Hoe Jezus het boek Daniel las

Gijs van den Brink, 2014 (gepubliceerd in Studiebijbel magazine 8.1)

 

De profetieën in het boek Daniël zijn niet gemakkelijk te begrijpen en de uitleg die bijbeluitleggers geven loopt nogal uiteen. In dit artikel wil ik ingaan op de vraag hoe Jezus het boek Daniel heeft gelezen en uitgelegd.
Er is al vaak opgemerkt dat Jezus zich sterk door de profeten Daniël en Jesaja heeft laten bepalen. De Griekse uitgave van het Nieuwe Testament van Nestle-Aland maakt maar liefst melding van 45 verzen uit het boek Daniël waarop in de evangeliën een toespeling wordt gemaakt of die worden geciteerd.
De meest in het oog springende relatie met het boek Daniël is dat Jezus de titel ‘Zoon des mensen' uit Dan.7:13-14 op zichzelf heeft toegepast. We willen in dit artikel een minder bekende, maar minstens even belangrijke passage uit het boek Daniël onder de loep nemen, namelijk Dan.9:24-27.
Dit gedeelte is namelijk van essentieel belang voor een goed verstaan van Jezus' rede over de laatste dingen (Mat.24; Mar.13; Luc.21), maar ook voor de uitleg van het boek Openbaring.
Tegen de achtergrond van dit tekstgedeelte krijgen we er zicht op waarom Jezus zegt dat de Zoon des mensen niet één keer, maar twee keer komt. En ook hoe Jezus de tussentijd tussen zijn eerste en tweede komst heeft gezien, een belangrijk geschilpunt tussen Joden en christenen. Joden accepteren namelijk geen twee komsten van de Messias.

In Dan.9:24-27 lezen we het volgende:

‘Zeventig weken (lett. ‘zevens') zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven.
25 Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden.
26 En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is.
27 En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is.' (NBG'51)

Dit gedeelte roept allerlei vragen op, die we hier niet uitvoerig kunnen bespreken. We geven kort de belangrijkste keuzes weer.

 

Tweede gezalfde en antigoddelijke eindtijd-koning

Wat betreft de tweede gezalfde wordt door de meeste historisch-kritische exegeten gesteld dat dit hogepriester Onias III is geweest, die vermoord werd in de Makkabeeën tijd, vermoedelijk 171 v. Chr. Dit stellen zij vanuit twee aannames. Zij dateren dit hoofdstuk van Daniel in de 2e eeuw v.Chr. en de profetie in vs.26 is een ‘alsof profetie' is, een zgn. vaticinium ex eventu, een profetie die opgeschreven is nadat de gezalfde vermoord is. Beide aannames zijn voor ons niet acceptabel.
Wat betreft de typering van de vorst in vs.26b-27 is er een consensus onder de uitleggers. Het gaat om een antigoddelijke koning, die zal optreden in de eindtijd (hfst. 8 en 11), zich zal indringen in de joodse godsdienst (vgl. hfst. 7,8 en 11), het uitverkoren volk zal vervolgen en vernietigd zal worden (hfst. 2,7,8, en 11).

Wat betreft de tijd van vervulling verschillen de uitleggers. De meeste exegeten plaatsen de vervulling van deze eindtijd in de eerste helft van de tweede eeuw vóór Christus, de tijd van Antiochus IV. Deze visie is m.i. meer toepassing dan uitleg. Bovendien heeft de tijd bewezen dat deze toepassing fout is. Los van de toepassing kunnen we concluderen dat dit tekstgedeelte duidelijk eschatologisch gericht is.

 

Een drama met drie bedrijven

Dan.9:24-27 is een drama in drie bedrijven. Vers 24 geeft een samenvatting, die in de verzen 25-27 wordt uitgewerkt. Het is een overzicht van de heilsgeschiedenis vanaf Daniël tot aan de voleinding. In zeventig ‘weken' of ‘zeventallen', d.w.z. zeventig zevenvoudige perioden, zal God het volk en de stad zuiveren van alle kwaad. En zal Hij ‘iets allerheiligst zalven'. Het ‘zalven van iets allerheiligst' is een term die doet denken aan het heiligdom dat door de Heer geheiligd wordt, zodat Hij er kan wonen (zoals eertijds bij de inrichting van de tabernakel in de woestijn, Ex.25:8 e.a.). Ook hier in Daniël 9 is de aanwezigheid van de heerlijkheid van God te midden van zijn volk het einddoel. Het blikveld is dus Israël en Jeruzalem.
De ‘zeventig weken profetie' is een drama met drie bedrijven.
• De eerste periode, ‘zeven zeventallen', is die van herstel en herbouw van Jeruzalem. De exacte begintijd is omstreden.
• De tweede periode (62 zeventallen) is de tijd die begint met de herbouw van de tweede tempel en de eerste gezalfde. Deze wordt in vs.25 als volgt getypeerd: ‘Jeruzalem zal tweeënzestig ‘zeventallen' lang hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden.
• De derde en laatste periode (vs.26-27) wordt gekenmerkt door Gods oordeel: het begint met de gewelddadige dood van een gezalfde, die gevolgd wordt door de komst van de antigoddelijke vorst en de verwoesting van stad en tempel. De loutering van het volk komt in deze laatste tijd tot een climax.
We kunnen concluderen dat men er vanuit het boek Daniël en het Oude Testament geen zicht op krijgt wie met de tweede gezalfde bedoeld wordt.
De grote vraag is: is Jezus de tweede gezalfde of niet? En wie is de ‘vorst die komen zal'? Nog belangrijker: is hij al gekomen of moet hij nog komen? We gaan naar het Nieuwe Testament om te zien of we op deze vragen een antwoord krijgen.

 

Jezus' klacht over Jeruzalem

We gaan hiervoor naar de klacht die Jezus uitspreekt over Jeruzalem in Mat.23:37-39//Luc.13:34-35. De meerderheid van de onderzoekers gaat ervan uit dat Matteüs de oorspronkelijke plaats van deze uitspraak van Jezus heeft bewaard:
Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt verlaten/woest aan u overgelaten. Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!
Jezus heeft de kinderen van Jeruzalem, d.w.z. de Israëlieten, willen verzamelen zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels bijeenbrengt. Maar ze hebben niet gewild. Vervolgens kondigt hij een oordeel aan: ‘zie uw huis wordt verlaten aan u overgelaten'. Nu kan het huis de tempel aanduiden, maar ook de stad. Bovendien kan aphietai (verlaten, achterlaten) zowel duiden op het prijsgeven aan vijanden als het verlaten worden door God, maar naar Joodse voorstelling zijn de verschillende betekenissen nauw met elkaar verweven.
Met andere woorden, Jezus zegt dat God tempel en stad opgeeft, dat het volk de goddelijke bescherming verliest en dat Jeruzalem wordt prijsgegeven aan de vijanden.
Maar er is nog een tweede oordeelsaankondiging, namelijk: ‘u zult mij niet meer zien'. Jezus spreekt hier over zijn vertrek, zijn dood, als een oordeel. En hij brengt zijn dood in verband met Gods afwezigheid in de tempel, met de verwoesting van de stad en een heilloze tijd voor Israël. We zien hier dus niet alleen dat er sprake is van een tussentijd tussen de dood van Jezus en de komst van de Mensenzoon, maar ook dat deze tijd wordt beschreven als een oordeelstijd.
Tegen de achtergrond van Dan 9:24-27 worden deze woorden van Jezus begrijpelijk. Voor een verband met Dan.9 als achtergrond van Jezus' uitspraak zijn minstens vijf exegetische argumenten/1. Anders gezegd: alles wijst erop dat Jezus zichzelf heeft vereenzelvigd met de gezalfde uit Dan.9:26 en dat hij zijn dood en de gevolgen daarvan beschreven zag in Dan. 9:26b-27.

 

Jezus is de gezalfde uit Dan.9:26

Deze conclusie wordt sterk bevestigd door twee gegevens. Ten eerste stellen veel exegeten met Rudolph Bultmann dat Matteüs de oorspronkelijke plaats van de ‘klacht over Jeruzalem' bewaard heeft en dat deze deel uitmaakt van de eindtijdrede (Mat.24). erēmos (verlaten, woest) in vs.38 legt een duidelijke link met de ‘gruwel der verwoesting' -erēmōseōs - in Mat.24:15.
Een tweede argument is het onderzoek van de Zweedse nieuwtestamenticus Lars Hartman in zijn dissertatie ‘Prophecy Interpreted' (in 1966). Hij toonde aan dat Jezus' toespraak over het einde (Mat.24; Mar.13; Luc.21) een midrasj is, een ‘uitleg' gebaseerd op Daniël 7, 8, 9 en 11.
Hij ziet in deze midrasj twee brandpunten: de komst van de ‘antichrist' en de komst van de Zoon des Mensen.
Op grond van de verwoording van de klacht over Jeruzalem als ook de context bij Matteüs kunnen we concluderen dat Jezus zichzelf zag als de tweede gezalfde uit Dan 9:24-27 en dat Hij zijn dood zag als een overgang naar de 70e ‘jaarweek'. In het midden van deze week zal de ‘gruwel der verwoesting' ofwel de pseudo-christus of ‘antichrist' zich openbaren (Mat.24:15). Daarmee breekt een tijd aan, die zal uitmonden in de majestueuze aanwezigheid van God te midden van zijn volk bij de komst van de Zoon des Mensen.

 

Eindtijd in twee fasen

Wanneer we deze conclusie nu bijbels-theologisch verwerken, dan kunnen we stellen dat vanuit het perspectief van het NT de zeventigste ‘jaarweek' in Daniël 9 de eindtijd is. Deze eindtijd begint met de dood van Jezus en eindigt met zijn komst in heerlijkheid en aanwezigheid van God te midden van zijn volk. Deze opvatting vinden we door het hele NT heen, bij Petrus (Hand.2:17; 2Petr.3:3), Paulus (2Tim.3:1) en Jakobus (Jak.5:3). Maar hier blijkt ook dat de eindtijd twee fasen kent, een eerste die begint met de dood van Jezus, en een tweede die begint met het optreden van de antichrist./2 
Voor ons die leven tussen de eerste en de tweede komst van Christus begint de strikte eindtijd, de tijd die direct uitloopt op de wederkomst van Jezus, met het openbaar worden van de antichrist.

 

Apocalyptisch wereldbeeld

Het einde dat we volgens Jezus en de apostelen tegemoet gaan begint niet met de komst van de Zoon des mensen en de opstanding uit de doden, maar met het optreden van de antichrist.
De bijbel leert geen evolutionistische eschatologie (à la Teillard de Chardin), maar een apocalyptische eschatologie. Deze wereld wordt niet steeds beter en gaat niet geleidelijk en vloeiend over in een duurzame, rechtvaardige schepping. Dat de geschiedenis zich tot in het oneindige zal voortzetten is niet meer dan ‘wishful thinking' (Moltmann), dus geloof, het zgn. vooruitgangsgeloof.
Er is geen Koninkrijk van God zonder een oordeel over de goddeloosheid, er is geen wedergeboorte van de kosmos zonder de geboorteweeën van de eindtijd.

 

Litteratuur:

G. van den Brink, Jezus, Israël en de kerk. Over de messiaanse oorsprong van de kerk uit de volken, Veenendaal, 2010.
L. Hartman, Prophecy Interpreted. The Formation of Some Jewish Apocalyptic Texts and of the Eschatological Discourse Mark 13 par., Lund 1966.
H. Rigger, Siebzig Siebener, die "Jahrwochenprophetie"in Dan. 9, Trier 1997.

Noten:

1. Wat betreft de literaire vorm staat deze uitspraak van Jezus in een context zoals we die in het Oude Testament het meest expliciet in het boek Daniël vinden. 2. Inhoudelijk hebben de woorden een eschatologische spits. 3. Door de dood van de spreker, die hier een Messiaans zelfbewustzijn toont, zal het oordeel van God over volk en stad komen en breekt er een heilloze tijd aan voor Israël. 4. erēmos (eenzaam, verlaten, woest) in vs.38 komt in Dan.9:26-27 wel drie keer voor. (hiermee zinspeelt Jezus op de ‘gruwel der verwoesting', vgl.Mt.24:15). 5. De oordeelstijd zal een einde hebben: er is een ‘totdat'. G. van den Brink, Jezus, Israël en de kerk, 28.
2. Ook het boek Openbaring tekent een eindtijd in twee fasen. Er wordt meerdere keren melding gemaakt van een periode, die onder invloed van de terminologie in Daniël, wordt omschreven met ‘tweeënveertig maanden' (11:2; 13:5), ‘twaalfhonderdzestig dagen' (11:3; 12:6) of ‘tijd, tijden en een halve tijd' (12:14). Elke omschrijving komt overeen met drie en een half jaar ofwel de halve ‘jaarweek' uit Daniël 9:27. Ook hier betreft het de tijd van het herstel van het Beest (= antichrist; Op.13). Uit de gebruikte tijdvormen (futurum) blijkt dat deze periode op het moment van schrijven voor Johannes nog toekomst is. Zie excurs ‘De antichrist' in SBNT 10, 547-548.