scholing in de samenleving. Het is daarom van belang de plaats en functie die het onderwijs van de apostelen heeft eens onder de loep te nemen.

 

Onderdeel van wereldzending

 

In het Nieuwe Testament draait alles om de persoon van Jezus Christus en de prediking van het messiaanse Koningschap van God. Deze heerschappij openbaart zich in de persoon en de werken van Jezus. Zijn werken bestaan uit onderwijs en genezingen.
Matteüs zegt over Jezus: ‘En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk' (Mat.4:23). Onderwijzen is evenals genezen een manifestatie van het Koningschap van de Messias.
Dat messiaanse onderwijs is niet alleen bedoeld voor Israël, maar voor alle volkeren. Jesaja profeteert over het messiaanse Rijk het volgende: "en zij [de volkeren] zeggen: ‘Kom, laat ons optrekken naar de berg van de HEER, naar het huis van Jakobs God: dan zal Hij ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen. Want uit Sion komt de Wet, uit Jeruzalem het woord van de HEER'" (Jes.2:3). Tegen deze achtergrond moeten we de woorden van het ‘zendingsbevel', ook wel ‘de grote opdracht' genoemd, in Mat.28 verstaan. ‘Heengaande, maak alle volkeren tot mijn discipelen, hen dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb' (Mat.28:18-19). Er gaat namelijk iets aan deze woorden van Jezus vooraf en wel dit: ‘En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde (= Koningschap). Dat Jezus zijn laatste ‘grote opdracht' opent met deze woorden is van bijzonder belang. Het zendingsbevel staat in het teken van het messiaanse Koningschap van Jezus, dus van profetieën als Jesaja 2.
Een ander element dat van belang is voor een goed begrip van het zendingsbevel en hoe de apostelen hiermee omgingen, is dat de woorden van Jezus maar één imperatief bevatten: maak alle volkeren tot mijn discipelen. De andere werkwoordsvormen zijn deelwoorden en geven elk een aspect weer dat bij de hoofdopdracht hoort. De apostelen hebben in hun joodse context deze opdracht dan ook niet als een gebod om uit te gaan verstaan (centrifugaal), ze zijn niet de wereld ingetrokken. Ze hebben deze opdracht van Jezus verstaan, zoals in Jesaja verwoord: ze zijn in Jeruzalem gebleven en hebben verwacht dat de volkeren zouden toestromen en dat zij hen dan zouden onderwijzen (centripetaal). Na de komst van de Heilige Geest en de vervolging ten tijde van Stefanus, is het onderwijzen van de volkeren langzaam centrifugaal geworden. Of de volkeren nu naar Jeruzalem zouden komen of de apostelen naar de volkeren gaan, de opdracht blijft gelijk: alle volkeren onderwijzen in het Evangelie. Het mag duidelijk zijn dat het uitvoeren van deze opdracht menselijk gezien een onmogelijkheid voor ons is. Daarom begon Jezus met de woorden: ‘Mij is gegeven alle macht.' Omdat Hij alle macht heeft, mogen en kunnen wij in zijn naam deze opdracht uitvoeren.

Paulus heeft hieraan een grote bijdrage geleverd. Hij brengt zijn roeping in Kol.1:28 als volgt onder woorden: ‘Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, om ieder mens in Christus volmaakt te doen zijn.' Dit was ook de sleuteltekst van Comenius, de Moravische theoloog en pedagoog uit de 17e eeuw, die als vluchteling in Nederland asiel kreeg en een basale invloed heeft gehad op het Nederlandse schoolsysteem.

 

Onderwijs na de doop

 

Een discipel van Jezus is iemand, die een persoonlijke relatie met Hem heeft en Zijn onderwijs ook weer aan anderen doorgeeft.
In het hierboven besproken zendingsbevel leert Jezus ons dat we een discipel van Hem worden door (1) gedoopt te worden en (2) onderwezen te worden. Door de overgave in de doop belijden we het eigendom van God te zijn. De doop is het begin van de weg met de Heer en is eenmalig. Het onderwijs is het vervolg en gaat een leven lang door. De doop is een teken van overgave aan Jezus. Dat is een belangrijke voorwaarde om een goede leerling van Hem te zijn. Als we namelijk onszelf niet volledig aan hem toevertrouwen, zullen we ook niet erg genegen zijn naar hem te luisteren en van hem te willen leren.

 

Door de Geest geleid

 

In het evangelie naar Johannes spreekt Jezus over een specifiek christelijk aspect van het onderwijs dat hij zijn volgelingen aanreikt. Een aspect dat onbekend is in ons seculiere onderwijssysteem. Hij belooft hen namelijk dat zij onderwezen zullen worden door de Geest.
Daar spreekt hij over in Joh.14:26 en Johannes noemt dit ook in zijn brieven (1Joh.2:27). ‘Maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb.' Jezus zegt dat de Heilige Geest zijn werk als leraar zal voortzetten. De Geest zal de discipelen alles leren wat zij moeten weten om de taak die hun is opgedragen, te kunnen volbrengen. Het werk van de Geest is erop gericht om over alles wat wij van hem gehoord hebben uit de evangeliën het volle licht te laten schijnen (vgl. Joh.16:13). Wat wij bij het eerste horen of de eerste lezing nog niet zo goed begrijpen, dat zal de Geest ons duidelijk maken. Jezus zegt hier niet dat onderwijs overbodig is, maar wel dat het onmogelijk is zonder het licht van de Geest.
Alleen door de Heilige Geest kunnen wij vanuit het Woord een zinnige toepassing geven.
Een voorbeeld uit het Nieuwe Testament: alleen door de verlichting van de Geest kon Petrus naar aanleiding van de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag leren: "Dit is het waarover gesproken is door de profeet Joël (Hand.2:16; zie ook bv. 4:10-11). Zonder het geloof dat Jezus de Messias is en zonder de verlichting van zijn Geest is het niet mogelijk de gemeente en de wereld te onderwijzen zoals Jezus ons heeft opgedragen.

 

Verweven met messiaanse levenswijze

 

Lucas noemt vier belangrijke punten waardoor de eerste christelijke gemeenschap werd gekarakteriseerd. ‘En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden' (Hand.2:42). Het eerste wat hij noemt is dat de gemeente bleef bij het onderwijs van de apostelen en dat zij leefden volgens dat onderricht. In Handelingen zien we hoe het onderwijs van Jezus in de dagelijkse praktijk van de eerste gemeente functioneerde. Een geheel nieuwe levensstijl is daarvan het gevolg. Zo beschouwde niemand zijn bezittingen als persoonlijk eigendom, ze deelden ervan uit naar ieders behoeften en dagelijks kwamen ze bij elkaar voor de gemeenschappelijke maaltijd en stonden in de gunst bij heel het volk (Hand.2:44-47).
Hier hebben we de missionaire gemeente ten voeten uit. Wat een geweldig voorbeeld voor de omgeving! Het onderwijs gebeurde op allerlei plaatsen, in de tempel (4:1,2; 5:20,21,25,42), in de synagoge (19:8), in een zaaltje (19:9), in het openbaar (20:20), maar met name bij gelovigen ‘aan huis' (5:42).

 

Voorbeeldfunctie

 

Er is sprake van een voorleven in de breedste zin van het woord. Zo heeft Jezus zijn discipelen het leven met de Vader voorgeleefd. En zo is Paulus een voorbeeld geweest voor de gelovigen en vooral voor zijn naaste medewerkers als Timotheüs en Titus. Een vader verwacht dat zijn kinderen zijn voorbeeld navolgen. Vanuit deze relatie kan Paulus dan ook zeggen: ‘Wordt mijn navolgers' (1Kor.4:16; vgl. 11:1; Fil.3:17; 1Tes.1:6; 2Tes.3:7-9).
In het verband waarin deze uitspraken staan, zijn ze beslist niet hoogmoedig of zelfingenomen. Het gaat namelijk steeds om het navolgen van de apostel in een houding van nederigheid en zelfverloochening. Het navolgen omvat zelfs ook de bereidheid tot lijden. Een houding die Paulus op zijn beurt heeft geleerd van de Here Jezus zelf (Fil.2:5-8).
Tegen Timoteüs zegt Paulus: ‘Wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof en in reinheid' (2Tim.4:12). Paulus wil dat Timotheüs een voorbeeld is voor de gemeente in woord, gedrag en gezindheid.
Hier ontpopt zich een ander belangrijk verschil met seculier onderwijs. Een bijbelleraar dient vooreerst zelf te leven volgens de principes die hij anderen onderwijst. Het gaat hier namelijk niet enkel om theoretisch, cognitief onderwijs, maar om de levensschool van Christus. De levensschool waaraan zowel de leraar als de leerling deelnemen. Deze school duurt een leven lang en omvat alle terreinen van het leven. Over alles wat bij het leven hoort wil Jezus Christus zijn heerschappij doen gelden.

 

Leiderschap

 

Tot slot een paar woorden naar aanleiding van het advies van de apostel Petrus in 1Pet.5:2-3. Een geestelijk leider die Jezus volgt in zijn wijze van onderwijs, laat Gods licht niet schijnen door het uitoefenen van macht en het opleggen van regels, maar wel door een vaste geloofsovertuiging, een goed voorbeeld en een vrijmoedig getuigenis. Goed voorbeeld doet goed volgen. De eigen overtuiging zo uitleven dat het anderen inspireert en uitnodigt tot navolgen. Dat is van belang binnen de gemeente, maar beslist ook daarbuiten in de samenleving, op je werk, in de buurt, in de stad en waar je ook maar geplaatst bent.
De meeste leiders vandaag zijn erg bedreven in doceren en vergaderen, maar nodig zijn voorbeelden als Paulus en Petrus die het volk voorgaan, voorleven en inspireren?


Litteratuur
G. van den Brink, Jezus, Israël en de kerk. Over de messiaanse oorsprong van de kerk uit de volkeren, Veenendaal: CVB 2010.