Spreekt Jezus in Mat.24:30 over zijn wederkomst?

 

Gijs van den Brink, Studiebijbel Magazine 2.2, 2008

 

Dan zal aan de hemel het teken zichtbaar worden dat de komst van de Mensenzoon aankondigt, en alle stammen op aarde zullen zich van ontzetting op de borst slaan als ze de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel, bekleed met macht en grote luister. (NBV)

Er is op het gebied van de leer aangaande de ‘laatste dingen' (de zgn. eschatologie) veel aan het verschuiven. Vaak wordt aangenomen dat profetische uitspraken handelen over de tijd van de profeet zelf en alleen een bepaalde manier van spreken zijn (genre) om eigentijdse gebeurtenissen te beschrijven. Zo wordt bijvoorbeeld betwijfeld dat Jezus in Mat.24:30 over zijn wederkomst heeft gesproken.

Tom Wright stelt dat Jezus' eindtijdrede (Marc.13, Mat.24, Luc.21) van begin tot eind handelt over de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. Niet alleen de ‘gruwel van verwoesting' spreekt over de verwoesting van de tempel, maar ook de verduistering van zon, maan en sterren na de verdrukking (Mat.24:29) is een beschrijving met apocalyptische symbolen van wat er in 70 gebeurt. En zo is ook de komst van de Zoon des mensen op de wolken (24:30) volgens hem niet een komen van de hemel naar de aarde aan het einde der tijden, maar een komen van beneden naar boven (evenals in Dan.7:13), een hemelvaart dus naar de troon van God. En de boodschappers (engelen) die de uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken (24:31) zijn de volgelingen van Jezus die in de wereld worden uitgezonden. Alles waarover Jezus hier dus spreekt is volgens hem vervuld vóór en in 70 n.Chr. Doet dit recht aan een eerlijke lezing van deze tekst in de context?

 

Jezus en het boek Daniël

 

Er is op gewezen (Hartman ) dat Jezus' ‘eindtijdrede' een midrasj is gebaseerd op Daniël 7, 8, 9 en 11. Een midrasj is een soort preek gebaseerd op één of meerdere oudtestamentische teksten. De rede van Jezus heeft twee brandpunten: de komst van de ‘antichrist' en de komst van de Zoon des mensen. We moeten daarom Jezus' rede lezen tegen de achtergrond van het boek Daniël.

Ten tweede is de context in Matteüs van belang. Mat.23 eindigt met Jezus' 'klacht over Jeruzalem' (23:37-39). Jezus heeft de kinderen van Jeruzalem, dat wil zeggen de Israëlieten, willen verzamelen zoals een kloek haar broedsel onder haar vleugels. ‘Maar u hebt het niet gewild' zegt hij. Vervolgens spreekt Jezus een oordeelsaankondiging uit: ‘Zie uw huis wordt verlaten aan u overgelaten'. Jezus zegt dus dat God de tempel en de stad opgeeft, dat daarmee het volk de goddelijke bescherming wordt ontnomen en dat Jeruzalem wordt prijsgegeven aan de vijanden.

De tweede oordeelsaankondiging luidt: 'u zult Mij niet meer zien'. Het vertrek van de spreker - dat wil zeggen de dood van Jezus - wordt in verband gebracht met Gods afwezigheid in de tempel, met de verwoesting van de stad en een heilloze tijd voor Israël. Door de dood van Jezus breekt er een heilloze tijd aan voor Israël. Deze oordeelstijd zal echter wel een einde hebben: er is een ‘totdat' (‘totdat u zegt: Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer').

We zien hier dus dat er sprake is van een tussentijd tussen de dood van Jezus en de verwoesting van Jeruzalem enerzijds en zijn parousia op de wolken anderzijds (Mat.24:30).

Tegen de achtergrond van het boek Daniël moeten we concluderen dat Jezus Zichzelf zag als de gezalfde uit Dan.9:26 en Zijn dood en de directe gevolgen daarvan beschreven zag in Dan.9:26b-27: de zeventigste ‘jaarweek' waarin op de helft van deze week de ‘gruwel der verwoesting', de pseudo-christus of ‘antichrist' zich zou openbaren.

 

Een eindtijd in twee fasen

 

Vanuit het OT gezien beginnen de laatste dagen, dat wil zeggen de eindtijd, met de komst van de Messias en de uitstorting van de Geest op alle vlees. Deze opvatting vinden we dan ook verschillende malen bij de apostelen in het Nieuwe Testament (Hand.2:17; 2Tim.3:1; Jac.5:3; 2Petr.3:3). De eindtijd is begonnen met de eerste komst van Jezus. Maar er is meer over te zeggen.

Jezus zegt: ‘Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur' (Mat.24:33). Wat bedoelt Hij met ‘dit alles' en met ‘dat wat nabij is'? In Mat.24:14-31 worden de ‘gruwel der verwoesting', de ‘grote verdrukking' en de ‘komst van de Zoon des mensen' als drie hoofdmomenten van één gebeuren voorgesteld, dat in de verzen 6 en 14 samenvattend ‘het einde' wordt genoemd. ‘Dit alles' spreekt dus over de voortekenen uit de verzen 4-14 en ‘dat wat nabij is' gaat over ‘het einde', waarvan de gebeurtenissen in de verzen 15-31 beschreven worden. Het einde begint hier dus in vers 15 met de manifestatie van de ‘antichrist' (de ‘gruwel der verwoesting'). Korte tijd na het optreden van de antichrist wordt de komst van de Zoon des mensen verwacht (24:29-31).

De ‘laatste dagen' bestrijken dus de hele periode tussen de eerste en de tweede komst van Jezus, maar bestaan uit twee fasen. De tweede fase begint met het optreden van de ‘antichrist' en loopt uit op de komst van Jezus in heerlijkheid. 

 

Conclusie

 

Tot slot zou ik willen vragen: waarom spreken Lucas (Hand.1:11) en Paulus (1Tess.4:13-18) wel over de (weder)komst van Jezus op de wolken als de Heer zelf hier niet over gesproken zou hebben? Waarom zouden ze dit bedacht hebben? Of moeten we aannemen dat zij Jezus verkeerd begrepen hebben? Wat moeten wij dan vervolgens met deze verkeerd begrepen ‘nieuwe' opvattingen van Lucas en Paulus?

Een eerlijke lezing van Mat.24 in zijn context en tegen de achtergrond van het OT laat m.i. op niet mis te verstane wijze zien dat Jezus in vers 30 over zijn wederkomst spreekt.

 

Literatuur:

 

N.T. Wright, Christian Origins and the question of God. Vol.2. Jesus and the Victory of God, (1996) 339-368; - Matteüs voor iedereen, deel 2 (Franeker 2008) 138-142.

L. Hartman, Prophecy Interpreted. The Formation of Some Jewish Apocalyptic Texts and of the Eschatological Discourse Mark 13 par, Lund 1966.

D.C. Allison, Jesus of Nazareth, millenarian prophet, Minneapolis 1998.