Kunnen historisch onderzoek en charismatische uitleg samengaan?

Reactie op ‘Méér dan de letter' van O.H. de Vries

drs Gijs van den Brink, 2008 (gepubliceerd in Soteria 25,1)

 

‘Méér dan de letter' van O.H. de Vries is een prachtig artikel, waarin de wijze waarop men in evangelische kringen met de bijbel omgaat historisch en theologisch wat mij betreft goed wordt verwoord en onderbouwd. Er wordt hier een totaalbeeld gegeven hoe men door de eeuwen heen tot in het heden de bijbel in verschillende tradities heeft gelezen. Omdat het artikel nogal harmoniserend is geschreven, leidt dit er toe dat een en ander wat vlak en makkelijk overkomt. Hierdoor blijven de kwesties waar de meeste vragen voor Soteria lezers liggen enigszins onderbelicht. Ik zie met name twee uitersten, de historisch kritische exegese ter linkerzijde en de door de Vries genoemde tropologische uitleg ter rechterzijde. Deze twee worden door de Vries op knappe wijze in een totaalbenadering ingepast, maar in de praktijk verdragen voorstanders van deze twee methoden elkaar nauwelijks. Elkaar verketteren is meer regel dan uitzondering. Daarom wil ik op deze twee vormen van omgang met de Schrift binnen de totaalvisie van De Vries wat dieper ingaan.

 

Belang van een balans in historisch onderzoek

 

Wanneer de Vries stelt dat de ‘letterlijk-historische betekenis de dragende en voedende laag onder de typologische , tropologische en eschatologische betekenislagen' is, ben ik het daar graag mee eens. Het  historisch-kritisch onderzoek heeft zondermeer een belangrijke kritische functie. Alle exegese begint met goed historisch onderzoek. Voor de theologische wetenschap in het algemeen en de exegese van de bijbeltekst in het bijzonder is de historisch kritische methode (HKM) beslist een onmisbaar gegeven. Dat behoeft hopelijk voor de lezers van Soteria geen verdere uitleg. Zij is in alle gevallen en bij de exegese van elke tekst onmisbaar. Ik heb zelf het voorrecht om al 25 jaar vanuit deze methode te werken en te schrijven. Via de HKM proberen we de betekenis van de bijbeltekst in haar historische context te achterhalen. Maar daarmee kan de betekenis voor vandaag niet één op één vereenzelvigd worden. Dat blijkt ook duidelijk uit het artikel van De Vries. Dit geeft dus al een beperking van de HKM aan. Als De Vries spreekt over de kritische functie van het historisch-kritisch onderzoek gebiedt de eerlijkheid bovendien naar voren te brengen dat ook historisch onderzoek niet waardevrij is.

Voor de ontwikkeling van de historische studie in het Westen[i] is de Verlichting van groot belang geweest. Het is een periode die men meestal neemt van het midden van de 17e eeuw tot het midden van de 19e eeuw. Het is de tijd waarin de wetenschap zich begint te bevrijden van het juk en de knechting van het gevestigde gezag en de traditie. In deze periode van de wetenschappelijke ontwikkeling in het Westen wordt het historisch onderzoek vooral gevormd naar het model van de opkomende natuurwetenschappen.

Met betrekking tot de bijbeltekst is deze wijze van onderzoek bekend geworden onder de naam ‘historisch kritisch onderzoek'. Nu we in onze 21e eeuw wat meer afstand kunnen nemen, hebben we meer zicht op de vooronderstellingen van dit wetenschapsmodel. Dunn[ii] noemt drie vooronderstellingen: 1. Historische feiten zijn objecten in de geschiedenis die door wetenschappelijk onderzoek ontdekt kunnen worden. 2. Het menselijk verstand is voldoende competent om te onderscheiden tussen waar en onwaar. 3. De kosmos is een gesloten systeem, een grote machine die draait op basis van onveranderlijke wetten.

Hoewel de meesten van ons niet al deze vooronderstellingen zullen delen, is het wel van belang niet met het badwater van de Verlichting ook het kind van het historisch onderzoek weg te gooien. De historische bewustwording is namelijk niet afhankelijk van de Verlichting, maar was al ver daarvoor aanwezig. De kern, ook van de historisch-kritische-methode van bijbelonderzoek is dat het verleden vaak een vreemd land is, waar men de dingen anders doet, en vervolgens dat men zich voortdurend bewust moet zijn van het onderscheid tussen historisch en niet historisch.

In onze postmoderne tijd aangeland kunnen we met betrekking tot het historisch onderzoek constateren dat het wetenschappelijk model van de Verlichting niet voldoende adequaat is. De exegeet die de bijbeltekst bestudeert, staat niet boven de traditie die hem met het verleden, dat hij bestudeert, verbindt, maar hij/zij maakt deel uit van diezelfde geschiedenis. Dit gegeven is door De Vries ook duidelijk verwoord als hij zegt: ‘al lezend moet hij (lezer/hoorder) zijn specifieke plaats in de geschiedenis leren verstaan'. ‘Wanneer dat gebeurt, krijgt de tekst voor hem betekenis'. De wetenschappelijke objectiviteit en afstand van het verlichtingsmodel is voor een groot deel schijn.

 

Kritische functie van historisch-kritisch onderzoek niet overwaarderen

 

Historische exegese blijft van groot belang, maar we moeten ons hier niet kritiekloos aan overleveren en ook deze vorm van exegese kritisch blijven hanteren. Dit onderzoek wordt zelf ook voor een groot deel bepaald door vooronderstellingen.
Laat ik dat duidelijk maken aan de hand van het beoordelen van de historiciteit (beter authenticiteit) van de woorden van Jezus in Matt.28:16-20 (de Grote Zendingsopdracht).

De ‘historisch-kritische' exegese  (m.n. de scholen van de ‘Formgeschichte' en Redaktionsgeschichte') hanteert in de evangeliën uitgaande van de tweebronnen theorie (Marcus en bron Q; met daarnaast tekst die alleen bij Matteüs en Lucas voorkomt) voornamelijk twee criteria voor authenticiteit. 1. het ‘meervoudig getuigenis', dat aangeeft dat een tekst in verschillende onafhankelijke bronnen voorkomt en 2. het ‘criterium van ongelijkheid', dat aangeeft dat de inhoud van een uitspraak van Jezus niet overeenstemt met het gedachtegoed van het jodendom of de vroege kerk.
Volgens deze onderzoekers zijn de woorden in Matt.28 niet van Jezus, want we treffen deze namelijk alleen hier aan (niet meervoudig overgeleverd) en ze komen door de trinitarische doopformule sterk overeen met de vroegchristelijke gemeentetheologie (niet ongelijk).

Geschiedkundigen daarentegen hanteren doorgaans twee basiscriteria voor het aantonen van onbetrouwbare informatie. Ten eerste gebrek aan correspondentie met de werkelijkheid. Dit is bijvoorbeeld het geval bij tegenbewijzen vanuit de archeologie (en bijv. bij anachronismen). Ten tweede gebrek aan coherentie, aan overeenstemming met andere tekstgegevens, bijvoorbeeld bij tegenstrijdigheid met de context. Deze onderzoekers brengen twee argumenten naar voren tegen de echtheid van de zendingsopdracht. Ten eerste dat de verzen in Matt.28 met een verschijning van Jezus in Galilea niet zouden overeenstemmen met het evangelie naar Lucas, dat alleen verschijningen bij Jeruzalem meldt. Ten tweede dat uit de zendingsmotivatie van de apostelen in het boek Handelingen en de brieven niet blijkt dat zij deze woorden van Jezus kenden. Het gaat er nu niet om of deze argumenten wel of niet overtuigend zijn.[iii]

Belangrijker dan de argumenten is dat hier een fundamenteel verschil in methode naar voren komt. De eerste benadering gaat er van uit dat de woorden van Jezus niet betrouwbaar zijn. Van elke uitspraak moet bewezen worden dat deze authentiek is. De tweede gaat er in eerste instantie van uit dat de woorden van Jezus wel betrouwbaar zijn, en dat het tegendeel aangetoond moet worden. De meeste historisch-kritische exegeten werken vanuit de eerste benadering. Een voorbeeld van de tweede benadering is N.T. Wright.[iv]

Ook het historisch onderzoek is dus niet vrij van vooronderstellingen. Dus laten we vooral ook kritisch blijven op de historisch-kritische methode van onderzoek.

 

De charismatisch-profetische uitleg en de tropologische betekenis

 

De typologische en eschatologische betekenis van de bijbeltekst zijn ook vanuit de bijbel redelijk bekend, maar de tropologische veel minder. Bovendien valt deze laatste door de veelgebruikte toepassing in evangelische gemeenten juist erg op en roept dan ook de meeste vragen op. Over deze wijze van bijbellezen wordt door de op westerse universiteiten geschoolde exegeten doorgaans nogal badinerend en denigrerend gesproken. Is dit terecht? Zijn hele continenten christenen in Azië en Afrika echt kinderlijk en dom bezig of toch niet?

De Vries zegt: ‘voor de theologische rechtvaardiging daarvan (tropologische uitleg) kan men slechts verwijzen naar de vrijheid Gods en het werk van de Geest'. Wanneer we echter deze wijze van omgang met de Schrift ook in de bijbel zelf tegenkomen zou dat dan ons als westerse rationalisten niet tot nadenken moeten stemmen? Ik denk dan aan de wijze van omgang met de tekst die door onderzoekers de pesjer-methode is genoemd en die wij zouden kunnen omschrijven als charismatisch-profetische uitleg.

Deze uitleg  is zo genoemd naar aanleiding van de karakteristieke verwoording die we in de teksten tegenkomen: ‘dit is de uitleg (pesjer) ..'. of: ‘de uitleg is ...'  of: ‘dit is ...'  zondermeer. Hoewel deze uitleg al voorkomt in het OT, willen een paar voorbeelden geven uit het NT. Petrus zegt naar aanleiding van de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag: "Dit is het waarover gesproken is door de profeet Joël (Hand.2:16). En in Hand.4:10-11 zegt hij over Jezus Christus: "Dit is de steen door u, de bouwlieden versmaad, die nochtans tot hoeksteen is geworden (Ps.118:22). Hoe wist Petrus dit? Het wordt in de tekst zelf niet aangegeven.

Naar aanleiding van iets dat in het heden gebeurt, wordt er verwezen naar een bijbeltekst, waarin dit wordt aangezegd. Strikt gesproken kun je hier niet van een methode van uitleg spreken, maar eerder van inzicht in de toepassing van goddelijke beloften in het heden. De apostelen zien, dit in onderscheid van hun joodse tijdgenoten, de Schrift als een boek met beloften, die `heden' in vervulling gaan.

Omdat deze vooronderstelling ook een rol speelt bij de typologische uitleg, zou men kunnen denken dat de pesjer-uitleg gelijk is aan de typologische uitleg. Hoewel er overeenkomsten zijn (Goppelt sprak over de typologie als een "pneumatische Betrachtungsweise") zijn de verschillen toch evident.[v] Een typologie legt verband tussen gebeurtenissen, personen of dingen in verschillende perioden van de geschiedenis. De historische feiten worden als typen gezien van toekomstige en grotere feiten. Typologie bevat altijd een overeenkomst in type en antitype als ook een toename in belangrijkheid. Een voorbeeld hiervan is bv. Mat.2:15, waar de verlossing van Israël uit Egypte door Mozes als een type, een schaduw, wordt gezien van de verlossing die begint met de komst van de Messias. En zo is de oudtestamentische hogepriester een type van Christus als de ware hogepriester (Hebreeën).

Een pesjer-uitleg daarentegen heeft geen type nodig, maar geeft een duiding van een gebeurtenis in het heden door te verwijzen naar een tekst of gegeven in de Schrift. Waar de typologie een historisch gegeven opnieuw toepast in het heden, gaat de pesjer omgekeerd te werk door openbaringen in het heden als uitgangspunt te nemen voor de interpretatie van het OT. Daarom kun je hier ook spreken van charismatische duiding.

En zo is het ook met het geloof dat Jezus de Messias is, een centraal gegeven in het Nieuwe Testament. Dat Jezus de Messias is, is geen kwestie van exegese, zelfs niet van typologische uitleg, maar van openbaring, met andere woorden van een pesjer-duiding.

Dit blijkt ook uit uitspraken van Jezus over Johannes de doper en zichzelf. Over Johannes zegt hij: ‘Deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen bereiden zal (citaat uit Mal.3:1). En in Luc. 4 (vs 18-19) haalt Jezus Jes.61:1-2 aan: ‘De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren.' Daarna zegt Hij (vs 21): ‘Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld.'

Deze wijze van omgang met de Schrift en toepassing van bijbelwoorden voor onze eigen situatie vandaag, is ook voor ons van belang. De Schrift is niet alleen een historisch geschrift waarin de grote daden Gods uit het verleden vermeld staan, maar ook een levend Woord waarin de Heer vandaag tot ons spreekt. Deze charismatische uitleg lijkt me van groot belang voor de toepassing van Schriftwoorden vandaag.[vi] Hoe kunnen bijvoorbeeld de wedergeboorte en de vervulling met de Geest of geestelijke gaven begrepen worden zonder dat iemand zegt: wat hier gebeurt, staat in ...[hoofdstuk en vers].

 

Betekenis en geloofspraktijk

 

Dat laatste brengt me bij de betekenis van de geloofspraktijk of geloofservaring. Het theoretisch verstaan van een tekst zal altijd ten dele zijn. De ware betekenis wordt pas duidelijk wanneer wij de beschreven werkelijkheid zelf meemaken. Dan zijn we niet langer toeschouwers, maar deelnemers aan Gods heilsplan.

Dit kunnen we verduidelijken aan de hand van de geschiedenis van de hemelvaart van Elia in 2 Koningen 2. Eliza gaat met vijftig andere profeten met Elia mee op zijn laatste reis. Alle  profeten zijn leerlingen van Elia en zijn vooraf door God op de hoogte gebracht van Elia's hemelreis. Ze hebben allemaal de boodschap gekregen dat de Heer Elia ‘boven uw hoofd zal wegnemen' (vs 3 en 5) of `ten hemel zal opnemen' (WV). En allemaal volgen ze Elia tot aan de Jordaan (vs 7).

Toch is er een behoorlijk verschil in de afloop van hun reis. Eliza komt in de kracht van de Geest terug en doet dezelfde wonderen als Elia (vs 14b). De andere profeten eindigen met een zekere frustratie (vs 17-18). Ze hebben drie dagen lang met vijftig man gezocht naar het lichaam van Elia, maar het niet gevonden. Wat een frustratie. Hoe kan dit, ze waren toch evenals Eliza door de Heer van tevoren van het vertrek van Elia op de hoogte gebracht? Inderdaad, maar mogelijk hebben de vijftig de woorden `van boven uw hoofd wegnemen'  alleen op de ziel van Elia betrokken? Of denken ze dat de Geest Elia naar elders heeft gebracht, zoals Obadja in 1Kon.18:12 bedoelt? Met deze vooronderstellingen hebben de vijftig de profetische boodschap uitgelegd, maar helaas verkeerd begrepen. De vraag is: had dit voorkomen kunnen worden? Wat is het verschil tussen de vijftig en Eliza? De vijftig waren niet aanwezig bij de Jordaan, ze stonden op enige afstand (vs 7 en 15)! Ze hebben de profetische boodschap, maar ze hebben niet meegemaakt wat er gebeurde. Eliza was erbij. Hij heeft de hemelvaart van Elia persoonlijk meegemaakt. En dat maakt het verschil uit tussen verstaan en misverstaan, tussen zegen en frustratie.

 

 Noten



[i] Zie: G. van den Brink, ‘De uitleg van de Schrift', in: Brink, G. van den, J.C. Bette en A.W. Zwiep (red.), Inleiding en Synopsis, Studiebijbel Nieuwe Testament, deel 1. Soest/Veenendaal: Centrum voor Bijbelonderzoek, 2003.

[ii] J.D.G. Dunn e.a., red., Auslegung der Bibel in orthodoxer und westlicher Perspective (WUNT 130), Tübingen 2000.

[iii] Tegen het eerste kunnen we inbrengen, dat niet alleen Matteüs, maar ook Marcus verschijningen van Jezus in Galilea noemt (Mar.14:28; 16:7). Het is verder niet vreemd en zeker niet tegenstrijdig dat Jezus zijn discipelen ook in Galilea is verschenen, de provincie die zo'n belangrijke rol speelde in zijn aardse bediening. Het feit dat we in Handelingen nergens een herinnering aan het zendingsbevel tegenkomen kan verklaard worden tegen de achtergrond van het OT. De OT-ische verwachting was dat alle volkeren naar Jeruzalem zouden komen. We concluderen hieruit dat het bewijs voor de onechtheid van deze woorden van Jezus niet overtuigend is.

[iv] Bv. N.T. Wright, Jesus and the Victory of God, Minneapolis: Fortress Press, 1996.

[v] Zie hiervoor: E.E. Ellis, ‘Midrashic Features in the Speeches of Acts' in: Prohecy and Hermeneutic in Early Christianity (Grand Rapids, 1978) 198-208; L. Goppelt, Typos. Die typologische Deutung des Alten Testaments im Neuen, Gütersloh 1939. D.I. Brewer, Techniques and Assumptions in Jewish Exegesis before 70 CE, Tübingen 1992.

[vi] Waarom is het zo moeilijk te geloven dat gelovigen uit de eerste eeuw op een voor ons leerzame en zinnige wijze met de Schrift omgingen?  Ik vermoed dat de grote geleerde G.F. Moore, die meerdere forse boekdelen over het jodendom schreef, hier behoorlijk debet aan is. In 1927 karakteriseerde hij de joodse exegese uit de eerste eeuwen als volgt: "Een atomistische exegese, die zinnen, zinsdelen en zelfs enkele woorden los van de context of de historische setting interpreteert ... deze met andere uitspraken en woorden, die op dezelfde wijze zijn losgekoppeld, combineert en vaak op een louter associatieve wijze gebruik maakt van analoge uitdrukkingen'. En hij voegde hier aan toe: "De interpretatie van de Schriften in het Nieuwe Testament gebeurt op precies dezelfde wijze."
Het gedachtegoed van Moore leeft voort tot op de huidige dag en de consequenties zijn verstrekkend. Longenecker bijvoorbeeld stelt in zijn klassieke werk "Biblical Exegesis in the Apostolic Period" dat we de joodse exegetische methoden die de apostelen gebruiken, niet kunnen en niet mogen overnemen. De genoemde studie van Brewer is in dit verband echt een aanrader om tegenwicht te bieden tegen de visie van Moore.
R.N. Longenecker, Biblical Exegesis in the Apostolic Period (Eerdmans 1975, herdruk London 1995) 218-219.
G.F. Moore, Judaïsm in the first Centuries of the Christian Era: The Age of the Tannaim, Vol I (Cambridge 1927-1930) 249-250.