Het Milennium of duizendjarig rijk

Een concrete toekomstverwachting

 

Gijs van den Brink, 2013 (gepubliceerd in Studiebijbel magazine 6.4)

 

Wanneer de christelijke toekomstverwachting ter sprake komt, gaat het altijd ook over het millennium of ‘duizendjarig rijk'. Wat moeten we hieronder verstaan, wanneer zal het komen of is het al gekomen? En vooral ook, wat is de betekenis ervan? In deze bijdrage wil ik uitgaande van de nieuwtestamentische teksten mijn visie hierop uiteenzetten.

Verschillende visies

Er zijn twee hoofdvisies. Ten eerste het a-millennialisme. Het is trouwens beter om (met Moltmann) te spreken over het ‘gerealiseerde millennialisme', omdat deze visie ervan uitgaat dat het heden, de periode van de Kerk, gelijk is aan het tijdperk van de duizendjarige regering van Christus. Daarbinnen zijn weer verschillende subvisies te onderscheiden, namelijk een politieke uitleg ( het vrederijk heeft vorm gekregen in het gekerstende Romeinse Rijk en zijn opvolgers - de westerse beschaving), een kerkelijke vorm ( het millennium valt samen met de periode van de christelijke kerk) en een seculiere vorm (het vindt zijn vervulling in de moderne wereld met haar welvaart, wetenschap en techniek).
De tweede hoofdvisie wordt doorgaans pre-millennialisme genoemd, maar ‘eschatologisch millennialisme' is een betere benaming, omdat deze uitleg inhoudt dat de duizend jaren van vrede in de toekomst gerealiseerd zullen worden. Ik geloof met vele hedendaagse exegeten dat Johannes in het boek Openbaring deze laatste visie op het oog heeft.

Het boek Openbaring is een door en door Joods geschrift. In bijna elk vers klinken oudtestamentische passages mee. Wanneer we het getal 1000 als uitgangspunt voor de definitie van dit Rijk nemen, is er van een duizendjarig rijk alleen sprake in Openb.20.
Zo'n uitgangspunt is echter niet zinvol, omdat het getal waarschijnlijk in de eerste plaats een symbolische betekenis heeft. Daarover straks meer. Het is daarom zinvoller een inhoudelijke omschrijving als uitgangspunt te nemen: een concreet aards Koninkrijk dat zich in de toekomst zal manifesteren. Zo'n verwachting is de hoofdverwachting in het OT en vinden we op meerdere plaatsen in het NT. Daarom eerst in vogelvlucht een overzicht.

Het beloofde Messiaanse rijk

De term basileia tou theou, Rijk of Koninkrijk van God wordt in het NT nergens uitgelegd, waaruit we opmaken dat deze door Jezus en de apostelen als bekend werd voorondersteld.
De profeten in het OT predikten dat in de toekomst het koningschap van God over de hele wereld zichtbaar werkelijkheid zou worden. Deze beloofde toekomstige heer¬schappij is nauw verbonden met de komst van de Messias. ‘Op het einde der dagen zal het gebeuren, ... Hij zal recht doen onder de volken, en machtige naties straffen. Dan smeden zij hun zwaarden om tot ploegscharen en hun speerpunten tot sikkels. Geen volk heft het zwaard meer tegen een ander en oorlog leren ze niet meer.' (Jes.2:2-5). De hoop van het Messiaanse Rijk is volgens de oudtestamentische profeten een hoop vóór het einde der tijden, maar niet eschatologisch in strikte zin. De komst van de Messias gaat aan het voltooide eschaton, d.w.z. aan de volmaaktheid vooraf.1 Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat de mensen zo oud zullen worden als bomen, maar nog wel sterven (Jes.65:20,22)
In het Jodendom zet deze oudtestamentische lijn zich door. Wat in het OT impliciet aanwezig was, wordt hier expliciet gesteld. Zo is in 2Baruch en 4Ezra het messiaanse vrederijk een interim rijk, een tussenfase (4Ezra spreekt zelfs concreet over 400 jaar). Pas hierna komt het grote oordeel en de eeuwige onvergankelijkheid.

Ten dele vervuld

Met de komst van Jezus de Messias breekt ook het messiaanse rijk aan. De Messias en zijn Rijk, het Koninkrijk van God (basileia tou theou), zijn niet te scheiden. Het breekt echter niet volledig aan, maar ten dele. Hierover is veel geschreven. Het is de bekende gedachte van het Koninkrijk dat al wel is gekomen, maar nog niet ten volle. Over wat er nog uitstaat en vervuld wordt als de Messias in heerlijkheid komt, gaat het o.a. in Op.20. Maar niet alleen daar, ook op allerlei andere plaatsen in het NT lezen we welke beloften dan alsnog vervuld zullen worden. We noemen er een paar:
* Dan zal de wil van God op aarde gebeuren zoals in de hemel (Mat.6:10).
* Dan wordt het messiaanse koningschap over Israël hersteld (Mat.23:39; Hand.1:6; Rom.11:25-26).
* Dan zal Jezus als koning over de volkeren regeren (1Kor.15:22-25)

Openbaring 20

Hoofdstuk 20 van het boek Openbaring spreekt expliciet en redelijk uitvoerig over het interim-rijk dat bij de terugkeer van Jezus naar de aarde zal aanbreken, maar wat nog voor de aanvang van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zal plaatsvinden. Dit blijkt onder andere wanneer we naar de context kijken.

19:11-21 de wederkomst van Christus op aarde en de afrekening met het beest en zijn profeet.
20:1-3 het binden van satan, de oude slang.
20:4-6 Jezus regeert duizend jaar met de gelovigen die deelhebben aan de eerste opstanding.
20:7-10 de afrekening met de satan.
20:11-15 het laatste oordeel van alle mensen.
Jezus is nog niet terug gekomen, dus het mag duidelijk zijn dat de zojuist genoemde zaken nog niet gebeurd zijn. Toch zijn er mensen die zeggen dat je het boek Openbaring niet chronolo¬gisch moet lezen. Mogelijk is dit het geval op sommige andere plaatsen, maar in hoofdstuk 20 is het toch wel zeer onwaarschijn¬lijk. Wat hier gezegd wordt van satan is geheel anders dan wat de duivel in de tijd vóór de weder¬komst doet.
Bij Jezus' eerste komst werd de satan uit de hemel geworpen en voert hij vanaf die tijd hevig oorlog tegen de gelovigen (Op.12:9). Zijn middelen zijn met name zonde en ziekte; in Op.20 wordt hij van de aarde verwijderd en in de onderwereld geworpen.
In Op.20 wordt de satan gebonden (vs.1-3), nadat ook het beest (antichrist) en de valse profeet al in de poel van vuur (de hel) zijn geworpen (Op.19:20). In de eindtijd vóór de wederkomst treden ze gezamenlijk op aarde op (Op.16:13).
In Op.12:9 wordt gezegd dat satans tijd kort is op aarde, in hoofdstuk 20 is hij echter gebonden in de onderwereld.

Openbaring 20:1-6
1 Toen zag ik een engel uit de hemel neerdalen met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand. 2 Hij greep de draak, de oude slang - dat is de duivel, de satan - en hij boeide hem voor duizend jaren, 3 en wierp hem in de afgrond, die hij grendelde en verzegelde boven zijn hoofd, opdat hij de volkeren niet meer zou misleiden voordat de duizend jaren voorbij waren. Daarna moet hij voor korte tijd worden losgelaten.
4 Ik zag tronen en zij namen daarop plaats en aan hen werd het oordeel gegeven. Ik zag de zielen van hen die onthoofd waren vanwege het getuigenis van Jezus en het woord van God, die het beest en zijn beeld niet hadden aanbeden en het merkteken niet hadden aangenomen op hun voorhoofd en in hun hand. Zij werden weer levend en heersten met Christus, duizend jaren lang. 5 De andere doden werden niet levend voordat de duizend jaren voorbij waren. Dit is de eerste opstanding. 6 Gelukkig en heilig zijn zij die delen in de eerste opstanding! Over hen heeft de tweede dood geen macht. Zij zullen priesters zijn van God en Christus, en met Hem als koningen heersen, duizend jaren lang. (Willibrord Vertaling)

Verloste volkeren

We willen nu meer inzoomen op de leefwereld zoals Johannes die schildert met betrekking tot het verwachte millennium. Het eerste wat we lezen (vs.3) is dat de satan de volkeren niet meer kan misleiden. Gelovigen aanklagen en lasteren kon hij al niet meer sinds het kruis.
Maar nu kan de duivel de mensen ook niet meer verleiden. Hij kan geen chaos en wanorde meer brengen en niet meer tot rebellie tegen God inspireren. De macht van het kwaad is gebroken en verdwenen.
Veel uitleggers stellen dat vers 3 melding maakt van ongelovige volkeren die de grote eindslag overleefd hebben (hfst.19). Zij zouden dan op aarde leven tegelijkertijd met gelovigen, die al een opstandingslichaam hebben ontvangen. Deze uitleg is allerminst zeker. Op.19:(19-)21 wekt namelijk duidelijk de indruk van een totale vernietiging van alle mensen. Het is daarom waarschijnlijker dat we hier bij ‘volken' moeten denken aan dezelfde groep mensen die in vers 4 beschreven wordt: de gelovigen die deelhebben aan de eerste opstanding. Ook in Op.21:24,26 en 22:2 is sprake van verloste ‘volken'.
Deze kwestie speelt ook bij de uitleg van 20:8 ‘Hij [de satan] zal heengaan om de volken te misleiden die aan de vier hoeken van de aarde wonen, Gog en Magog, talrijk als het zand van de zee, om hen voor de strijd te verzamelen.' Ook hier wil men doorgaans lezen dat het om volkeren gaat die ‘Harmagedon' overleefd hebben, wat opnieuw niet waarschijnlijk is.
Er staat in vers 9 dat zij ‘omhoogkwamen' [an-ebesan] over de breedte van de aarde. In joodse bronnen worden de vier uithoeken van de aarde beschouwd als de poorten naar de onderwereld (de afgrond, waaruit de satan juist is vrijgelaten, vs.7). Het ligt daarom meer voor de hand de verzen 7-10 te zien als een inleiding op de verzen 11-15, waar het laatste oordeel wordt beschreven. Dit sluit ook goed aan bij Dan.12:2, waar we lezen ‘En velen van hen die slapen in het stof van de aarde, zullen ontwaken, sommigen tot eeuwig leven, anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen.' Het is dus waarschijnlijk dat vers 8 spreekt over de ongelovige volken die verrijzen en uit het dodenrijk op aarde terugkeren om voor de grote witte troon geoordeeld te worden (vs.11vv.).

Meeregeren met Christus

Jezus Christus regeert als enige Heerser. Omdat het kwaad is uitgebannen, zal er geen ziekte en zonde meer zijn. Er zullen ook geen oorlogen meer zijn. Het messiaanse rijk zal dus een rijk zijn van volmaakte sjalom, niet alleen in geestelijke zin, zoals het Koninkrijk vandaag, maar ook in fysieke zin, volmaakte gezondheid voor het lichaam en in sociale en economische zin, een volmaakte samenleving.
En de gelovigen zullen samen met Jezus regeren (vs.4,6). Aangezien de goddeloze tegenstanders van Christus van de aarde verwijderd zijn, moeten we dit regeren opvatten als een heersen over de aarde (Op.5:10).2 Wij zullen delen in het regeren van God en Christus over de schepping, een opdracht waarvoor de mens oorspronkelijk geschapen werd (Gen.1:26,28). De gelovigen regeren niet omdat ze macht hebben, maar ze zullen regeren als priesters (vs.6). Macht hoeft er niet meer uitgeoe¬fend te worden, want het kwaad is verdwenen en er zijn geen mensen meer van slechte wil.

Eerste en tweede opstanding

In de lijn van Dan.12:2 leren Jezus en de apostelen een opstanding van gelovigen en een opstanding van ongelovigen (vgl. Joh.5:28-29). In Openbaring 20 lezen we dat tussen de twee opstandingen een tijdsverschil zit, en wel de duur van het vrederijk. Vanuit het evangelie naar Johannes en de rest van het NT, is het de meest aannemelijke uitleg dat Johannes ook hier de eerste opstanding ziet als een opstanding van alle gelovigen.
We moeten dan vs.4 zo lezen dat er sprake is van drie groepen gelovigen, die samen alle heiligen vormen:
* zij die zich zetten op de tronen.
* zij die onthoofd zijn om hun getuigenis.
* zij die het beest (de antichrist) niet gevolgd zijn, tijdens de dictatuur van de antichrist.
De derde groep betreft de levende gelovigen tijdens de wederkomst, de tweede de martelaren, en we mogen aannemen dat de eerste dus de gestorven gelovigen zijn die bij de wederkomst uit de dood zullen opstaan.

‘Duizend' jaar

Waarom spreekt Johannes over een tijd van duizend jaar? Is het alleen maar een tijdsaanduiding of zit hier meer achter? De joden kenden de gedachte van de wereldweek, d.w.z. ze geloofden dat de wereldgeschiede¬nis, overeenkomstig de zeven scheppingsdagen, uit zeven dagen bestond, waarbij één dag staat voor duizend jaar (vgl. Ps.90:4).
Na zesduizend jaar wereldgeschiedenis zal de wereldsabbat van duizend jaar aanbreken. Evenals God na zes dagen van scheppen de zevende dag rustte (Gen 1). Duizend geeft dus niet zozeer de duur van het rijk aan, als wel het karakter: Een rijk van volmaakte vrede en rust.

De zin van een millennium

Wanneer we tot slot onze bevindingen op een rijtje zetten kunnen we het volgende concluderen. Het millennium is de vervulling van het in het OT beloofde Messiaanse Rijk (Jes.2:1-5; Mi.4:1-5). Het aardse Jeruzalem en Israël staan centraal in het vrederijk (vs.9).
Het is de tijd van het herstel van het paradijs, dat God ooit bedoeld had voor de gehele wereld. Het is een wereldsabbat, een tijdperk van rust en vrede voor de wereld. Ook brengt het vrederijk een omkering van het lot. De mensen die op aarde omwille van Jezus Christus vermoord zijn, zullen straks met Hem leven en wereldwijd regeren.
Jezus regeert nu al als Heer en Koning, maar zijn heerschappij is onzichtbaar en wordt niet herkend door de wereld, maar alleen door de gelovigen. Maar straks bij de wederkomst zal zijn heerschappij geopenbaard worden met macht heerlijk¬heid en zal wereldwijd erkend worden. Het millennium is een overgangsfase van deze wereld naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Wat zou de zin van een dergelijke overgangsfase kunnen zijn?
Ik geef een paar overwegingen.
Met de verwachting van een herstel van Jeruzalem en Israël blijft ook de landbelofte voor Israël van kracht.
Door de landbelofte voor Israël is er hoop en recht op land voor alle volkeren in de wereld.
Door de hoop van de landbelofte voor Israël blijft de verwachting van het behoud van de aarde levend.
Want wij verwachten naar de belofte een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Op. 20-22).


Literatuur:
J.W. Mealy, After the thousand Years: Resurrection and Judgment in Revelation 20, Sheffield 1992.
J. Moltmann, Das Kommen Gottes. Christliche Eschatologie, Gütersloh 1995; Engelse vertaling The Coming of God, London 1996.


Noten:
1. K.G. Kuhn, TDNT I, 574
2. In overdrachtelijke zin kan een tweede naamval bij epi aangeven: een groep personen of een terrein waarover men verantwoordelijkheid draagt (Mat.24:45: iemand ‘over' dienstvolk stellen; Hand.8:27: een Ethiopiër die ‘verantwoordelijk voor' de totale schat van zijn koningin is). SBNT 12, Woordstudie 1731, Soest 1992.