Landbelofte en herstel van Israel in het NT

 drs Gijs van den Brink, 2004 (gepubliceerd in Soteria 21/2) 

 

 

Er wordt nogal eens gezegd dat christenen het OT moeten lezen door de bril van het NT. Daar zit een kern van waarheid in. Maar hoe lezen we het NT, tegen welke achtergrond? Het lijkt erop dat men doorgaans denkt het NT zondermeer onbevooroordeeld te kunnen lezen. Maar ligt het niet meer voor de hand dat wij het NT lezen met een bril die door de Westerse theologische traditie wordt bepaald? Hoe is het anders te verklaren dat we keer op keer te horen krijgen dat het NT geen landbelofte voor Israël kent (zo bijvoorbeeld op het Soteria symposium door Reitsma en Van der Kooi [1] ). Laat het voorop duidelijk zijn dat ik de missionaire insteek en werkwijze van Reitsma, die in Libanon werkt, volledig onderschrijf en bijzonder waardeer. Niet alles wat geopenbaard is behoeft namelijk overal en altijd verkondigd te worden. Maar we mogen niet zover gaan lijkt me, dat we vanwege voor ons in een bepaalde situatie lastige kwesties de Schrift gaan herinterpreteren. Wat vandaag lastig is, kan morgen wel eens een zegen zijn.

De kwestie die ik hier wil bespreken is hoe Israël als volk en land in het NT functioneert. Dit wordt namelijk pas duidelijk wanneer we de Joodse achtergrond van het NT betrekken bij het lezen van de nieuwtestamentische teksten.

 

Third Quest: nieuw historisch onderzoek

 

De zogenaamde ‘New Quest' (sinds 1950) en ‘Third Quest' [2] (sinds 1980) in het onderzoek naar de historische Jezus hebben in de tweede helft van de 20e eeuw veel veranderd. In de eerste helft van de vorige eeuw werd de theologie bepaald door Bultmann en Barth. De historische Jezus was in die jaren maar weinig relevant. Alleen het ‘dat' was genoeg,  niet het ‘hoe' van zijn optreden en sterven was van belang. Het ging om de Christus van het geloof. Men ging ervan uit dat die Christus gekend kon worden zonder de historische context van zijn optreden daarbij te betrekken. Deze dogmatische insteek is ondanks de vele publicaties van nieuwtestamentici sindsdien nog steeds invloedrijk in onze theologie, zoals duidelijk bleek op het Soteria symposium.

Gevolg is dat men het NT leest door de bril van de kerkelijke leer zoals deze in de vroege kerk en nadien in de Westerse theologie zich heeft ontwikkeld. En dat geeft een nogal gekleurd beeld. Namen van wetenschappers die het beeld de laatste 50 jaar fors hebben bijgesteld zijn o.a. J. Jeremias, E.P. Sanders en N.T. Wright. Wat heeft de ‘Third Quest' de laatste 20 jaar opgeleverd? Er is een consensus op drie gebieden [3] :

  1. Het Joodse karakter van Jezus en de vroege kerk wordt benadrukt. Terwijl men in de tijd van Barth en Bultmann Jezus plaatste in de context van de theologie van de vroege kerk, wordt Jezus nu geplaatst in de context van het Jodendom van de eerste eeuw.
  2. Er is een algehele consensus dat de boodschap van Jezus voornamelijk eschatologisch van karakter was. De prediking van het ‘Koninkrijk van God' moet verstaan worden tegen de achtergrond van de Joodse apocalyptiek.
  3. Er is een groter optimisme dan voorheen met betrekking tot de historische betrouwbaarheid van de overleveringen van de woorden van Jezus in de canonieke evangeliën.

Voordat we een aantal uitspraken van Jezus en de apostelen in het NT die betrekking hebben op de landbelofte bekijken, moeten we eerst een kort over zicht geven van de pijlers van het joodse geloof in de eerste eeuw na Christus [4] .

 

Pijlers van het Joodse geloof

 

Om te zien of en in hoeverre de landbelofte in het NT een rol speelt, moeten we eerst een samenvatting geven van de verwachting binnen het jodendom in de intertestamentaire tijd.

Ondanks de diversiteit aan groepen tussen 200 v.Chr. en 100 n.Chr. had het Jodendom een aantal duidelijke gemeenschappelijke kenmerken. Bij niemand zou bijvoorbeeld de gedachte zijn opgekomen dat er vijf goden waren of dat de Egyptenaren het volk van God zijn. Ook hoorde je niemand zeggen dat God en Zijn schepping eigenlijk één waren of dat de wereld was geschapen door een andere god dan de God van Israël. In ieder geval wist elke Jood dat, wanneer hij er deze ideeën op nahield, hij zich daarmee buiten de Joodse geloofsgemeenschap plaatste. En als er over één zaak een redelijke consensus is ontstaan de laatste 50 jaar bij wetenschappers die onderzoek doen naar de historische Jezus dan is het wel het gegeven dat Jezus een jood was die zich niet buiten de joodse gemeenschap plaatste.

Het intertestamentaire jodendom kent vijf gemeenschappelijke pijlers: monotheïsme, Wet en Verbond, tempel en land.

 

Tempel en land

Omdat de laatste twee van belang zijn voor onze vraag naar de landbelofte in het NT,  gaan we hier iets uitvoeriger op in. De tempel was het middelpunt van het Joodse nationale leven. Plaatselijke synagogen en scholen in andere delen van Israël en daarbuiten konden de tempel geenszins vervangen, maar dankten hun betekenis juist aan hun relatie met de tempel. De tempel werd gezien als de plaats waar de Heer woonde temidden van Zijn volk en waar Hij via de offerandes en de grote feesten de Joden vergeving schonk en reinigde en zo een relatie met hen onderhield.

De tempel was echter niet alleen het centrum van het godsdienstig leven, maar ook de nationale trots en het financieel en economisch centrum. Zo waren bijvoorbeeld het voornaamste slachthuis en het slagersgilde er gevestigd. De hogepriester was als godsdienstig leider ook een belangrijk politiek leider. Het belang van de tempel blijkt ook uit de omvang, ongeveer een kwart van de toenmalige stad. Vanwege het grote en diverse belang van de tempel is het niet vreemd dat er juist over de betekenis van de tempel ook wel verdeeldheid is.

Hoewel de tempel een van de mooiste gebouwen ter wereld was, was er ook onvrede over de tempel omdat deze gebouwd was door Herodes. De nieuwe tempel waarover de profeten spreken, is namelijk verbonden met het leiderschap van de ware Koning uit het geslacht van David. Pas na dit herstel zou de nieuwe eeuw aanbreken. Dus zolang de ‘nieuwe eeuw' nog niet is aangebroken is ook het gebouw op de tempelberg nog niet de beloofde eschatologische tempel. Ondanks dit alles was de toenmalige tempel toch het hart van het Jodendom, van waaruit de levende en helende aanwezigheid van God uitging over Israël en de diaspora.

 

Tempel als middelpunt van het land

De tempel was ook het middelpunt van het land dat God aan Israël heeft gegeven. Hoewel hieraan door christelijke theologen veelal wordt voorbijgegaan, is toch het land naast de tempel en de wet voor het Jodendom ten tijde van Christus een hoofdthema. Het is het land van God dat Hij onvervreemdbaar aan Israël heeft gegeven.

Na de Wet en de Profeten kreeg de landbelofte een centrale plaats in het eschatologisch denken binnen het Jodendom. Hoewel het aantal tekstplaatsen in de apocriefe en pseudepigrafe literatuur aanzienlijk minder is dan in de TeNaCh (OT), is de landbelofte en de band van Israël met het land onmiskenbaar duidelijk aanwezig.

Het feit dat een directe verwijzing naar het ‘land' relatief weinig gevonden wordt, komt o.a. door het gegeven dat het land wordt geïmpliceerd in verwijzingen naar de stad Jeruzalem en de tempel (bv. Tobit 13:13,17; 14:5).

De verwachting dat de Heer de keuze voor Zijn volk Israël zal bevestigen door de 12 stammen als één volk te herstellen in het land, nam alleen maar toe (bv. Psalmen van Salomo, Sirach, 4Ezra, 2Baruch). Alle inwoners van Israël zullen in de laatste dagen behouden worden omwille van het feit dat zij binnen de grenzen van het heilige land wonen (bv. 4Ezra 9:7-9; vgl. 13:48; 2Baruch 9:2).

 

Het land in Qumran en schriftgeleerde Jodendom

 

Ook in Qumran beschouwde men het land als Gods eigendom. Hoe onrein men het ook vond, in de visie van de gemeenschap was de situatie in het land niet compleet hopeloos, omdat er een ‘rest' over was om verzoening te doen (de groep in Qumran zelf). Er is ook hier een duidelijke notie van de bijzondere status van het land Israël. Het is Israël tegenover alle andere landen. En in de eschatologische eindstrijd heeft het land Israël een centrale plaats.

Wat betreft het schriftgeleerde Jodendom vinden we met betrekking tot het land dezelfde verwachtingen als hierboven geschetst. De band tussen Israël en het land is niet een toevallige, maar maakt deel uit van Gods plan met het volk. De keuze van God voor Israël, de tempel en het land is volgens de schriftgeleerden een bewuste en weloverwogen keuze geweest, die zelfs teruggaat tot vóór de schepping. Ze kunnen dan ook zondermeer over ‘het land' spreken, wanneer ze het over Israël hebben.
Alle andere landen kunnen samen genomen worden in één term: ‘buiten het land'. Een indicatie van het belang van het land is het gegeven dat een derde van de omvang van de Misjna handelt over wetten met betrekking tot het land. Wanneer bijvoorbeeld de reinheidswetgeving wordt besproken, blijkt dat volledige reinheid en zuiverheid alleen haalbaar zijn in het land en niet daarbuiten (waar alleen strikt persoonlijke wetten vervuld worden). Het is dan ook niet vreemd dat volgens sommige schriftgeleerden de uitstorting van de Geest (van profetie) en de opstanding uit de doden alleen in het land zal plaatshebben. Het spreken van de Heer buiten het land werd gezien als een uitzondering. Anderen leerden dat de inwoners in het land als eersten zouden opstaan uit de dood. Beide ideeën getuigen van de bijzondere plaats die het land innam.

 

De landbelofte in Farizeese kringen

 

Vooral in Farizeese kringen, maar ook daarbuiten werd drie keer per dag het zogenaamde Tephilla- of Achttien-gebed gebeden, 's morgens en 's avonds en om drie uur 's middags (vgl. Hand.3:1; 10:3,30). In dit gebed vinden we de volgende gebeden: ‘Wees genadig, o Heer onze God, over Israël uw volk en over Jeruzalem uw stad ... en over uw tempel en uw woonplaats en over het koninkrijk van het huis van David (zegenbede 14). ‘Aanvaard ons, o Heer onze God, en woon in Sion; dat uw dienaren U mogen dienen in Jeruzalem' (zegenbede 16). ‘Schenk uw vrede aan Israël uw volk en aan uw stad .. en zegen ons; gezegend zijt Gij Heer die vrede geeft' (zegenbede 18).

De tempel, Jeruzalem en het land zijn thema's die bij herhaling terugkeren in de Joodse liturgie. Ook na 70 n.Chr., toen stad en tempel verwoest werden, is de gerichtheid van de Joden op Jeruzalem en de tempel binnen het Jodendom blijven bestaan. Nooit is de hoop op teruggave van het land verdwenen.

De herhaalde aandacht voor tempel, stad en land betekent echter niet dat alle eschatologische verwachting zuiver aards gericht was. Er is een heel spectrum van eschatologische verwachtingen te vinden, die zich bewegen tussen de uitersten van geheel getransformeerd en geheel aards. Hierover bestond geen consensus, maar de band tussen het volk en het land is evident.
Laten we tegen deze achtergrond nu eens een aantal tekstplaatsen in het NT lezen.

 

‘De zachtmoedigen zullen het land beërven'

 

In Mattheüs 5 aan het begin van de Bergrede, spreekt Jezus zijn veel geciteerde zaligsprekingen. In vers 5 zegt Hij,
Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde/het land beërven.
Het Griekse betekent ‘grond, land, aarde'. De ons vertrouwde vertalingen (SV en NBG51) vertalen met ‘aardrijk' en ‘aarde', maar de Willibrordvertaling (1995) met ‘land'. En er zijn meerdere redenen om aan te nemen dat deze vertaling de juiste is. Het woord komt in Matt.1-4 vijf keer voor en alle vijf keer in de betekenis ‘land' (2:6; 2:20,21; 4:15[2x]). De eerste hoorders van het evangelie zullen het dus ongetwijfeld in deze betekenis gehoord hebben.

Ten tweede sluiten de eerste drie zaligsprekingen nauw aan bij Jesaja 61:1-3 [5] , een passage waarvan Jezus elders zegt dat deze in Hem tot vervulling is gekomen (Luc.4:18-21) en die duidelijk over het herstel van Israël in het land spreekt (vs. 3-11, m.n. vs.7). Verder komt de derde zaligspreking woordelijk overeen met Psalm 37:11 (‘en de zachtmoedigen [6] zullen het land erven'),  een tekstplaats die bijvoorbeeld door de Qumran gemeenschap in de messiaanse vervulling op zichzelf werd betrokken. Er is daarom geen twijfel mogelijk dat de derde zaligspreking in de mond van Jezus handelt over het land, een belofte die sinds het verbond met Abraham aan Israël is gegeven (Gen.13:15).

 

12 discipelen als ‘heilige rest' van Israël

 

De vraag die telkens weer gesteld wordt is deze: Heeft Jezus zichzelf nu wel of niet voorgesteld als de aan Israël beloofde Messias? Het feit dat hij op een zeker ogenblik 12 discipelen kiest (Matt.10:1 par.) houdt verband met de 12 stammen van het volk Israël. Deze ‘twaalf' vertegenwoordigen de ‘heilige rest' die in de laatste dagen behouden zal worden (Jes. 10:20,21; 28:5; Ezech.6:8; Amos 5:15; Zef. 2:9; vgl. Openb.7:4-8). Meer dan 20x worden zij  in de evangeliën ‘de twaalf' genoemd.

Jezus heeft deze discipelen gedurende zijn optreden in Israël uitgestuurd en geboden de grenzen van het land niet te overschrijden, maar alleen te gaan naar de dorpen en steden in Israël (Matt.10:5-6,23; vgl. 15:24) en namens hem de verstrooide en verdwaalde schapen van het huis van Israël te verzamelen (vgl.Matt.9:36).
Jezus had geen politieke intenties, maar is wel de Messiaanse herder die het herstel van het volk Israël beoogt.

 

Het herstel van de 12 stammen in het land

 

Maar niet alleen indirect komen de 12 stammen bij Jezus ter sprake, ook worden deze expliciet door Hem genoemd.
Hij zegt in Matt.19:28  het volgende:
Voorwaar, Ik zeg u, gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israel te richten.
En Paulus zegt in zijn verantwoording  voor Agrippa in Hand.26:6-7,
En nu sta ik voor het gerecht om mijn hoop op de belofte, die door God aan onze vaderen gedaan is; 7  welke onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren, hopen te bereiken. Om deze hoop, o koning, word ik door Joden aangeklaagd.
Bij de voltooiing van het Koninkrijk zal de Zoon des mensen zitten op de troon van zijn heerlijkheid en zullen de 12 discipelen zijn troon delen en met hem regeren over de 12 stammen van het volk Israël. [7]

In het OT lezen we vele malen over een herstel van Israël in het land (bv. Jes.49:6; 63:17; Ezech.47:13,21-23; 48:30-35; Zach.9:1). In Daniel 7 lezen we over iemand als een Mensenzoon die komt met de wolken des hemels en het koningschap ontvangt samen met de heiligen van de Allerhoogste (Dan.7:13,18). Het herstel van de 12 stammen in het land Israël is een centraal thema in de boeken 1Henoch, Psalmen van Salomo, Baruch, 4Ezra, het Testament van de 12 Patriarchen, de Sybillijnse orakelen en Tobit [8] .

Van de vele tekstplaatsen geven we een voorbeeld uit de Psalmen van Salomo, waar over de ‘zoon van David, de messias, het volgende wordt gezegd:

En hij zal  een heilig volk verzamelen, dat hij rechtvaardig zal leiden,
En hij zal heersen over de stammen van het volk, dat geheiligd is door de Heer zijn God, ...
En hij zal hen volgens hun stammen over het land verdelen.
(Ps.v.Sal.17:26,28)

Binnen het jodendom in de eerste eeuw van onze jaartelling is het onmogelijk dat Jezus en Paulus met hun uitspraken over de 12 stammen een andere verwachting onder woorden zouden brengen dan in bovenmelde boeken.
De heerschappij over het twaalf-stammen-volk, waarover Jezus spreekt, veronderstelt een aan de Messias gehoorzaam volk in het land Israël.

 

Israël zal Jezus als Messias begroeten bij zijn wederkomst

 

Dat Jezus deze verwachting had en predikte, blijkt ook elders. Hij voorzag dat eens het hele volk hem als Messias zou belijden en gehoorzamen, hetgeen blijkt uit zijn woorden in Matt 23:37-39 par.
‘Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt ....zie uw huis wordt aan u overgelaten.
‘Want Ik zeg u, u zult mij van nu aan niet meer zien, totdat u zegt: ‘Gezegend hij die komt in de naam des Heren!'.
Zoals ook door de Joden veel gedaan werd, spreekt Jezus over Jeruzalem als de moeder van Israël en over de Israëlieten als haar kinderen. Hoewel een meerderheid van het volk Jezus als Messias afwees, zegt Hij toch dat er aan de heilloze tijd voor Israël, die met zijn vertrek zal aanvangen, een einde zal komen. Er blijft een hoop voor Israël als volk. Ook voor hen zal Hij eens de Messias zijn, want als Hij komt in heerlijkheid zullen zij hem begroeten met de woorden uit Psalm 118:26.

 

De discipelen verwachtten een herstel van het koningschap voor Israël

 

Niet alleen heeft Jezus gesproken over het vestigen van het messiaanse rijk in Israël, maar zijn hoorders, de discipelen incluis, hebben dit ook zo begrepen en zo verwacht. Als Jezus Jeruzalem nadert meldt Lucas in hoofdstuk 19:11,
‘... Hij sprak nog een gelijkenis uit, omdat Hij dicht bij Jeruzalem was en zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond openbaar zou worden.'
Tegen de eerder geschetste achtergrond betekent dit dat men verwacht dat Jezus als de ‘zoon van David' het koningschap over Israel op zich zal nemen en het volk zal verlossen van zijn vijanden. Op deze wijze uiten zich ook de twee mannen die op weg waren naar Emmaüs:
‘En wij hadden zo gehoopt dat Hij het was die Israël zou verlossen' (Luc. 24:21 WV)
En als Jezus is opgestaan uit de dood en zijn discipelen gebiedt Jeruzalem niet te verlaten, maar te wachten op de belofte van de Vader, zien zij dit als een aankondiging van een nieuwe tijd, wat voor hen betekent het oprichten van het messiaanse rijk in het aan hen beloofde land en daarom zeggen ze:
Here, herstelt (kathistēmi) Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? (Hand.1:6)
Waar zij bij dit herstel aan denken, lezen we bijvoorbeeld bij Jezus Sirach, wanneer hij spreekt over het voorbereidende werk van Elia,
Over u staat geschreven dat u klaar staat voor de vastgestelde tijd, ...
om de stammen van Jakob te herstellen (kathistēmi) (Sir.48:10)
Het gaat dan over een herstel van het Davidische koninkrijk van 12 stammen.

Het is van belang op te merken dat Jezus in zijn antwoord deze verwachting niet ontkent, maar zegt dat het niet aan hen is om de tijden en de gelegenheden te kennen (Hand.1:7). Het is duidelijk dat zowel Jezus en zijn eerste volgelingen als ook de schrijver Lucas geloven dat er een dag komt dat deze belofte voor Israël in vervulling zal gaan [9] .

 

De bekering van Israël en het herstel in het land

 

Van belang is verder het verslag van Lucas van de toespraak van Petrus naar aanleiding van de genezing van een verlamde bij de tempelpoort. Hier stelt Petrus dat de wederkomst van Jezus en het daarmee komende ‘herstel van alles/allen' verband houdt met de bekering van Israël.

Petrus zegt tegen het volk in de zuilengang van de tempel het volgende:
19  Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, 20  en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; 21  Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher (Hand. 3:19-21).
Onder het ‘herstel van alles/allen' (apokatastasis [10] panton) verstaan de joden het aanbreken van de messiaanse heilstijd, waarin God orde op zaken zal stellen en de verstrooide stammen zullen terugkeren uit de ballingschap [11] . Vanwege hetzelfde woordgebruik als in Hand.1:6 (herstellen/herstel) moeten we hier waarschijnlijk niet denken aan een ‘herstel van alle dingen', maar eerder aan het ‘herstel van allen', d.w.z. aan een herstel van geheel Israël (zoals ook Paulus zegt in Rom.11:26) [12] .

Petrus zegt dat deze verwachting in vervulling zal gaan wanneer het volk zich bekeert, dat God dan Jezus als hun Messias opnieuw naar de aarde zal sturen. Met andere woorden, de wederkomst van Christus is in zekere zin afhankelijk van de bekering van Israël.

Dat brengt ons bij het laatste gedeelte, het meer bekende en geciteerde Rom.11:25-26, waar Paulus zegt:

25 Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israel gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, 26  en aldus zal gans Israel behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden.

Hij spreekt in gelijke woorden als Petrus (en Lucas) over de behoudenis van ‘geheel Israël'. Maar eerst moet aan een voorwaarde voldaan zijn, namelijk de bekering van de volheid van de heidenen. Naast de ‘volheid der heidenen' spreekt hij over ‘geheel Israël, d.w.z. de volheid van Israël [13] (i.t.t. ‘een deel van Israël' in vs.25). Hij brengt dus de bekering van Israël niet alleen in verband met de terugkeer van de Messias, maar ook met het bereikt zijn van de volkeren met het Evangelie. [14]

 

Conclusie en theologische lijnen naar vandaag

 

Niet alleen Jezus, maar ook Mattheüs, Lucas, Paulus en Johannes (Openbaring [15] ) doen in verschillende bewoordingen verslag van het herstel van Israël in het land. We kunnen dan ook stellen dat deze verwachting breed gedragen wordt door het NT, breder dan bijvoorbeeld het gegeven van de hemelvaart van Jezus of de wedergeboorte van mensen.

Volgens de prediking van Christus en de apostelen heeft Israël dus naast de kerk een tot aan het einde der tijden durende betekenis. Wat betekent dat nu voor onze visie op Israël als volk en land?

We concluderen dat de messiaanse beloften van het OT door de komst van Christus en de eschatologische gave van de Geest slechts principieel, voorlopig en gedeeltelijk in vervulling zijn gegaan. Juist omdat de apostelen en wij in Jezus als de beloofde Messias geloven en omdat het Koninkrijk van God in de Geest nu al ervaren wordt, verwachten wij de voltooiing van dat Rijk. Het NT bevestigt dat er nog onvervulde oudtestamentische beloften met betrekking tot Israël als land en volk zijn. Zo spreken Petrus en Paulus over een bekering van Israël aan het einde der tijden.  Moltmann verwoordt de theologische lijnen als volgt: "Zoals de zending aan de heidenen ontstaan is doordat Christus en het evangelie afgewezen worden, zo zal het tijdperk van deze zending ten einde gaan wanneer Israël zich bekeert. De eschatologische bekering van Israël zal het zichtbare teken zijn dat de messiaanse wereldzending overgaat in het messiaanse Koninkrijk." "Door zijn kruisiging is Christus de Heiland van de heidenen geworden, maar bij zijn parousie zal hij tonen dat hij ook de Messias van Israël is." [16]

Met de verwachting van het herstel van Israël blijft ook de landbelofte van kracht. Door de landbelofte blijft ook na het optreden van Christus op aarde de verwachting van een messiaans rijk op een nieuwe aarde levend. Door de landbelofte voor Israël is er hoop en recht op land voor alle volkeren, want de landbelofte is een onderdeel van de verwachting van het behoud van de aarde. Wij verwachten naar de belofte een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Openbaring 20-22). [17]

Als Jezus Christus komt in heerlijkheid zal zijn heerschappij vanuit Jeruzalem de hele aarde omvatten.

 

LITERATUUR:

D.L. Bock, Studying the Historical Jesus. A guide to Sources and Methods, Grand Rapids/Leicester 2002

G. van den Brink e.a , red., Inleiding en Synopsis (SBNT 1), Veenendaal 2003

R.H. Charles (ed.), The Apocrypha and Pseudepigrapha of the Old Testament in English: With Introductions and Critical and Explanatory Notes to the Several Books,I-II, Oxford, 1913; repr. 1983.

W.D.Davies, L. Finkelstein (ed.), The Cambridge History of Judaism, II: The Hellenistic Age, Cambridge, 1989. 

W.D. Davies, The Gospel and the Land. Early Christianity and Jewish Territorial Doctrine, Sheffield, 1994.

A.S. Geyser, 'Some Salient New Testament Passages on the Restoration of the Twelve Tribes of Israel', in: J. Lambrecht, ed., L'Apocalypse Johannique et l'Apocaliptique dans le Nouveau Testament (Leuven 1980) 305-310. 

J. Jeremias, Jerusalem in the Time of Jesus. An Investigation into Economic and Social Conditions during the New Testament Period, Philadelphia 1969.

J. Jeremias, Neutestamentliche Theologie I. Die Verkündigung Jesu, Gütersloh 1971, 19732.

E.P. Sanders, Paul and Palestinian Judaism. A Comparison of Patterns of Religion, London, 1977

E.P. Sanders, Jesus and Judaism, Philadelphia, Fortress:1985

D.S. Russel, The Method and Message of Jewish Apocalyptic, London, 1964.

N.T. Wright, The New Testament and the People of God, London, 1992.

 

NOTEN:

[1] B. Reitsma plaatste in zijn lezing op het Soteria symposium (‘Beeldenstorm in Beiroet') in het licht van het NT vraagtekens bij de landbelofte en C. van der Kooi (‘Evangelische theologie onderweg') stelde uitdrukkelijk dat er in het NT sprake is van een herinterpretatie van de landbelofte in geestelijke christologische zin.

[2] Sommigen spreken echter liever van een vervolg op de ‘new quest'.

[3]   M. Bird, ‘Shouldn't evangelicals Participate in the ‘Third Quest' for the Historical Jesus'? Themelios 29,2 (2004) 7.

[4] Zie voor een uitvoerig verslag: G. van den Brink, M. Rotman, ‘De Joodse wereld in de tijd van het Nieuwe Testament' in G. van den Brink e.a , red., Inleiding en Synopsis (SBNT 1), Veenendaal 2003, pg. 39-102.

[5] Volgens tekstverwijzingen in Neste-Aland, Novum Testamentum Graece, Auflage 27, 1993. Zie bv.ook D. Hagner, Matthew 1-13 (Word Biblical Commentary 33A) Nashville 1993.

[6] De tekst van Mattheüs volgt hier de LXX (36:11) die ‘zachtmoedigen' heeft in plaats van ‘armen'.

[7] De uitspraak van Jezus is verwant aan de wijd verspreide Joodse traditie, dat in het eschaton de heidenen geoordeeld zullen worden door de 12 stammen van Israël (Dan.7:13,14,18; Test.Abr.13:6; Jub.32:19; Wijsh.3:8; 1QpHab.5:4).

[8] Sir.36:10; 1Hen.56; 57; 90:17v; Ps.Sal. 8:28vv; 11:2-9; 17:26-28,43-44; 34:38,50; Bar.2:24-35; 4:36-5:4; 4Ezr.12 en 13:12-13,39-50; 2Bar. 77:17-26; Test.v.Mozes 4:9; Syb.Or.2,170; Tob.13,9-14. 1QM 2:2-3; 3:12-15; 1Qsa 1:15,29; Jos.Ant 11.133; Vgl. ook Apoc.van Abr. 31;77-87; Targ. Jonathan op Jer.33:13.

[9] Dit wordt ook algemeen geaccepteerd in recente commentaren, zie bv. B. Witherington, The Acts of the Apostles. A Socio-Rhetorical Commentary (Grand Rapids/Carlisle 1998) 110.

[10] Apokatastasis (herstel) is het zelfde Griekse woord als apokathistēmi (herstellen) in Hand.1:6.

[11] Jozefus (Ant.11:63,133) spreekt over de terugkeer uit de ballingschap als de apokatastasis tōn Ioudaiōn ‘herstel van de joden'.

[12] Zo bv.Witherington, a.w., 187

[13] Fitzmyer merkt op dat pas Israēl een vertaling is van het Hebreeuwse kol Jisra'el dat 148 keer in het OT voorkomt en altijd in de betekenis van het historische ethnische Israël, doorgaans in een synchronische betekenis, d.w.z. het volk dat in de tijd van de schrijver leeft. Het is een ‘corporate expression' en sluit dus niet noodzakelijkerwijs elke individuele Israëliet in. De term vormt hier een tegenstelling met de ‘volheid van de heidenen', maar ook met ‘Israël ten dele' in vs.25c en met het overblijfsel in 11:5 en is dus identiek aan ‘hun volheid' in vs.12. J. Fitzmyer, Romans (Anchor Bible 33) Doubleday 1993, pg. 622-623.

[14] Voor een uitvoerige bespreking van dit tekstgedeelte in zijn context en tegen de achtergrond van de historische en apocalyptische joodse literatuur, zie C. Plag, Israels Wege zum Heil, Eine Untersuchung zu Römer 9 bis 11 (Arbeiten zur Theologie I, Heft 40) Stuttgart 1969, pg 41-61.

[15] De landbelofte in het boek Openbaring behoeft een eigen behandeling, die wij al eerder in Soteria hebben gegeven. Zie G. van den Brink, ‘De toekomst van Jeruzalem. Over de betekenis van Israël als volk en land in de Openbaring van Johannes. Soteria 17,2 (2000) 2-10.

[16] J. Moltmann, Kerk in het krachtveld van de Geest (oorspr. titel: Kirche in der Kraft des Geistes) Baarn, 1975, pg. 170-172.

[17] Deze lijnen zijn helder uitgewerkt in J. Moltmann, The Coming of God. Christian Eschatology (oorspr. titel: Das Kommen Gottes), Minneapolis 1996, m.n. pg. 192-202.