Vroegchristelijke profeten en de vorming van het NT

©  copyright  drs Gijs van den Brink 1998

Terug naar Index theologie 

Het thema profetie houdt de gemoederen in de christelijke gemeente bij tijd en wijle behoorlijk bezig. Maar ook de wetenschap is geïnteresseerd in het fenomeen profetie ten tijde van Christus. Vooral in de kringen van de historisch-kritische bijbelwetenschap kan men sinds Bultmann[1] telkens weer horen hoe vroegchristelijke profeten hebben bijgedragen aan de vorming van uitspraken van Jezus.

De kerk zou geen onderscheid gemaakt hebben tussen uitspraken van de historische Jezus en die van vroegchristelijke profeten die spraken in de naam van Jezus. Vele uitspraken van Jezus zouden niet authentiek zijn, maar later door profeten de historische Jezus in de mond zijn gelegd. De vraag is niet of dit theoretisch gesproken mogelijk is, maar of dit historisch gezien aannemelijk is.

We willen daarom ten eerste de inhoud van de profetieën van vroegchristelijke profeten bekijken om te zien of deze overeenkomt met de soort uitspraken die Jezus deed. Ten tweede willen we nagaan of de uitspraken van deze profeten op het punt van gezag gelijkgesteld werden aan de woorden van Jezus en de leer van de apostelen.

Alleen nadat we deze vragen hebben beantwoord kunnen we zeggen of het inbrengen van de creativiteit van de vroegchristelijke profeten een reële mogelijkheid is, of dat dit een bedenksel is, ontsproten aan het creatieve brein van moderne geleerden. Dit is de hoofdvraag, maar er zijn ook een aantal subvragen. Wat verstond men onder profetie, hoe zag men bijvoorbeeld het verschil met de bediening van de leraar? Hoe ontving een profeet zijn boodschap? En hoe verhoudt zich de profetische boodschap met het geschreven woord in deze vroege tijd?

Om enigszins zinvol bezig te zijn wil ik me beperken tot de allervroegste tijd, de tijd van de apostolische vaders[2]. Dit is een verzamelnaam voor een 17-tal brieven geschreven tussen 70 en 160 na Chr. door broeders van wie de meesten nog één of meer van de twaalf apostelen gekend hebben. Het zijn ge­schriften die de bedoeling hebben het getuigenis van de apostelen ongeschonden te bewaren en door te geven.

 

Ignatius

 

Ignatius, die sinds 70 na Chr. bisschop van Antiochië was, werd in 110 n.Chr. in Rome als martelaar door de wilde dieren verscheurd. Onder arrest op weg naar Rome schrijft hij o.a. een brief aan de gemeente van Filadelfia in Azië en zegt daarin het volgende (7:1-2):

"Ook al hebben sommigen mij als een zwak mens willen verleiden, de Geest die van God komt laat zich niet verleiden. Want hij weet vanwaar hij komt en waar hij heen gaat. Hij brengt het verborgene aan het licht. Ik heb temidden van hen uitgeroepen, ik heb gesproken met een luide stem, de stem van God: `Houdt vast aan de bisschop, het college van oudsten en diakenen'. Sommigen spraken het vermoeden uit dat ik dit zei omdat het mij bekend was dat sommigen zich hadden afgescheiden. Maar hij om wie ik gevangen ben is mijn getuige dat ik het niet van een mens vernomen had. De Geest verkondigde: `Doet niets zonder de bisschop, bewaart uw lichaam als een tempel van God, hebt de eendracht lief, ontvlucht de scheuringen, weest navolgers van Jezus Christus, zoals Hij het weer is van de Vader."

Ignatius beschouwt de woorden die hij heeft uitgesproken heel duidelijk als direct door God of de Geest ingegeven woorden. Hij zegt ‘de Geest verkondigde', met andere woorden zo spreekt de Geest! Verder zegt hij dat hij de woorden sprak ‘met een luide stem, de stem van God'. Vaak gebeurt het door de Geest gedreven spreken met stemverheffing. Dit gebeurt doorgaans, zoals ook hier, ‘temidden van de verzamelde gelovigen', dat wil zeggen tijdens de samenkomst, meestal gedurende het gezamenlijk gebed.

En wat betreft de inhoud is voor ons van belang dat Ignatius zegt dat de Geest van God verborgenheden aan het licht brengt. En als sommigen in Filadelfia het vermoeden uitspreken dat Ignatius zich wel eerst van hun situatie op de hoogte heeft laten brengen om vervolgens dit in de vorm van een profetie uit te spreken, reageert hij heftig: ‘Hij om wie ik gevangen ben, is mijn getuige dat ik het niet van een mens vernomen heb'.

Profeteren is hier dus het direct vanuit het hart door de Geest gedreven spreken. En de Geest openbaart geen nieuwe leerstellingen, maar openbaart de verborgenheden in 's mensen hart (vgl 1 Cor. 14:25) en geeft richting aan de levenswandel van de gelovigen op een bepaalde plaats en een bepaald moment.

Op zich bevat de openbaring aan Ignatius geen opzienbarende gegevens; wat hij zegt was in zijn algemeenheid wel bekend. Maar God bepaalt deze gemeente op dit moment bij deze boodschap. En dat deze woorden op dat moment terzake waren in Filadelfia, blijkt wel uit de reactie van een aantal gemeenteleden.

 

Polycarpus

 

Een tweede voorbeeld uit het leven van Polycarpus uit Smyrna. Ook hij stierf in het midden van de tweede eeuw de marteldood. Als hij te horen heeft gekregen dat hij voor de wilde dieren zal worden geworpen, gaat hij op aanraden van vrienden naar een klein buitenverblijf niet ver van de stad. Daar deed hij niets anders dan met nog een paar anderen ‘dag en nacht bidden voor allen en voor de gemeenten over de gehele wereld'.

Drie dagen voor hij gevangen werd genomen, toen hij weer bezig was te bidden, kreeg hij een gezicht, een visioen, waarin hij zag dat zijn hoofdkussen verbrand was. Hij keerde zich tot zijn vrienden en zei: ik moet levend verbrand worden (Mart.Pol.v,1­2). Als de dag van zijn berechting aangebroken is en hij veroordeeld wordt, blijken de dierenfeesten afgelopen te zijn en wordt besloten dat Polycarpus levend verbrand moet worden. De gelovigen van Smyrna zijn hierover niet verbaasd en brengen dit als volgt onder woorden:

"Het gezicht moest immers uitkomen dat hem verschenen was betreffende het hoofdkussen dat hij zag branden toen hij in gebed was en zich tot zijn vrienden richtte met de profetische woor­den: ik moet levend verbrand worden" (Mart.Pol.xii,3).

 

Didache

 

Ook de Didachè of de ‘leer van de twaalf apostelen', ge­schreven in Syrië, ongeveer 100 na Chr. geeft ons inzicht in de vroegchristelijke profetie, of beter gezegd de vroegchristelijke profeten. Dit ge­schrift wil laten zien hoe de twaalf apostelen de grote opdracht van Jezus ‘Gaat dan heen, maakt al de volken tot mijn discipelen' (Matt. 28:19), in praktijk brengen. Aan de kwestie van de profeten wordt wel drie paragrafen besteed (Did.xi-xiii). Het betreft hier rondreizende profeten, zoals blijkt uit zinnen als ‘ieder die komt in de naam des Heeren moet ontvangen worden' (xii,1) en ‘indien hij die bij u komt op doorreis is, helpt hem dan zoveel u kunt' (xii,2).

We worden getroffen door de vooraanstaande plaats die de profeten in deze tijd innemen. De gelovigen moeten zich houden aan een bepaalde orde in de samenkomst, maar de profeten zijn vrij en mogen bidden zoals ze willen (Did.x,7). De profeten mogen als ze door de Geest spreken niet op de proef gesteld worden; die zonde zal de gelovigen niet vergeven worden (xi,7). Verder mogen ze voor zichzelf wetten stellen die niet door anderen gehouden hoeven te worden (xi,11). Zo deden al de profeten van vroeger ook, stelt de Didachè.

En de gemeente moet een profeet onderhouden als hij zich in de gemeente wil vestigen (xiii,1-2). Ook krijgt de profeet de tienden van de opbrengst van de wijnpers, de dorsvloer, runderen en schapen, want hij moet beschouwd worden als ‘uw hogepriester' (xiii,3). Pas als er geen profeet aanwezig is mogen de tienden naar de armen gaan! (xiii,4). Als met betrekking tot oudsten en diakenen gezegd wordt ‘minacht hen niet, want ze zijn geëerd bij u evenals de profeten en leraren', blijkt hieruit overduidelijk dat de bedieningen van profeet en leraar in Syrië meer aanzien genoten dan die van oudsten en diakenen.

De Didachè spreekt over een profeet als iemand ‘die in de Geest spreekt' (xi,7.8.9.12). Dat is het kenmerkende van een profeet en aan dit spontaan direct door de Geest gedreven spreken is de profeet te herkennen. Het is blijkbaar voor een ieder duidelijk wanneer de profeet in de Geest spreekt, hoewel hier niet gezegd wordt hoe. Spreekt hij misschien met stemverheffing, zoals we bij Ignatius zagen, of leidt hij zijn boodschap in met ‘zo spreekt de Geest', zoals Agabus in Hand. 21 (vs.11)? Hoe het ook zij, het is voor een ieder duidelijk als de profeet door de Geest spreekt.

Inhoudelijk worden er in de Didachè slechts twee profetische uitspraken genoemd; de eerste gebiedt het aanrichten van een liefdemaal (xi,9) en de tweede om geld te geven aan behoeftigen (xi,12). Ook hier dus geen leerstellige openbaringen, maar openbaringen die aangeven wat op dat moment van belang is voor een goed verloop van het gemeenteleven.

 

Hermas

 

Het vierde geschrift waarin wij het een en ander over het functioneren van de gave van profetie tussen 70 en 160 na Chr te weten komen is de ‘Herder van Hermas'[4]. Het boek is tussen 100 en 150 na Chr door Hermas in Rome geschreven.

Evenals Ignatius noemt Hermas zichzelf geen profeet, maar hij ontvangt wel verschillende profetische boodschappen middels visioenen en openbaringen (Vis.ii-iv). Dat hij zich geen profeet noemt, komt omdat we hier geen profeten ontmoeten die met naam en toenaam worden genoemd, maar worden geconfronteerd met het verschijnsel dat we gemeenteprofetie plegen te noemen. Dat houdt in dat gewone gelovigen in de samenkomst met de Heilige Geest vervuld worden en vervolgens een profetie uitspreken. We lezen hierover in het elfde Mandaat of Gebod van de Herder van Hermas. Van de geest van de profeet wordt gezegd dat hij ‘alles spontaan spreekt' (Man.xi,3); En even verder lezen we:

"Ook spreekt de Heilige Geest niet wanneer men hem wil laten spreken, maar dan spreekt hij wanneer God zelf wil dat hij spreekt" (Man.xi,8).

En dan volgt de mooiste beschrijving van gemeenteprofetie in de tweede eeuw. Hermas verwoordt dit als volgt:

"Wanneer nu een mens die Gods Geest heeft naar een samenkomst gaat van rechtvaardige mensen, die geloof hebben in de Geest van God en uit de samenkomst van die mensen stijgt een gebed op tot God, dan vervult ... de Geest die in hem is die mens, en wanneer die mens vervuld is met de Heilige Geest, spreekt hij tot de menigte , zoals de Heer wil". (Man.xi,9)

Het is van belang op te merken dat Hermas begint met ‘wanneer nu een mens die Gods Geest heeft naar een samenkomst gaat' en vervolgens ‘wanneer die mens vervuld is met de Heilige Geest, spreekt hij ...'. Het vervuld worden met de Geest betekent dus niet dat die mens daarvoor van de Geest verstoken was. De man die God laat spreken als een profeet is onder de voortdurende leiding en rustige invloed van de Geest. Deze rustige leiding van de Geest maakt hem geschikt om te spreken zoals de Heer wil op het moment dat hij vervuld wordt met de Geest van profetie.

Er is nog een tweede belangrijk element in deze woorden van Hermas, namelijk als hij zegt: ‘wanneer een mens gaat naar een samenkomst van rechtvaardige mensen'. De profetie wordt niet in het geheim (Man.xi,8) of in een hoekje (Man.xi,13) tot een privé groepje gesproken, maar in het midden van de gehele verzamelde gemeente. Profetie heeft de hele gemeente nodig om goed te functioneren. De Heilige Geest is permanent in de gemeente, in alle gelovigen aanwezig.

En deze voortdurende aanwezigheid van de Geest maakt de één geschikt om te spreken als profeet en maakt de ander klaar om te bidden. Deze twee gaan volgens Hermas samen op. Het spreken van de profeet gebeurt hier als de voltallige gemeente in gebed is tot de Heer. Het gebed van de gemeente opent de weg voor het spreken van de Geest. De Geest vervult één van hen, die dan woorden spreekt zoals de Heer wil. Het is een direct uit het hart door de Geest geïnspireerd spreken.

De gave van de Geest van hem die profeteert, verschilt niet van die van zijn medegelovigen, met wie hij vergaderd is. Hij is niet geestelijker dan de anderen. Het is de leugenprofeet die zich er op laat voorstaan een geestelijker mens te zijn. Nee, de gemeente en de profeet hebben dezelfde gave van de Geest, en daarom kan elk lid van de gemeente gekozen worden om met de Geest vervuld te worden en te spreken zoals de Heer wil. De gemeente van Hermas kent geen profeten-ambt.

Wat betreft de inhoud van de profetieën in de Herder van Hermas vinden we weer hetzelfde als hiervoor. Aune[5] die behoorlijk strikte criteria aanlegt, vindt 12 profetieën in het geschrift (Vis ii.2.6-8; ii.3.4; iii.8.11-111.9.10; iv.2.5-6; Man. xii.4.5-7; xii.6.1-3; Sim. vi.1.4; ix.23.5; ix.24.4; ix.28.5-8; ix.31.3-32.5; ix.33.1). Een paar voorbeelden, ten eerste:

"Volhardt dan gij die gerechtigheid doet  en twijfelt niet" (Vis. ii.2.7),

Of op een andere plaats het volgende:

"Luistert nu naar me en hebt vrede onder elkaar, bezoekt en helpt elkaar en neemt het geschapene van God niet alleen aan, maar deelt van de overvloed ook uit aan de behoeftigen" (Vis. iii.9.2.)

Ook over de leiders van de kerk wordt geprofeteerd:

Nu spreek ik tot jullie die aan het hoofd van de kerk staan en die vooraan zitten: Weest niet als de gifmengers. De gifmengers dragen hun eigen gif in dozen bij zich maar jullie dragen je gif en het venijn in je hart. Jullie zijn verstokt en willen je hart niet reinigen door met een zuiver hart op hetzelfde bedacht te zijn ten einde barmhartigheid te ontvangen van de grote Koning. Let er dan op, kinderen, dat jullie onenigheden je nooit beroven van het eeuwige leven. Hoe willen jullie uitverkorenen des Heren opvoeden als je zelf geen tucht kent? (Vis. iii.9.7-10).

We moeten met Aune concluderen dat alle 12 profetieën in dit geschrift liggen op het vlak van de paraenese[6], dat wil zeggen ze beogen op te roepen tot een goede christelijke geloofswandel. Dus ook hier geen leerstellige openbaringen.

 

Echt of onecht?

 

Niet alleen de inhoud van de profetie, maar ook het toetsen van de profeten is een belangrijk gegeven. Het geeft ons inzicht in de verhouding tussen de verschillende gezagsinstanties in de vroege kerk. De vraag is namelijk of de vroegkerkelijke profeten hetzelfde gezag genoten als de oudtestamentische schriftprofeten.

In de tijd van de apostolische vaders krijgt het onderscheid tussen echt en onecht behoorlijk veel aandacht. Hier staat of valt namelijk de boodschap van de profeet mee. Hoe kunnen echte en valse profetie onderkend worden? Wanneer spreekt een profeet uit zichzelf en wanneer uit God? Zowel de Didachè als de Herder van Hermas gaan hier uitvoerig op in. Er zijn in de vroege kerk verschillende criteria bekend om echt van onecht te onderscheiden, namelijk:

  1. de leer die iemand verkondigt
  2. of de profetie wel of niet in vervulling gaat
  3. de levenswandel van de profeet
  4. het onderscheiden van de geest die in de profeet werkt

De eerste twee criteria, de leer en de vervulling van de profetie, komen in de tijd van de apostolische vaders bijna niet voor omdat de profetieën niet op leerstellig vlak liggen en zelden een voorspellende inhoud bevatten. Of de profetie wel of niet uitkomt is bovendien een weinig strijdbaar wapen op het moment dat de profeet profeteert. Met name het derde criterium, de levenswandel van de profeet krijgt alle aan­dacht. Het gedrag van de profeet moet overeenkomstig de leer zijn, die hij verkondigt. Zo lezen we in de Didachè:

"Niet ieder die in de Geest spreekt is een profeet. Dit is slechts het geval als hij de levenswijze van de Heer volgt. Uit hun levenswijze kan men de ware en de valse profeet leren kennen" (xi,8).

En verder:
"iedere profeet, die de waarheid leert, maar die niet in praktijk brengt, is een leugenprofeet" (xi,10).

Vervolgens moet er sprake zijn van volledige onbaatzuchtigheid. Zo stelt de Didachè dat als een profeet een liefdemaal laat aanrichten voor zichzelf of om geld vraagt, hij een leugenprofeet is (xi,9 en xi,12). Hermas benadrukt ook het criterium van de levenswandel. Men ziet in de ware profeet de vrucht van de Geest, hij is nederig, rustig en zachtmoedig; hij onthoudt zich van alle kwaad en van een ijdel werelds verlangen; en hij gedraagt zich als de minste van alle mensen (Man.xi,8). De valse profeet daarentegen heeft ambities, hij verhoogt zichzelf en wil vooraan zitten. En het ergste is, hij neemt geld aan voor zijn profetieën (Man.xi,12).

Maar Hermas gaat nog verder. Ook aan zijn gedrag in de gemeente is te zien of een profeet goed of slecht is (Man.xi,13); de verkeerde mijdt rechtvaardige mensen, maar trekt op met tweeslachtigen en leeghoofden. Belangrijk detail wordt hier toegevoegd: `hij profeteert voor hen in een hoekje'. De samenkomsten van de leugenprofeet en zijn volgelingen zijn privé.

De ware profetie gebeurt echter, zoals we al zagen, temidden van de voltallige verzamelde gemeente. Een heel belangrijk verschil is ook dat de leugenprofeet antwoordt aan mensen die hem vragen stellen (Man.xi,8.13), d.w.z. hij pretendeert de profetische gave voortdurend tot zijn beschikking te hebben terwijl de ware profeet niet spreekt wanneer mensen dat willen, maar op het moment wanneer de Heer dat wil (Man.xi,9)

Maar uniek voor Hermas is het vierde criterium, het onderscheiden van de geest van de profeet. De ontmaskering van de leugenprofeet beschrijft Hermas als volgt:

"Wanneer hij komt in de samenkomst vol met rechtvaardige mensen die de Geest van God hebben en een gebed stijgt van hen op, wordt die man hol en de aardse geest vlucht uit angst van hem weg en die man verstomt en wordt geheel verpletterd omdat hij niets kan zeggen." (Man xi,14)

Hermas is de enige onder de apostolische vaders die een beoordeling van de profeet kent op het moment van profeteren. Dit `onderscheiden van de geesten' moet de toets op basis van de levenswijze aanvullen. De levenswandel is geen doorslaggevend criterium, omdat het uiteindelijk de geest in de man is die hem tot een leugenprofeet maakt. Zelfs als de Geest de prediking bevestigt met wonderen en tekenen, een belangrijk gegeven in de apostolische en na-apostolische kerk, is dit als toetssteen voor echte en onechte profetie niet toereikend. Ook de leugenprofeten doen wonderen (Matt.7:15-23). Het brengt niet de ware aard en de oorsprong aan het licht van de geest die zich openbaart. Alleen de Heilige Geest zelf heeft de `onderscheiding van geesten'.

Als iemand `vervuld met de Geest' een profetie uitspreekt, is er sprake van een `geestelijk mens', iemand die geheel door de Geest bepaald wordt. Zo iemand kan niet door anderen  beoordeeld worden, in wie de Geest op dat moment niet in die mate werkt (1Cor.2:15; vgl. Irenaeus, Adv.Haer.iv­.33,1). De enige toets die hier kan plaatsvinden is door een ander `geestelijk mens' of een gemeenschap van geestelijke mensen. Dit is nu precies wat Hermas zegt. De Geest van God werkt niet door één enkele persoon, maar door de hele gemeente.

Wat Hermas zegt komt sterk overeen met wat Paulus zegt in 1Cor.­14:24-25
"Maar als allen profeteren en er komt een ongelovige of toehoorder binnen, dan wordt hij door allen weerlegd, wordt hij door allen doorgrond, het verborgene van zijn hart komt aan het licht en hij zal zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden, dat God inderdaad in uw midden is."

Het verschil in aandacht voor het toetsen van profetieën tussen de vroege kerk en het OT is op zijn zachtst gezegd opvallend.

 

Profetie en apostolisch gezag

 

We zijn aan het eind gekomen van onze inventarisatie m.b.t. het functioneren van de gave van profetie in de tijd van de apostolische vaders. We kunnen stellen dat de gave in deze tijd springlevend is met alle goede maar ook problematische kanten. Het onderscheid met de bijbelleraar is heel duidelijk. Een profeet spreekt niet vanuit de Schriften, maar direct door de Geest geïnspireerd vanuit het hart en alleen op het moment wanneer de Here God dat wil.

Wat betreft het gezag van het profetisch spreken, is duidelijk dat het spreken van de profeet geen concurrentie betekende voor het apostolisch gezag, zoals dat in de verkondiging van apostelen en ooggetuigen in deze tijd in zo hoog aanzien stond.

Ten eerste omdat de inhoud van het profetisch spreken niet algemeen leerstellig is, maar ­specifiek en praktisch van aard is, gericht op de levenspraktijk van de gelovigen. Een profeet legt de vinger op de zere plek of spreekt het juiste woord op het juiste moment of onthult zaken die voor de natuurlijke zintuigen niet direct waarneembaar zijn.

Ten tweede is uit de enorme aandacht die er in deze vroege tijd is voor het beoordelen van echte en onechte profetie duidelijk dat de vroegkerkelijke profeten niet het onaantastbaar gezag genieten van de oudtestamentische Schriftprofeten. Dat gezag is in de vroege kerk voorbehouden aan het `Woord van de Heer' en de prediking van apostelen en ooggetuigen, die kunnen getuigen van de woor­den en werken van Jezus Christus. Die verkondiging is opgetekend in de evangeliën en de brieven van het NT.

 

En het boek Openbaring dan?

 

Als een soort intermezzo moeten we even stilstaan bij het boek Openbaring. Hier lijkt namelijk wel sprake te zijn van een profetisch gezag, gelijk aan dat van de oudtestamentische profeten. Dit ligt toch iets anders. De twaalf apostelen zijn in zekere zin uniek en onderscheiden van alle latere gelovigen, omdat zij oor- en ooggetuigen zijn geweest van de openbaring van God in Jezus Christus. Na Pinksteren wordt er ook voortdurend onderscheid gemaakt tussen de twaalf apostelen en de rest van de gemeente van de Heer.

De apostel Johannes is zelf van dit onderscheid op de hoogte geweest, zoals ook blijkt uit het boek Openbaring zelf. Hij heeft weet van zijn unieke positie. Zijn openbaringen zijn waarachtig en betrouwbaar, zoals hij zegt in hoofdstuk 22:6 `

"Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Here, de God van de geesten der profeten, heeft Zijn engel gezonden, om zijn knechten te tonen, hetgeen weldra geschieden moet."

Deze woorden dragen het hoogste gezag, namenlijk dat van God zelf. Geen enkele menselijke instantie, zelfs niet andere profeten, kan deze woorden beoordelen, en het eeuwige lot van de mens hangt af van het aanvaarden van de boodschap in dit boek, zoals we lezen in hoofdstuk 22:18-19

"Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek geschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn."

De specifieke opdracht van Johannes is om de openbaring van Christus door te geven aan zijn broeders, de profeten (Openb. 1:1; 22:6,9,1­6) en dit stelt hem boven en onderscheidt hem duidelijk van de andere profeten.[7] Johannes zelf behoort niet tot de categorie vroegchristelijke profeten.

Ook de inhoud van de profetieën verschilt. Johannes staat in de lijn van de oudtestamentische schriftprofeten, die profeteren over het einde van de wereld en de komst van het Koninkrijk van God, terwijl van de andere profeten wordt gezegd in Openb. 19:10b ‘het getuigenis van Jezus is de geest der profetie'.

 

Conclusie

 

Als we alles op een rijtje zetten, moeten we concluderen dat er historisch gezien geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat vroegchristelijke profeten uitspraken gedaan hebben in naam van de verrezen Heer, die vanwege hun inhoudelijke overeenkomst, gemakkelijk door de hoorders verward konden worden met uitspraken van de historische Jezus.

Terug naar Index theologie  


 

[1] R. Bultmann, K. Kundsin, Form Criticism. F.C. Grant, vert. (Duitse uitgave 1934, vert. 19622) 56vv

[2] Voor een Nederlandse vertaling, zie A.F.J. Klijn, Apostolische Vaders 1 en 2, Kampen, 1983

[4] Voor een uitgebreide bespreking bij Hermas, zie J. Reiling, Hermas and Christian Prophecy, Leiden, 1973

[5] D.E. Aune, Prophecy in Early Christianity and the Ancient Mediterranean World (Grand Rapids, 1983) 299-310

[6] D.E. Aune, a.w. 310.  Aune bespreekt in deze studie de inhoud van 107 vroegchristelijke profetieën. Buiten het NT zijn er slechts 3 of 4 profetieën die wel nieuwe leerstellige openbaringen bevatten, bv. in de Oden van Salomo (7:16b-20) en bij de Montanisten. Het zou wel heel merkwaardig zijn als in de volle breedte van christelijke en halfchristelijke groepen in de vroege kerk dit niet het geval zou zijn. Het zijn m.i. uitzonderingen die de regel bevestigen.

[7] D. Hill, `Prophecy and Prophets in Revelation', New Testament Studies 18 (1972), 401-418; D.E. Aune, ‘The Prophetic Circle of John of Patmos and the Exegesis of Revelation 22.16', Journal for the Study of the New Testament 37 (1989), 103-116