Paradoxen in de Bijbel

Drs Gijs van den Brink, Studiebijbel Magazine 1.3, 2008

 

De Bijbel is het Woord van God. Dat is een kenmerkende geloofsbelijdenis van een christen. Maar het is ook een boek geschreven door mensen. Het is enerzijds helemaal Gods boek en anderzijds volledig een menselijk boek.

Als boek van mensen moeten we het in grote lijnen kwalificeren als geschiedenis, afgewisseld met poëzie. In de Bijbel vinden we verhalen over wat God in de geschiedenis heeft gedaan. In het Oude Testament lezen we over de schepping van de wereld, de zondvloed, de roeping van Abraham en de geschiedenis van het volk Israël. In het Nieuwe Testament over de komst van de Jezus, over de apostelen die de wereld intrekken met de boodschap van het Evangelie, gemeenten stichten en brieven schrijven en tot slot over het einde en de toekomst van de wereld (het boek Openbaring).

Maar de Bijbel beschrijft niet louter geschiedenis. Het is heilsgeschiedenis, d.w.z. geschiedenis met een boodschap. Het gaat niet om pure geschiedschrijving zoals wij dat in onze tijd kennen: geschiedschrijving om de historisch bewijsbare gegevens vast te leggen. In de Bijbel gaat het om de boodschap. Heilsgeschiedenis is geschiedenis en de interpretatie daarvan. En dat laatste is van het grootste belang. We lezen in de Bijbel dat Jezus is gestorven voor onze zonden. Dat Jezus is gestorven kunnen we beschouwen als pure geschiedschrijving. Dat hij stierf voor onze zonden is interpretatie.

Er zijn natuurlijk altijd meerdere en verschillende interpretaties van een bepaalde gebeurtenis mogelijk. Maar wij geloven dat de interpretatie die profeten en apostelen in de Bijbel geven aan de gebeurtenissen door God geïnspireerd zijn. We noemen dat ‘openbaring'. De Bijbel bevat dus goddelijke interpretaties van gebeurtenissen ofwel openbaringen. Dat is allemaal niet zo vreemd en goed te volgen. Eigenlijk is het goddelijke van de Bijbel voor wie gelooft enigszins vanzelfsprekend. Maar het menselijke van de Bijbel is wat moeilijker. Hoe zit het met allerlei tegenstrijdigheden en ‘fouten' in de Bijbel? Zijn dit ogenschijnlijke tegenstrijdigheden, dus paradoxen, of gewoon fouten? En als het fouten zijn, hoe kan dat nu in een goddelijk boek? Er zijn een paar redenen te noemen, die ik aan de hand van een voorbeeld wil toelichten.

 

Is de wereld plat of rond?

 

Het wereldbeeld is de kennis van en de visie op de bouw en inrichting van het heelal. Wij ‘weten' inmiddels dat er meerdere melkwegstelsels zijn en dat in ons melkwegstelsel de aarde om de zon draait. Maar in het antieke wereldbeeld van de bijbel zou de aarde plat zijn en de hemel er als een koepel overheen gespannen. Hieraan zijn de zon, maan en sterren als lampen opgehangen. Een tegenstrijdigheid? Of een paradox?

Ten eerste moet opgemerkt worden dat het antieke wereldbeeld niet bestaat. Egyptenaren, Babyloniërs en Grieken hadden verschillende wereldbeelden. Maar ook het bijbelse wereldbeeld bestaat niet. Soms is er sprake van een driedeling (hemel, aarde, onderwereld), soms van een vierdeling (hemel, aarde, zee, onderwereld). Soms wordt gezegd dat de aarde drijft op het water (Ps.24:2), elders wordt gesproken over de pilaren en fundamenten van de aarde (Job 9:6; Spr. 8:29), dan weer dat God de aarde ophangt boven het niets (Job 26:7).

De Bijbel is geen boek van wetenschap en dringt ons geen enkel wereldbeeld op. De Bijbel spreekt de taal van de tijd waarin de schrijvers hun werk eraan verrichten. Het is de taal van de gewone menselijke waarneming, die onder alle volken en alle tijden gelijk is. Wij zeggen nog steeds dat de sterrenhemel boven is en dat de zon opkomt (i.p.v. om de aarde draait); wij zien de horizon waar de hemel de aarde raakt en als we graven in de aarde komen we water tegen; ook ons land wordt omgeven door water. Waar we ook heen reizen, we komen op een gegeven moment bij water. De Bijbel spreekt niet in de taal van de (moderne) wetenschap, maar in de taal van het dagelijkse leven van gewone mensen in alle tijden.

 

‘Zondigen tegen God' of ‘tegen een medegelovige'?

 

In Mat.18:15 lezen we in een aantal vertalingen (SV/WV/NBV): ‘Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, hebt gij uw broeder gewonnen.' Maar in andere vertalingen (NBG/GNB): ‘Indien uw broeder zondigt, ga heen, bestraf hem onder vier ogen. Indien hij naar u luistert, hebt gij uw broeder gewonnen.' Dit is nogal tegenstrijdig. In het eerste geval moet je alleen iemand aanspreken die zich tegen jou misdragen heeft. In het tweede geval iedereen die zondigt (tegen God).

Het verschil is ontstaan door onduidelijkheid in de handschriften. Er zijn ruim 5000 handschriften van stukken van het Nieuwe Testament. En die manuscripten verschillen op allerlei kleine details. Dit heeft meestal geen invloed op de betekenis van de tekst, maar soms wel. In het Evangelie van Matteüs komt dit ongeveer vijf keer voor. De meeste handschriften hebben ‘tegen u' wel, de oudste echter missen het. Daarom vinden we het sommige edities van het Nieuwe Testament wel en in andere niet.

Gebrek aan historisch materiaal, in dit geval onduidelijkheid in handschriften, is de reden van deze tegenstrijdigheid in onze bijbelvertalingen.

 

Behouden door geloof of door ‘geloof en werken'?

 

Vaak worden Paulus en Jakobus op het punt van ‘behouden door het geloof' tegenover elkaar gezet. Paulus zou wat anders leren dan Jakobus. Ze zouden elkaar tegenspreken. Luther betwijfelde zelfs de plaats van de brief van Jakobus in de canon. Paulus zegt bijvoorbeeld in Rom.10:10 ‘want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis'. En Jakobus zegt dat geloof zonder werken dood is. In Jak.2:17 staat ‘zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood.' Wat is hier aan de hand?

Als we het woord ‘geloof' en ‘geloven' bij Paulus bestuderen zien we dat bij hem gehoorzaamheid een aspect van geloven is. In Rom.1:5 opent hij zijn brief als volgt: ‘door wie wij genade en het apostelschap ontvangen hebben om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor zijn naam onder al de heidenen'. Paulus spreekt over de ‘gehoorzaamheid des geloofs'. Voor hem is gehoorzaamheid een onderdeel van ‘geloven'. En in het laatste hoofdstuk herhaalt hij dit (16:26)

Jakobus gebruikt het woord ‘geloven' anders; bij hem is geloven het aannemen van een waarheid. Je kunt volgens Jakobus in God geloven zonder hem te gehoorzamen. Zo geloven de demonen ook, zegt hij in 2:19. En zo'n geloof zonder werken is dood.

We onderkennen dus een ander gebruik van het woord ‘geloven', maar geen verschil in boodschap tussen Paulus en Jakobus. We moeten hierbij ook bedenken dat wij het woord ‘geloven' meestal gebruiken in de betekenis van Jakobus!

 

Mag een vrouw nu wel of niet spreken in de gemeente?

 

In 1Kor.11:5 zegt Paulus: ‘Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan', en in dezelfde brief in hoofdstuk 14:34: ‘Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeenten zwijgen'. Spreekt Paulus zichzelf hier tegen? Sommigen beschouwen hierom zelfs de verzen uit 1Kor.14 als later ingevoegd en als niet van Paulus. Als we echter de twee verzen in hun context lezen, krijgen we het volgende beeld. In 1Kor.11 is sprake van bidden en profeteren. Bidden is spreken tot God, maar ook spreken in de zin van loven en prijzen. Profeteren is spreken namens God. Het gaat in dit hoofdstuk om spreken uit het hart, om geïnspireerd door de Geest spreken.

Het spreken in 14:34-35 is echter ‘iets te weten willen komen' zoals blijkt uit vs.35: ‘En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente'. Het spreken betreft hier het vragen stellen tijdens het beoordelen van de geestesgaven (vs.26-33). Ze mogen tijdens dat beoordelen van de geestesuitingen de gemeente niet met vragen verstoren. Als ze iets te vragen hebben kunnen ze dat thuis aan hun mannen doen.

De context is hier de ‘orde' in de gemeente. Er mogen bijvoorbeeld ook maar twee of drie profeten spreken en die mogen elkaar ook niet in de rede vallen. Paulus bespreekt in deze verzen een ordelijk verloop van de dienst. Ook wij kennen deze situaties wel. Als kinderen vragen stellen tijdens eerbiedige  momenten in de dienst, zeggen wij: dat zal ik je thuis wel uitleggen. Ook hier dus geen tegenstrijdigheid, maar een paradox. Uit de verschillende context van 1Kor.11 en 14 blijkt dat het perspectief van dezelfde auteur per context kan verschillen.

 

Volkstelling van God of van de satan?

 

De volkstelling door David wordt zowel in het boek 2Samuël als in 1Kronieken beschreven, echter met één opmerkelijk verschil. In 2Sam.24:1 lezen we: ‘Opnieuw ontstak de HEER in toorn tegen Israël. Hij zette David tegen het volk op met de woorden: ‘Ga in Israël en Juda een volkstelling houden.' En in 1Kron.21:1 staat: ‘Satan keerde zich tegen Israël en zette David ertoe aan in Israël een volkstelling te houden. Hoe moeten we dit verschil opvatten?

Ten eerste kan men het Hebreeuwse satan ook vertalen met ‘tegenstander', wat het vaak betekent in het Oude Testament. Het zou hier dan gaan om een buitenlandse vijand die David onder druk zet om een volkstelling te houden. En in 2 Samuël is het mogelijk om te vertalen: ‘Opnieuw ontstak de HEER in toorn tegen Israël. Iemand zette David tegen ...'

Maar blijft onverlet dat in 2Sam. God het initiatief neemt en in 1Kr. de satan óf  een menselijke vijand. Toch komt het vaker voor dat hetzelfde gebeuren in geestelijke zin twee auteurs (God en satan) heeft. De satan voert uit wat God toelaat. We zien dit ook in het Nieuwe Testament.

Bijvoorbeeld bij Jezus' verzoeking in de woestijn schrijft Matteüs ‘Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel (4:1). En Paulus zegt in 2Kor.12:7 ‘opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, (is mij) een doorn in het vlees gegeven (door God), een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen'.

Het gaat in beide gevallen om één gebeurtenis die je vanuit tweeërlei perspectief kunt bezien. 2 Samuël heeft de gebeurtenis vanuit Gods perspectief beschreven en 1 Kronieken vanuit de macht van de zonde en de straf die daarop volgt, een zich telkens herhalend perspectief in het boek Kronieken. Het perspectief van twee auteurs kan en mag verschillen.

 

Vier redenen voor zgn. tegenstrijdigheden

 

Er komen in de Bijbel nogal wat van deze tegenstrijdigheden voor, die bij nader inzien vaak paradoxen blijken te zijn, ogenschijnlijke tegenstrijdigheden. We hebben vier redenen genoemd die het voorkomen ervan kunnen verklaren:

  1. Ervaringswerkelijkheid
  2. Beperkt blikveld van de latere lezer
  3. Verschillend woordgebruik
  4. Perspectief van de schrijver

Andere tijden en een ander wereldbeeld vormen blijkbaar geen reden om de Bijbel als ouderwets of achterhaald te typeren. De Bijbel is immers een boek dat door ‘van Gods Geest gedreven' mensen geschreven is, met een boodschap over tijd en eeuwigheid, zienlijke en onzienlijke dingen.