Is de apostel Johannes meer dan een profeet?

Christelijke profeten in het boek Openbaring

 

Gijs van den Brink, Studiebijbel Magazine 2.1, 2008

 

Hoe stelt Johannes zich voor aan zijn hoorders of lezers? Presenteert hij zich als een profeet en is hij te vergelijken met de vroeg-christelijke profeten, zoals we ze ook elders in het Nieuwe Testament en in de vroege kerk tegenkomen? Of is Johannes toch meer? Deze bespreking is ook voor christenen vandaag van behoorlijk belang. Wanneer in de gemeente de gave van profetie zich openbaart, komt direct de vraag naar voren hoe zich het gezag van deze profetie verhoudt tot de openbaring in de Schrift. Nu is een dogmatisch antwoord (we moeten alles toetsen aan de Schrift) snel gegeven, maar hoe ging men hier in de eerste gemeente mee om, toen er nog geen geschreven Nieuwe Testament voorhanden was? Waarom zouden de profetieën van Johannes meer gezag hebben dan die van andere christelijke profeten?

 

Nieuwtestamentische profeten?

 

In het boek Openbaring is opvallend vaak sprake van ‘profeten'. De eerste vraag die we moeten beantwoorden is of met deze ‘profeten' profeten uit het Oude Testament bedoeld zijn of profeten die leven ten tijde van Johannes, ook wel gemeenteprofeten genoemd.

In 10:7 lezen we ‘maar in de dagen van ... is ook voleindigd het geheimenis van God, gelijk Hij zijn knechten, de profeten, heeft verkondigd'. Omdat deze woorden een toespeling zijn op Amos 3:7 moeten we hier met name aan de profeten van het Oude Testament denken, hoewel christelijke profeten niet kunnen worden uitgesloten.

In hoofdstuk 11 (vers 10) worden de twee getuigen ‘profeten' genoemd. Het betreft hier twee profeten, van wie de inhoud van hun getuigenis nergens precies aangeduid wordt. Omdat in vers 8 Jezus ‘hun Heer' wordt genoemd, in dit gedeelte ‘getuigen' en ‘profeteren' afwisselend gebruikt worden en omdat ook elders in Openbaring sprake is van getuigen van Jezus (12:17; 17:6), nemen we aan dat ook deze twee profeten niet alleen het oordeel aankondigen, maar ook getuigen van Jezus zijn. Zij zullen optreden ten tijde van de antichrist en hun optreden wordt beschreven op een wijze die herinnert aan de grote profeten Mozes en Elia (11:5-6).

De volgende passages brengen ons verder, want daar komt het woord ‘profeet' in combinatie met andere groepen voor. In 11:18 lezen we over ‘de tijd voor de doden om geoordeeld te worden en om het loon te geven aan uw knechten, de profeten, en aan de heiligen en aan hen, die uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten'. Degenen die ‘loon' ontvangen worden met drie woorden aangeduid: ‘uw knechten de profeten', ‘de heiligen' en ‘degenen die uw naam vrezen'. De ‘profeten' in de gemeenten die in Openbaring vaker apart genoemd worden (16:6; 18:20,24), worden hier onderscheiden van de andere gelovigen, die weer onderscheiden worden in gelovigen van joodse oorsprong en gelovigen uit de heidenen (vgl. 7:4-8 met vs.9 en 12:13-16 met vs.17).

Vervolgens komen we de profeten weer tegen in 16:6 (vgl. 17:6): ‘Omdat zij (= de bewoners van de aarde) het bloed der heiligen en der profeten vergoten hebben, hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven'. Deze profeten worden vermoord door de heidense volkeren en daarom betreft het hier christelijke profeten die onder de genoemde volkeren hun getuigenis hebben gegeven. Dit staat los van het antwoord op de vraag of we hier met twee groepen (heiligen en profeten) of met een (heilige profeten) te maken hebben. In ieder geval worden de profeten en de gelovigen hier op één lijn gesteld.

Ook in 18:20 (en 24), waar opgeroepen wordt om de val van Babylon te bejubelen, is het duidelijk dat het om profeten in de christelijke gemeente gaat. Er wordt hier gesproken over drie groepen gelovigen: heiligen, apostelen en profeten. Eerst worden de gelovigen in het algemeen genoemd en vervolgens worden twee belangrijke groepen in de gemeente onderscheiden: de apostelen en de profeten. Met de apostelen worden ‘de twaalf' bedoeld (vgl. 21:14) en met de profeten die na de apostelen genoemd worden de profeten in de christelijke gemeente (vgl. Ef.2:20; 3:5). In vers 24 worden dezelfde profeten nog eens genoemd.

We zien dus dat in het boek Openbaring naast een enkele verwijzing naar oudtestamentische profeten, de term ‘profeet' voornamelijk gebruikt wordt voor christelijke profeten, ook wel gemeenteprofeten genoemd. Maar terug naar onze hoofdvraag: hoe zit het nu met Johannes zelf? Is hij één van deze gemeenteprofeten?

 

Wat is een christelijke profeet?

 

Het eerste dat opvalt is dat Johannes het woord profeet nergens voor zichzelf of zijn optreden gebruikt. Het is verder opmerkelijk dat deze gemeenteprofeten de ene keer worden onderscheiden van de gelovigen in het algemeen, een andere keer met hen worden gelijkgesteld. Het is daarom niet mogelijk een scherp onderscheid tussen beiden aan te brengen in termen van voorrang of positie. Dit beeld komt overeen met het beeld van de christelijke profetie zoals we dat tegenkomen in het boek Handelingen, in de brieven van Paulus en later bij de Apostolische Vaders. Iedere gelovige kan in principe een profetie ontvangen (1Kor.14), maar sommigen krijgen meer profetieën dan anderen en ontvangen erkenning in de gemeente als ‘profeet'. Inhoudelijk liggen de profetieën op het vlak van bemoedigen en vermanen en het praktisch sturing geven aan de gemeente en de individuele gelovigen.

Een voorbeeld bij Paulus vinden we in 1Kor.14:24-25: ‘Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of toehoorder binnen, dan wordt hij door allen weerlegd, wordt hij door allen doorgrond, het verborgene van zijn hart komt aan het licht en hij zal zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden, dat God inderdaad in uw midden is.' En in Hand.11:27-28 lezen we: ‘En in die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochië; en één uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius.'

De boodschap van de christelijke profeten moet getoetst worden (vgl. 1Kor.14:29-33), wat dus betekent dat de profeet onderworpen is aan de leiding van de Geest in de gemeentelijke samenkomst. Als we deze invulling van de vroeg-christelijke gemeenteprofetie zien, beseffen we waarom Johannes het woord ‘profeet' niet voor zichzelf of zijn bediening gebruikt. De boodschap die Johannes ontvangt, is veel vernieuwender en heeft veel meer gezag dan de woorden van de gemeenteprofeten.

 

De taak van de profeten in Openbaring

 

In verband met het hierboven genoemde onderscheid tussen Johannes en de profeten en door wat we weten uit de rest van het Nieuwe Testament en de vroege kerk in de eerste eeuw, is het duidelijk dat de gemeenteprofeten niet deden wat Johannes deed, namelijk een boek schrijven. Maar hebben we aanwijzingen in het boek Openbaring wat deze profeten dan wel deden?

Een sleutelvers voor een antwoord op deze vraag is 22:16: ‘Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden, om jullie (meervoud) dit te betuigen voor (epi) de gemeenten.' Taalkundig is duidelijk dat met ‘jullie' en ‘de gemeenten' twee verschillende groepen worden aangeduid. Uitleggers hebben gedacht aan de martelaren, de voorlezers in de gemeenten, de gezanten die de brief naar de gemeenten brachten en aan profeten die met Johannes in contact stonden. Voor de martelaren is geen argument te vinden, maar de andere mogelijkheden zijn goed denkbaar en sluiten elkaar bovendien niet uit. De meest waarschijnlijke en daarom ook wijd verbreide visie is dat de ‘jullie' in vers 16 de ‘dienstknechten van God', dat wil zeggen de profeten uit de verzen 6 en 9 zijn.

In vers 9 zegt de engel tegen Johannes: ‘Ik ben een mededienstknecht van u en van uw broeders, de profeten, en van hen, die de woorden van dit boek bewaren.' Maar wie zijn deze profeten? De oudtestamentische profeten of christelijke gemeenteprofeten? Omdat het bij de laatste groep ‘die de woorden van dit boek bewaren/gehoorzamen' tijdgenoten van Johannes betreft, ligt het voor de hand dat dit wat betreft de profeten ook het geval is. Bovendien heeft ons vers een duidelijk inhoudelijke en structurele parallel in 19:10: ‘En ik wierp mij neder voor zijn voeten om hem te aanbidden, maar hij zeide tot mij: Doe dit niet! Ik ben een mededienstknecht van u en uw broederen, die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God! Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie.' Deze duidelijke overeenkomst is een tweede en sterke aanwijzing dat ook de in 22:9 genoemde profeten gemeenteprofeten en tijdgenoten van Johannes zijn en verder dat met ‘jullie' in 22:16 deze christelijke profeten bedoeld zijn.

We kunnen nog een stap verder komen met de term ‘dienstknecht' van God. De ‘dienstknechten' in 22:6 zijn dus christelijke profeten. Maar hoe is dat met het overeenkomstige 1:1? Dit vers luidt: ‘Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden, en welke Hij door de zending van zijn engel aan zijn dienstknecht Johannes heeft te kennen gegeven.' Met ‘dienstknecht van God' kunnen in het boek Openbaring gelovigen in het algemeen aangeduid worden (2:20; 7:3; 19:2,5 (?); 22:3), christelijke profeten (10:7; 11:18), Johannes (1:1), Mozes (15:3) of slaven in de letterlijke betekenis van het woord (6:15; 13:16; 19:18). Wat betreft Openbaring 1:1 en 22:6 hebben we dus twee mogelijkheden: gelovigen in het algemeen of vroeg-christelijke profeten. Omdat het, zoals we gezien hebben, in 22:6 profeten betreft, is dit ook voor het parallelle vers 1:1 het meest aannemelijke.

Als in deze verzen dus profeten bedoeld zijn, is het duidelijk dat deze in contact stonden met Johannes en dat hij aan hen het boek Openbaring toevertrouwt. Het is verder ook aannemelijk dat zij zorg moeten dragen voor de verzending aan en het voorlezen in de gemeenten. Het is dan ook zeer waarschijnlijk dat de ‘engel van de gemeente' (2:1,8,12,18; 3:1,7,14) een menselijke boodschapper (aggelos bode, boodschapper) is en geen hemelse (vgl. in het Oude Testament Hag.1:13; Mal.2:7). Bovendien zien we dan dat deze profeten niet alleen in contact stonden met Johannes, maar ook in een nauwe relatie stonden met de genoemde gemeenten. Ook elders in het Nieuwe Testament zien we dat na de apostelen de profeten een belangrijke plaats innemen in het gemeenteleven (Ef.2:20; 3:5).

 

Plaats en gezag van Johannes

 

Als we de functie van de vroeg-christelijke gemeenteprofeten in het algemeen en in het boek Openbaring in het bijzonder vergelijken met de positie en functie van Johannes, kunnen we concluderen dat Johannes zich niet met hen op één lijn stelt. Het gegeven dat hij zich nergens presenteert als een ‘profeet' blijkt geen toevalligheid te zijn, maar een inhoudelijke reden te hebben. Johannes is een echte visionair, die anders dan de gemeenteprofeten zijn visioenen in een boek heeft opgeschreven. Hij is in dit opzicht uniek in de eerste gemeenten en staat wat betreft het gezag dat hij claimt dichter bij de profeten van het Oude Testament dan bij de vroeg-christelijke profeten. Zijn gezag en zijn woorden doen denken aan het ‘zo spreekt de Heer' op de lippen van de grote profeten uit het oude verbond, die inzage hadden in de raad des Heren (Jer.23:18,22; Amos 3:7; vgl. Op.1:1).

In tegenstelling tot het gezag van de vroeg-christelijke profeten staat het gezag van Johannes vast en mag zijn profetie niet aan kritiek of toetsing onderworpen worden: ‘Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn' (22:18-19).

De status van Johannes geldt op vergelijkbare wijze ook voor de andere apostelen die tot de ‘twaalf' behoren. Het profetisch spreken door christelijke profeten is geen concurrentie voor het apostolisch gezag, zoals dat in de verkondiging van apostelen en ooggetuigen in de eerste gemeenten in zo hoog aanzien stond. Uit de enorme aandacht die er in de eerste twee eeuwen is voor het beoordelen van echte en onechte profetie is duidelijk dat de vroegchristelijke profeten niet hetzelfde onaantastbaar gezag genieten als de oudtestamentische schriftprofeten. Dat gezag is in de vroege kerk voorbehouden aan het 'Woord van de Heer' (zoals verwoord in de vier evangeliën) en de prediking van apostelen en ooggetuigen, die kunnen getuigen van de woorden en werken van Jezus Christus. Eén van hen is de apostel Johannes, die zegt ‘wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is (1Joh.1:1).

 

literatuur

D.E. Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World, Grand Rapids 1983.