Jezus en de ‘Mensenzoon'

Gijs van den Brink, 2014 (gepubliceerd in Studiebijbel magazine 7.4)

 

De term ‘Zoon des mensen' komt meer dan 80 keer voor in de evangeliën. Ook als men de parallelle teksten niet meetelt komt de term nog minstens 38 keer voor! En in tegenstelling tot andere titels wordt deze bijna alleen gebruikt door Jezus zelf, als verwijzing naar Hemzelf. Hij noemt zichzelf ‘Zoon des mensen' (Grieks: huios tou anthrōpou), dat wil zeggen ‘Zoon van de mens'. Nergens wordt Jezus met deze woorden door zijn discipelen beleden of aangesproken. Buiten de evangeliën komt de titel ook nauwelijks voor. En als anderen al de uitdrukking gebruiken, gaat het meestal om een verwijzing naar woorden die Jezus op een eerder moment zelf gesproken heeft en waarop men dan reageert (bv. Joh.12:34).
Waarom noemde Jezus zichzelf de Mensenzoon, wat wilde hij hiermee duidelijk maken? Daar willen we in dit artikel kort op ingaan.

 

Vroegere interpretatie

De kerkvaders namen de term ‘zoon des mensen' op zichzelf en vatten ‘zoon van ...' gewoonlijk op in de zin van afstamming. ‘Zoon van de mens' duidt dan zijn mens-zijn aan. De titel werd dan ook de tegenhanger van de uitdrukking ‘Zoon van God' en samen geven ze uiting aan Christus' beide naturen. Zo kan Tertullianus zeggen: ‘Van Hem geloven wij dat Hij door de Vader gezonden is in de maagd, uit wie Hij geboren is als mens en God - Zoon des mensen en Zoon van God - en Jezus Christus genoemd wordt' (Adversus Praxean 2).

Ook in de tijd van de Reformatie was dit de heersende opvatting. Toch vindt er hierna gaandeweg een verschuiving plaats, doordat er aandacht ontstaat voor de eigenheid van de Semitische talen en de joodse context als achtergrond van het Nieuwe Testament. Hoewel de ‘klassieke' opvatting nog tot de 17e eeuw bleef overheersen, maakt langzaam maar zeker de gedachte dat ‘zoon van...' op afstamming duidt plaats voor een andere interpretatie, gebaseerd op een uitleg van Dan.7:13.

In de 20e en 21e eeuw is de opvatting dat ‘Zoon van de mens' uiting geeft aan Jezus' mens-zijn vrijwel geheel losgelaten. De reden hiervan is dat in deze opvatting geen rekening wordt gehouden met de context waarin Jezus de titel gebruikte. Wanneer we de woorden van Jezus nu wel in de Joodse context van de eerste eeuw lezen, wat kan hij dan bedoeld hebben met de term ‘Mensenzoon'?

 

Een titel?

De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of het hier wel een titel betreft. In het profane Grieks komt de term niet voor. Het is namelijk een woordelijke vertaling van het Aramese bar ‘enasha ‘zoon van de mens'. Op veel plaatsen in het OT, ook in de Griekse vertaling van het OT, de Septuaginta (LXX), komen overeenkomstige termen voor (bv. Ps.8:5, vgl. Hebr.2:6; Eze.2:2,3; 3:1), die dan neerkomen op mensenkind (‘zoon' drukt in het Hebreeuws of Aramees een verbondenheid uit). Sommige uitleggers interpreteren de term ook in het NT op deze wijze, waarbij het dan zou gaan om ‘de mens' in het algemeen of onbepaald ‘een mens, iemand'. Op sommige plaatsen is inderdaad wat voor deze opvatting te zeggen. Bijvoorbeeld Mar.2:28 ‘De Zoon des mensen is heer over de sabbat', dit met het oog op vers 24, waar staat ‘de sabbat is gemaakt om de mensen en niet de mensen om de sabbat'.  Een tweede voorbeeld is Luc. 12:10 ‘Een ieder die een woord zal spreken tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden, maar wie tegen de Heilige Geest zal lasteren, het zal hem niet vergeven worden'. Als hier het lasteren tegen ‘een mens' in het algemeen wordt gesteld tegenover het lasteren van de Heilige Geest, wordt de tekst wel begrijpelijker. Op verreweg de meeste plaatsen waar de term voorkomt, voldoet deze uitleg echter niet. De term is daar onmiskenbaar als exclusieve zelfaanduiding van Jezus gebruikt.

 

Joodse apocalyptiek

Nu had zich naast het algemene of onbepaalde gebruik van de term in apocalyptische kringen ook een verheven spraakgebruik ontwikkeld. De bar ‘enasha was hier in aansluiting bij Daniël 7:13 geworden tot een messiaanse titel. Dit spraakgebruik sluit aan bij de Griekse tekst van de evangelieschrijvers die de term ook als een titel hebben begrepen. Bovendien wordt in de evangeliën de titel nergens uitgelegd, maar bekend voorondersteld, hetgeen erop duidt dat Jezus deze niet zelf heeft ‘uitgevonden.' Het uitgangspunt voor het gebruik van de terminologie in apocalyptische kringen is Dan.7:13 ‘En zie, met de wolken des hemels kwam iemand als een mensenzoon.' Deze figuur ‘als een mensenzoon' wordt in Daniël geduid als verbonden met het vijfde en laatste rijk dat op aarde zal komen, namelijk het rijk van de ‘heiligen des Allerhoogsten' (7:18,27; is de figuur ‘als een mensenzoon' een vertegenwoordiger van het volk of van Gods heerschappij en heerlijkheid of beiden? Voor deze en andere vragen zie het artikel ‘De Zoon des mensen in Daniel 7' elders in dit magazine). Vervolgens werd in de Joodse apocalyptiek deze figuur niet meer beeldend, maar zonder uitzondering als een individu getekend (bv. 1 Henoch, 4 Ezra en de Sybillijnse Orakels) en ‘Mensenzoon' werd een titel voor de komende Verlosser. In deze kringen spreekt men over de ‘Mensenzoon' die komt op de wolken des hemels, verschijnt op de berg Sion, zichzelf op de troon der heerlijkheid zet en gericht houdt. Hij is een toeverlaat voor rechtvaardigen en heiligen, het licht van de volkeren en de hoop voor bedroefden. De hele wereld zal zich voor hem neerbuigen en hem aanbidden en de rechtvaardigen en uitverkorenen zullen met hem aanliggen en tafelgemeenschap hebben. Het is een hemelse figuur in Gods onmiddellijke nabijheid, preëxistent en door God verborgen gehouden in de hemel tot het moment dat hij zich openbaart om het laatste oordeel te voltrekken. Met andere woorden, hij staat met God zelf op gelijke voet. Verder is het in ons verband ook verhelderend dat de ‘mensenzoon' in de joodse apocalyptiek enerzijds werd geassocieerd met Adam als de eerste mens (vgl. de Adam-Christus typologie later bij Paulus) en anderzijds met de goddelijke Wijsheid (bv. 1Henoch 41:9-42:3), die God zelf en Zijn heerlijkheid vertegenwoordigt (zgn. hypostase of personificatie).

 

‘Mensenzoon' of ‘ ik'?

Toch moeten we voordat we concluderen dat Jezus met de term ‘Zoon des mensen' aansluit bij deze traditie en verwijst naar Dan.7:13 eerst nog een complicerende factor bespreken. Van de ruim 80 keer dat de term voorkomt zijn er 37 parallelplaatsen bekend, die ego ‘ik' hebben in plaats van ‘Mensenzoon'. Dus ongeveer de helft van de Zoon-des-mensen-woorden van Jezus komt ook voor in een ‘ik' versie. We moeten hieruit concluderen dat Jezus' spreken over de ‘Mensenzoon' voor tenminste een deel van de hoorders behoorlijk onduidelijk moet zijn geweest. Het is ook mogelijk dat zijn spreken over de ‘Mensenzoon' tot misverstanden heeft geleid omdat hij de term eveneens gebruikte op een niet-apocalyptische wijze, bijvoorbeeld door te spreken over het huidige aardse optreden en het lijden en sterven van de ‘Mensenzoon'. Zij die de sleutel niet hadden, d.w.z. de impliciete verwijzing naar Dan.7:13, werden door het gebruik van de term niet veel wijzer. Een en ander geeft aan dat Jezus met het gebruik van de titel niet de bedoeling had breed de aandacht te trekken. De term was voor het grote publiek een enigszins mysterieuze en onduidelijke zelfaanduiding. Maar voor de groep van ‘ingewijden' die in conventikelachtige kringen de apocalyptische tradities doorgaven, was de boodschap duidelijk: hier staat de verwachte Verlosser. Met dit gegeven komt overeen, dat het merendeel van de ‘Mensenzoon' woorden is gericht aan de discipelen, terwijl het thema van het Koninkrijk van God een veel grotere rol speelt in zijn openbare prediking, bijvoorbeeld in de gelijkenissen. Dit blijkt bijvoorbeeld in Luc.17:20vv. waar Jezus tegenover de Farizeeën over het Koninkrijk van God spreekt, maar direct erna tegen zijn discipelen (vs.22) over de dagen van de Zoon des mensen.

 

Titel in de mond van Jezus

Wat kunnen we nu tegen de achtergrond van de joodse apocalyptiek zeggen over het gebruik van de titel ‘Zoon des mensen' in de mond van Jezus? Samenvattend stelt Jeremias dat de uitdrukking ‘mensenzoon' een terminus gloriae is, een titel waarmee Jezus zijn toekomstige hoogheid of heerlijkheid aangeeft. Hij zal plaatsnemen op de troon naast God (Luc.22:69). Als de verdrukking van de gelovigen een hoogtepunt bereikt, zal Hij plotseling als een bliksem bij heldere hemel (Mat.24:27), door niemand verwacht (Mat.24:37,39), de profetie van Dan.7:13 vervullen. Omgeven door wolken en engelen zal Hij verschijnen in goddelijke heerlijkheid, en zijn engelen uitzenden om de uitverkorenen te verzamelen uit alle windstreken (Mar.13:26,27). Hij zal het oordeel uitvoeren samen met twaalf vertegenwoordigers van het volk (Mat.19:28, vgl Dan.7:9v.; 1Kor.6:2v.). Zijn verschijning luidt de dagen van de Mensenzoon in (Luc.17:22), waarin Hij zal regeren. Alle volkeren, natiën en talen zullen hem dienen en zijn heerschappij is eeuwig (Dan.7:14). Als Plaatsvervanger van God is Hij de universele en eeuwige Heerser die tevens het Hoofd en de Representant van het volk van God is, de ‘heiligen des Allerhoogsten' (Dan.7:18). In het oosterse denken kan de koning of de priester het hele volk vertegenwoordigen (de gedachte van de collectieve identiteit). De Zoon des mensen is de Verlosser van de wereld, het Licht van de volkeren.

Vervolgens moeten we de vraag beantwoorden, waarom Jezus voor deze messiaanse titel heeft gekozen in plaats van Messias of Zoon van David? Het antwoord schuilt in het gegeven dat Jezus' bediening in eerste instantie niet overeenkwam met de heersende Messiasverwachting. Zijn eerste taak was niet die van een aards politiek vorst die het volk kwam bevrijden van de Romeinse overheersing. De titel ‘Mensenzoon' was slechts in kleine kring bekend, zodat misverstanden hier minder aanwezig waren, en bovendien lag bij ‘Mensenzoon' de nadruk op zijn bovenmenselijke en hemelse karakter en zijn universele betekenis.

 

‘Mensenzoon' en ‘Knecht van de Heer'

Maar er is nog een tweede reden, waarom Jezus deze titel ‘Mensenzoon' koos. Al in de apocalyptiek (1Henoch en 4Ezra) had de Mensenzoon kenmerken van de ‘Knecht van de Heer' uit Jesaja gekregen. Hij wordt er beschreven als ‘het licht van de volken' (vgl.Jes.42:6; 49:6), de ‘uitverkorene' (vgl. Jes.42:1), de ‘rechtvaardige' (vgl. Jes.53:11), als ‘verborgen' (vgl. Jes.49:2), koningen zullen voor hem neerbuigen (vgl. Jes.49:7; 52:13-15) en hij wordt ‘mijn (Gods) knecht' genoemd.

Alles wat tot nu toe over de Mensenzoon is gezegd, ligt geheel in de lijn van de apocalyptische verwachting met betrekking tot de hemelse Mensenzoon. Nieuw bij Jezus is echter dat hij de titel ook gebruikt voor zijn leven op aarde. Hij zegt bijvoorbeeld dat de ‘Mensenzoon' heer is over de sabbat (Mar.2:28 par.), geen steen heeft om zijn hoofd neer te leggen (Mat.8:20 par.) en gekomen is om het verlorene te zoeken en te redden (Luc.19:10). Verder spreekt Hij meerdere malen over het lijden en sterven van de Mensenzoon (bv. Mar.8:31; 9:12; 10:33). Hiermee wordt de verbinding tussen de ‘Mensenzoon' en de ‘Knecht van de Heer' uit Jesaja door hem doorgetrokken.

Hoewel ‘Zoon des mensen' de enige titel is die Jezus zelf in de mond nam, blijkt dat we met deze titel en de verwijzing naar Daniel 7 nog niet tot de kern van Jezus' zendingsbewustzijn zijn doorgedrongen. Die kern ligt niet bij Daniel 7, maar bij Jesaja 53. Heel duidelijk blijkt dit bijvoorbeeld in Marcus 10:45 ‘Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen'. Hier noemt Jezus het centrale thema van de ‘knecht van de Heer' profetieën en maakt Hij een duidelijke toespeling op Jes.53:5 ‘om onze overtredingen werd hij doorboord ...', het zondeoffer in Jes.53:10, en het herhaalde ‘velen' in Jes.53:11v.

Jezus geeft aan dat hij de Zoon des mensen is, maar dat zijn bediening die van de Knecht van de Heer uit Jesaja is.

 

J. Jeremias, Neutestamentliche Theologie I. Die Verkündigung Jesu  (Gütersloh 1971, 19732) 259.