De inspiratie van de Schrift

 ©  copyright  drs Gijs van den Brink 1998

Er bestaan wijdverbreide twijfels bij de moderne mens met betrekking tot de taal als efficiënt communicatiemiddel. De grote taalfilosoof Ludwig Wittgenstein schreef dat alles wat gezegd kan worden duidelijk gezegd kan worden; dat hetgeen we niet duidelijk kunnen zeggen, we beter helemaal niet kunnen zeggen en dat existentiële vragen, die ons het meest bezighouden, onuit­spreekbaar zijn[1]. Als dit al zo is onder mensen van gelijke natuur, hoeveel te meer dan in de relatie tussen God en de mens.

Zo vinden we dan ook een wijdverbreid ongeloof onder vele moderne christenen dat God zichzelf sprekend openbaart. De Bijbel is volgens hen niet een boek, waarin God spreekt tot mensen, maar waarin mensen spreken over God. Een en ander wordt nog versterkt door de grote invloed van oosterse godsbeelden, die benadrukken dat God onpersoonlijk is, zich dus niet verbaal uit en ook niet onder woorden te brengen is. Het is duidelijk dat hier de kern van het christelijk geloof in het geding is, te weten de zelfopenbaring van de God van Abraham, Izaäk en Jakob.

Deze God openbaart zich namelijk in een proces van gebeurtenissen en hun interpretaties. Hij openbaarde zich bijvoorbeeld in het gebeuren dat Jezus Christus stierf aan het kruis op Golgota, maar ook in de interpretatie hiervan, dat dit moest gebeuren tot vergeving van onze zonde. Bij zo'n wijze van openbaring passen schriftelijke documenten; dit is immers de enige verantwoorde vorm om geschiedenis aan latere geslachten door te geven. Bij een openbaring in het natuurgebeuren of in de stille diepte van het mensenhart is het boek niet nodig en zelfs vreemd.

 

Inspiratie en gezag

 

Deze schriftelijke documenten nu, of wel deze verzameling van woorden zijn voor ons gezaghebbend, omdat ze door God werden gesproken: ‘Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon,...' (Hebreeën 1:1-2). Het met elkaar verbinden van het gezag en de inspiratie van de Bijbel is wel de evangelische of reformatorische visie genoemd. We komen hier straks op terug.

Er bestaan ook andere visies op het gezag van de Schrift. Packer[2] catalogiseert drie benaderingen. Zo is er de traditiona­listische visie, die stelt dat het uiteindelijk gezag over geloof en leven ligt bij de officiële leer van het instituut kerk. Om God en Bijbel te kennen moet men de traditie van de kerk raadplegen. Deze opvatting ontkent niet dat de Heilige Schrift door God gegeven is en dus gezaghebbend is, maar beweert wel dat de Bijbel niet volledig is en ook niet begrijpelijk zonder de uitleg van de kerk.
Het meest bekende voorbeeld is de R.K. kerk met apocriefen in de canon, de Vulgaat als gezaghebbende vertaling en leerstel­lingen als de onfeilbaarheid van de Paus en de hemelvaart van Maria.

Vervolgens is er de ‘subjectivistische visie': het laatste gezag voor mijn geloof en leven ben ik zelf. Deze visie kent vele vormen, meer mystieke of spirituele en meer rationele of combinaties van beiden. De meer spirituele vorm hebben we bijvoorbeeld in de veel gehoorde opmerking: ik geloof in wat ik voel (wat waar is of wat God zegt). De rationele component ontmoeten we bijvoorbeeld in de bijbelopvatting van de verschil­lende bevrijdings-theologieën, waar de situatie van de hoorder of lezer de waarde van de bijbeltekst bepaalt. Alle vormen hebben echter één ding gemeen: het laatste gezag is het oordeel van mijn verstand of mijn geweten of mijn religieus gevoel. Het lijkt erop dat geloof hier een zaak is van loyaal zijn aan de eigen religieuze overtuigingen.

Dan is er de evangelisch-reformatorische visie op het gezag van de Bijbel, die we boven al noemden. In deze opvatting worden gezag en inspira­tie met elkaar verbonden. Het laatste gezag rust in de Bijbel zelf. ‘Sacra Scriptura est Verbum Dei' of: de Heilige Schrift is het Woord van God. Dit gezag wordt bevestigd door het getuigenis van de Heilige Geest in ons hart en niet door het gezag van de kerk of van het verstand. Verder is de openbaring van God in de Bijbel volledig en behoeft niet aangevuld te worden door de kerkelijke traditie. Deze openbaring is ook begrijpelijk en er mag geen onafhankelijk gezag toegekend worden aan het verstand. De traditie, de kerk en de individuele christen kunnen dwalen en doen dat ook, maar de Bijbel, het Woord van God, moet hen corrigeren. Na deze wat uitvoerige inleiding gaan over op het NT.

 

Wat Jezus en de apostelen leerden

 

Hier moeten we eerst vaststellen wat we gaan bespreken en wat we laten rusten, omdat het buiten het directe gezichtsveld van ons onderwerp valt. De leer omtrent de Bijbel kunnen we verdelen in drie onderwerpen, nl: haar oorsprong, haar karakter en haar interpretatie. De interpretatie is het gebied van de hermeneutiek, dat we in de volgende twee hoofdstukken behandelen. Het karakter van de Heilige Schrift omvat o.a. thema's als canon en gezag, die we al onder de loep hebben genomen. We hebben het hier over de oorsprong van de Bijbel, dat wil zeggen haar Goddelijke inspiratie.

Het Oude Testament kent de inspiratie van de profeet. Zo lezen we in Zacharia 7:12 ‘...de woorden, die de Here der heerscharen door Zijn Geest, door de dienst van de vroegere profeten had doen overbrengen' ; en in Jeremia 15:19 ‘...Indien gij uitspreekt wat waarde heeft, zonder vermetele taal, zult gij als mijn mond zijn'. We blijven echter met twee vragen zitten.

Mag de inspiratie van de profeet zomaar vereenzelvigd mag worden met de inspiratie van de profetische boeken? Het OT heeft deze stap nog niet echt gedaan, hoewel Jeremia 36:1-2 wel duidelijk deze richting aangeeft: ‘In het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda kwam het woord van de Here tot Jeremia : Neem een boekrol en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u over Israël, Juda en alle volken gesproken heb, sedert de tijd van Josia tot op heden'. De tweede vraag is of deze Goddelijke inspiratie ook geldt voor de niet-profetische boeken?

Het Nieuwe Testament brengt ons verder[3]. Hier blijkt dat men met de term ‘de Schriften' aan de boeken van het OT een absoluut waarheidsgehalte en een onomstote­lijk gezag toekent. We vinden dat expliciet uitgedrukt in de woorden van Jezus in Johannes10:34-36. Als de joden Jezus willen stenigen, omdat Hij zichzelf God maakt, antwoordt Hij hun: ‘Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: Gij zijt goden? Als Hij hen goden genoemd heeft, tot wie het Woord Gods gekomen is, en de Schrift niet kan gebroken worden, zegt Gij dan tot Hem, die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert, omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?'

Het ‘gij zijt goden' is een citaat uit Psalm 82:6. Het schriftbe­wijs wordt gevoerd volgens een methode van de rabbijnen, waarbij men hetgeen wat van toepassing is op zaken van ondergeschikt belang eveneens toepast op een belangrijker zaak. Als God de personen uit Psalm 82 aanspreekt met ‘goden', hoewel zij slechts mensen zijn en blijkens het verband van de Psalm zelfs slechte rechters, hoeveel te meer mag Jezus Zich dan Zoon van God noemen, aangezien Hij door God Zelf is geheiligd.

Het is heel toepasse­lijk dat Jezus hier met Zijn beroep op een bepaald Schriftwoord een algemene opmerking over de hele Schrift toevoegt: ‘En de Schrift kan niet gebroken worden', dat wil zeggen kan niet ontbonden worden, kan niet opzij gezet worden. Hetzelfde Griekse woord (luo), wordt gebruikt als in Matteüs 5:19 waar de Here Jezus over de wet en de profeten (d.w.z. het OT) zegt: ‘Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt (luo) en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen'.

Hij reageert hier op de idee dat het OT en met name de Wet een verzameling van afzonderlijke geboden zou zijn, waarin men naar believen enige gedeelten als meer en andere als minder geldend zou kunnen beschouwen. Jezus leert Zijn discipelen (en dus ook ons) de ondeelbaarheid van de Schrift tot in de kleinste onderdelen.

Verder blijkt ook dat het God is die in de Schriften spreekt. Oudtestamentische citaten kunnen ingeleid worden met ‘God zegt' of ‘de Heilige Geest zegt'. Het laatste bijvoorbeeld in Hebreeën 3:7 ‘Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet, zoals bij de verbittering'. Het citaat komt uit Psalm 95.

Verder kunnen ‘God zegt' en ‘de Schrift zegt' zonder meer verwisseld worden. Dit zien we bijvoorbeeld in Romeinen 9:15 en 17. In vers 15 lezen we ‘Want Hij (God) zegt tot Mozes: Over wie Ik mij ontferm, zal Ik mij ontfermen' en in vers 17 ‘Want het schriftwoord zegt tot Farao: daartoe heb ik u doen opstaan' en in vers 18: ‘Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil'.

Dat God spreekt in de Schriften blijkt ook uit de personifi­catie van de Schrift, zoals we bijvoorbeeld in Galaten 3:8 tegenkomen: ‘En de Schrift, die tevoren zag, dat God de heidenen uit geloof rechtvaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkon­digd'. Deze personificatie blijkt ook uit het veelvuldige ‘de Schrift zegt', dat in niet christe­lijke literatuur niet voorkomt.

We moeten concluderen dat het Nieuwe Testament de identificatie van het gesproken en geschreven Woord leert, dat wil zeggen een inspira­tie van de Schrift naar inhoud als ook in vorm. In de lijn van deze conclusie wil ik nu twee teksten noemen die expliciet over inspiratie spreken: 2 Petrus 1:21 ‘Want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken.' Petrus spreekt hier over de inspiratie van het gesproken woord.

In 2 Timoteüs 3:16 lezen we echter het volgende: ‘Elk van God ingegeven schriftwoord ...' (NBG) of met de woorden van de Statenvertaling ‘Al de Schrift is van God ingegeven'. Paulus spreekt hier over de inspiratie van het geschreven woord. In het licht van onze eerder vermelde conclusie is hier geen sprake van een tegengestelde of zelfs maar verschillende opvatting. Zoals we reeds zagen leert het NT ons dat we tussen de inspiratie van het gesproken en de inspiratie van het geschreven woord geen onderscheid mogen maken.

 

Een historisch uitstapje

 

Er is in de geschiedenis van het christendom erg verschillend gedacht over de inspiratie van de Bijbelschrijver[4]. In de vroeg hellenistische gemeente  werd deze inspiratie vooral vergeleken met extase. De auteur zou onder een soort verdoving geschreven hebben. Vandaag zou men spreken van automatisch schrift.

Even later, wanneer de extase meer en meer een teken van valse profetie wordt, gaat men de schrijversinspiratie vergelij­ken met het dicteren van een tekst.

In de moderne tijd (sinds Schleiermacher) is de personele inspiratie, zoals we die bijvoorbeeld bij kunstenaars tegenkomen, erg geliefd. Alleen de gedachte is door de Geest ingegeven, niet de woorden.

Een combinatie van de vroegchristelijke visie en de moderne ontwikkelde zich in de gereformeerde traditie, waar men ging spreken over een organische inspiratie, waarbij God volledig inspireert en de mens volledig mens blijft.

Deze theorieën zijn echter alle onvolledig als geen rekening gehouden wordt met twee zaken, namelijk de inspiratie van de Schrift naast die van de schrijver en vervolgens de verschillende literaire genres. Apocalyptiek komt anders tot stand dan poëzie. Maar de theologische werkelijk­heid van de inspiratie is in alle gevallen gelijk en dat komt duidelijk tot uiting als we spreken over de inspiratie van de Schrift.

De Kerk heeft door de eeuwen heen beleden in navolging van het NT: Sacra Scriptura est Verbum Dei, de Heilige Schrift is het Woord van God. Vroege kerkvaders als Origenes en Hieronymus spraken al over ‘een alle woorden omvattende inspiratie' en met name Cyprianus en Augustinus over: ‘het normatieve gezag van het geschreven Woord'[5].

Dit alles sluit direct aan bij 2 Timoteüs 3:16 ‘Elk van God ingegeven Schriftwoord'. De inspiratie is betrokken op de graphe, op de concrete woorden. Dit kan ook niet anders, want de Schrift kan niet in extase raken, kan niet horen en niet voelen! Schriftinspiratie is per definitie verbaal, woordelijk.

Zoals eerder gezegd willen we beslist niet de leiding van de Geest in alle processen, die aan het geschreven Woord vooraf gaan, ontkennen. Het is echter het eindproduct, het geschreven Woord, waarvoor we de term ‘inspiratie' willen reserveren, dit in navolging van het NT in het algemeen en 2 Timoteüs 3:16 in het bijzonder. En deze inspiratie is ten allen tijde verbaal. Een niet-woordelijke Schriftinspiratie zou een contradictio in terminis zijn, een tegenstelling in gebruikte termen.

 

Handschriften en LXX-citaten

 

Er zijn met betrekking tot de verbale inspiratie twee veel gehoorde tegenwer­pingen. De eerste heeft betrekking op het vaststellen van de oorspronkelij­ke tekst. Er zijn namelijk geen oorspronkelijke handschriften bewaard gebleven en we hebben van (gedeelten van) het NT wel 5000 handgeschreven kopieën met vele kleine verschillen.  Hoe kun je nu in een woordelijke inspiratie geloven, als deze woorden niet exact bekend zijn, zo stelt men.

Nu maakt het echter principieel niet uit of alle woorden bekend zijn. De woordelijke inspiratie betreft namelijk de oorspronke­lijke tekst. De vraag is echter of zo'n geloofswaarheid nog praktisch nut heeft? Op deze vraag moeten we met de grootste stelligheid bevestigend antwoor­den. Er zijn namelijk slechts een gering aantal woorden onzeker en slechts een zeer gering aantal maakt de betekenis onzeker, namelijk ongeveer 1 op de 1000 woorden. Het is in de praktijk verstandiger zich te laten bepalen door 99 zekere woorden dan door 1 onzeker. Daarom tast de tekstkritiek de verbale inspiratie niet aan. Het ligt juist omgekeerd : de verbale inspiratie maakt de wetenschap van de tekstvaststelling tot een zaak van essen­tieel belang.

Vervolgens is er de kwestie van de oudtestamentische citaten in het NT, die vaak de tekst van de Septuagint (LXX) volgen. De vraag die gesteld moet worden is deze : Als de nieuwtestamentische schrijvers geloofden in een verbale inspiratie, hoe kunnen ze dan het OT citeren in een Griekse vertaling in plaats van in de Hebreeuwse grondtekst?

We dienen hier op het volgende te letten. Ten eerste is er ten tijde van het NT beslist geen sprake van dé Septuagint, maar van verschillende Griekse vertalingen. Bovendien waren deze niet in boekvorm in omloop, maar in de vorm van rollen. Dit sluit de gedachte van een geïnspireerde vertaling uit! Het is daarom ver­helderend onderscheid te maken tussen vorm en inhoud, ofwel woord en betekenis.

In de Mohammedaanse visie op de inspiratie van de Koran is woord en betekenis zodanig verbonden dat een vertaling van het origineel niet meer het heilige boek is. Bij de Bijbel is dit anders: hier gaat het om de inhoud, om de beteke­nis. Als we echter de woorden verliezen, zullen we ook de betekenis verliezen. Toch hebben de woorden geen waarde op zich, maar zijn voertuigen en bewakers van de boodschap. Daarom zijn bijbelvertalingen volledig Heilige Schrift, tenminste voorzover ze de betekenis van de grondtekst juist weergeven.

Dit geldt ook voor het gebruik van de LXX in het NT. De kwestie of de LXX de Hebreeuwse tekst juist weergeeft ligt op het vlak van de interpretatie van de Bijbel, maar heeft geen consequenties voor de woordelijke inspiratie van de Schrift. De kwesties van handschriften en LXX-citaten hebben ons al midden in de hermeneutiek doen belanden.

 

 Hermeneutische consequenties van de verbale inspiratie

 

We concluderen dat de inspiratie van de Bijbel volledig is (‘al') en woordelijk (‘de Schrift'). Volledig staat tegenover gedeelte­lijk. Woordelijk staat tegenover personeel, de opvatting dat God alleen de gedachten gaf, die de schrijvers in eigen woorden beschreven hebben. Dat leidt snel tot subjectivisme: er staat dit, maar bedoeld is ... (vul maar in). Het gaat namelijk niet om de bedoeling van de schrijver, maar om de betekenis van woorden en zinnen.

In dit opzicht stellen wij ons tegenover de historisch-kritische methode van bijbeluitleg, waar de auteursintentie het doel van de exegese is. Dit heeft geleid tot een atomistisch versnijden van de tekst. De verbale inspiratie vraagt ten eerste om een uitleg van ‘al de Schrift', dat wil zeggen de gehele tekst en geen versneden tekst.

Ten tweede bepaalt zij het doel van de exegese namelijk het kennen van de in de tekst beschreven werkelijkheid. Het gaat om het kennen van de bedoeling van de Grote Auteur, God. De bijbelge­trouwe benadering heeft dus de bijbeltekst als uitgangs­punt, de bijbelschrijver en de huidige lezer als middel en het kennen van de goddelijke werkelijkheid als doel. Zowel het gegeven van de tekst als uitgangspunt van exegese, als ook de verbale inspiratie vragen om een tekstvast­stelling voorafgaande aan en onafhankelijk van de exegese. We herhalen nog eens: de verbale inspiratie maakt de zogenaamde tekstkri­tiek tot een zaak van essentieel belang.

We willen tot slot wijzen op een analogie tussen Jezus Christus, het levende Woord van God en de Bijbel, het geschreven Woord van God. Zoals Christus er is om ons tot God de Vader te brengen, zo is de Schrift er om ons tot Jezus Christus te brengen. Op grond hiervan is er gezegd: ‘waar een erkenning van de Heilige Schrift als een adequate verbale communicatie van God met de mens ontbreekt, ontbreekt ook een adequate erkenning van Jezus Christus.'

De leer van de woordelijke inspiratie van de Bijbel heeft dan ook geen rationalistische oorsprong, maar een soterio­logi­sche en doxologische. Het gaat om de redding van de mens door Jezus Christus en de eer van God de Vader. Daarom belijden wij met de kerk van alle tijden: sacra scriptura est verbum dei.

 

 

 



[1] L. Wittgenstein, Tractatus Logico-Philosophicus, C.K. Ogden, vert. (London, 1922) 27,186-189

[2] J.I. Packer, Fundamentalism and the Word of God (London 1958, Grand Rapids 1980) 775-778

[3] Een goede inleiding biedt: J.W. Wenham, Christ and the Bible. London, 1972

[4] O. Weber, ‘Inspiration', RGG III (3e dr., Tübingen, 1959) 775-778

[5] O. Weber, ‘Inspiration', RGG III (3e dr., Tübingen, 1959) 776