Waar zijn de doden?

Gijs van den Brink, 2011 (gepubliceerd in Studiebijbel Magazine 5.1)

 

De Bijbel leert ons dat er een leven is na de dood. Maar ook dat er niet slechts één, maar meerdere bestemmingen zijn. Dit heeft te maken met een andere kwestie die weinig aandacht krijgt, namelijk dat het hiernamaals in de tussentijd tussen dood en opstanding er anders uit ziet dan na de opstanding van de doden. De bestemmingen in de tussentijd verschillen van de bestemmingen na de opstanding der doden. N.T. Wright spreekt beeldend over ‘life after death' en ‘life after life after death'. De veelgehoorde tegenstelling hemel - hel zegt niet alles. In deze bijdrage beperken we ons tot ‘life after death'.
Waar zijn de doden nadat ze gestorven zijn? En in welke hoedanigheid verkeren ze? Leven ze bewust en met herinnering en herkenning? We lopen een aantal plaatsen in het NT langs om op deze vragen een antwoord te zoeken.

 

Paradijs


Vlak voor zijn sterven vroeg een van de misdadigers die met Jezus gekruisigd werd aan hem: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt' (Luc.23:42). De man krijgt van Jezus een duidelijk antwoord: ‘Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs' (vs.43).
Nog op deze dag, de dag van hun kruisiging, zal het verzoek van de misdadiger ingewilligd worden.
De uitdrukking ‘het paradijs' doet denken aan Gen.2:8vv., maar die aardse hof, die zich ergens in Mesopotamië bevonden moet hebben, is er niet meer. Nu leefde onder de joden de gedachte dat door de overtreding van Adam het paradijs verplaatst was naar een verborgen plek, ver buiten het bereik van mensen. Meestal dacht men dan aan de hemel, soms zelfs aan de derde hemel. We lezen in 2Baruch:
‘Ik (God) toonde haar (hemels Jeruzalem) aan Adam, voordat hij zondigde, maar toen hij het gebod overtreden had, werd zij aan hem onttrokken, evenals het paradijs (...). En zie, nu blijft zij bij mij bewaard, evenals ook het paradijs' (2Bar.4:3, 6; vgl. 4Ezra 4:7-8; TDNT 5:768).
Ook Paulus spreekt over dit paradijs en ook hij lokaliseert het in de derde hemel. Dit blijkt uit de beschrijving van de bijzondere ervaring die hij meemaakte en waarvan hij in 2Kor.12:2-4 vertelt.
‘Ik weet van een mens in Christus ... dat die persoon weggevoerd werd tot in de derde hemel. En ik weet van die persoon ... dat hij weggevoerd werd naar het paradijs en onuitsprekelijke woorden gehoord heeft'.
Het paradijs als plaats van harmonie en vrede werd in het vroege jodendom (periode vanaf 3e eeuw v.Chr.) een aanduiding voor de tijdelijke rustplaats, waar de zielen van de rechtvaardigen na hun dood verblijven tot de opstanding der doden. Tegen deze achtergrond kunnen we stellen dat Jezus de moordenaar naast hem belooft dat hij direct na zijn dood met Hem naar deze paradijselijke rustplaats mag gaan. In deze verblijfplaats heeft Paulus door Gods genade een blik mogen werpen.

 

Hades is geen ‘hel'


Als verblijfplaats van de goddelozen tussen dood en opstanding noemt het NT de hades. Het is van belang op te merken dat er verschil is tussen dodenrijk (hades) en hel (gehenna). Het is erg verwarrend dat sommige oudere vertalingen beide woorden met ‘hel' vertalen (o.a. SV en helaas heeft de HSV dit niet gecorrigeerd). Dit is onjuist en hierdoor ontstaat er verwarring. Hades en gehenna zijn in het Nieuwe Testament als ook in het intertestamentaire jodendom geen synoniemen. Het Griekse hades is een synoniem van het Hebreeuwse sjeool en kan het beste vertaald worden met ‘dodenrijk'. Het is in het NT (als ook op vele plaatsen in de intertestamentaire joodse literatuur) een tijdelijk verblijf, waar de zielen van de goddelozen zich na hun lichamelijke dood bevinden in afwachting van de opstanding der doden. We zien dit in het NT het duidelijkst in de gelijkenis van Jezus over de rijke man en de arme Lazarus. ‘Wanneer [de rijke] in het dodenrijk zijn ogen opslaat [...], ziet hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot' (Luc. 16:23).
De hades staat in nauw verband met de eerste dood, de dood van het lichaam, en heeft een tijdelijke functie. Bij het laatste oordeel geeft zij namelijk haar inwoners over om geoordeeld te worden. Zo lezen we in Openbaring 20:13 ‘De dood en het dodenrijk gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken.'
De gehenna daarentegen is de plaats die beschreven wordt als een ‘poel van vuur' (Op. 20:14) en een ‘vurige oven' (Mat. 13:42), waartoe men veroordeeld kan worden aan het einde der tijden (bv. in Mat.13:40-42). In het boek Openbaring beschrijft de apostel Johannes
wanneer dit zal gebeuren, namelijk na de opstanding en het laatste oordeel (Op.20:12,15). Aansluitend bij de moderne vertalingen moeten we concluderen dat het begrip ‘hel' beperkt dient te worden tot deze gehenna. Uitgaande van de verschillende betekenis van beide woorden kunnen we vervolgens stellen dat de gehenna-hel momenteel nog ‘leeg' is. Deze definitieve plaats van veroordeling krijgt pas een functie bij en na het laatste oordeel.

 

‘Eeuwige tenten' en ‘veel woningen'


Wanneer Jezus de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester verteld heeft, zegt Hij vervolgens: ‘En Ik zeg u: Maakt u vrienden met behulp van de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer deze u ontvalt, men u opneme in de eeuwige tenten (skēnas).' (Luc.16:9)
De woorden ‘wanneer deze u ontvalt' spreken over het moment van sterven. Sommige handschriften hebben zelfs ‘wanneer jullie sterven' (ek-leipō betekent: ‘ten einde gaan, sterven'). Dan zal het er voor hen op aan komen, dat zij worden opgenomen in de eeuwige tenten. Wat bedoelt Jezus hier met ‘eeuwige tenten'?
In Johannes 14:2 zegt Jezus: ‘In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken.'
Met de aanduiding ‘het huis van Mijn Vader' doelde Hij in dit verband op de hemel (vgl. 2Kor.5:1). Maar wanneer zullen de discipelen die ‘vele woningen' mogen betrekken? Ook hier helpen geschriften uit de joodse apocalyptiek ons verder. In het Testament van Abraham, een joods geschrift uit de eerste eeuw, zegt God bij de dood van Abraham het volgende:
‘Draag dan mijn vriend Abraham naar het paradijs, waar de tenten (skēnai) van mijn rechtvaardigen zijn en de woningen (monai) van mijn heiligen ... in diens schoot; waar geen moeite is, geen verdriet, geen gezucht, maar vrede en gejubel en leven zonder einde.' (20:10-14).
De ‘woningen' die de heiligen direct na hun dood betrekken worden, evenals de ‘tenten' van de rechtvaardigen gelokaliseerd in de ‘schoot van Abraham' (zie hierna). En Jezus maakt duidelijk dat de ‘woningen' zich bevinden in het ‘huis van de Vader', de hemel.

 

‘Schoot van Abraham'


Het beeld van de ‘boezem' of ‘schoot' (deel van het menselijk lichaam) komen we in het NT tegen in het gezegde ‘aanliggen aan iemands boezem' of ‘in iemands schoot', d.w.z. aan de maaltijd naast iemand aanliggen. Zo lag de discipel welke Jezus liefhad bij het Avondmaal aan Zijn boezem aan (Joh.13:23), en lezen we in Luc.16:22 hoe de arme door de engelen in Abrahams schoot of aan Abrahams boezem werd gedragen, d.w.z. hij mag met Abraham aanliggen aan het feestmaal van de rechtvaardigen. Het is in de eerste eeuw een vaste term geworden voor de plaats van vrede en geluk, waar de rechtvaardigen na hun dood heengaan (TDNT 3:824-826).

 

‘Intrekken bij de Heer'


Als Paulus over zijn dood spreekt in Filippenzen 1:23-24 zegt hij het volgende: ‘van beide zijden wordt ik gedrongen; ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil'. Sterven is voor Paulus ‘met Christus zijn'. Deze eenheid met Hem beleeft hij nu al (vgl. 1Kor.6:17 e.a.), maar hij verwacht dat deze band nog veel intenser zal worden na zijn dood. Daarom zegt hij: sterven en met Christus zijn is vergeleken bij blijven leven op aarde, verreweg het beste. In 2Kor.5:8 zegt hij: ‘Wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen.' Dit leven bij Christus, dat op de dood volgt, noemt Paulus een thuiskomen of ‘intrekken' bij de Heer. De tegenwoordige tijd ‘wij hebben' (2Kor.5:1) wijst op de zekerheid dat dit nieuwe bestaan gereed ligt op het moment dat het oude, aardse zal worden afgebroken.

 

Een tweefasenstructuur


Paulus spreekt zowel over een geborgenheid bij God direct na de dood, als over een latere opstanding van de doden (1Kor.15). De twee lijken temporeel gezien in elkaars verlengde te liggen. Wright noemt dit een ‘tweetrapsverwachting' (Wright, 226-227). Een tijdelijke geborgenheid in de hemel bij Christus, die direct na het sterven ingaat zal gevolgd worden door een opstanding uit de doden aan het einde der tijden. We hoeven hier dus niet te denken aan een ontwikkeling in het denken van Paulus over dit thema, zoals vaak gezegd is. Ook bij Jezus en de evangelist Lucas vinden we deze tweefasenstructuur. Er wordt enerzijds over de hades, het paradijs en de ‘eeuwige tenten' gesproken, waar men direct na de dood zal verblijven, en anderzijds over een opstanding uit de doden aan het einde der tijden (Luc.20:27-40). In de joodse apocalyptiek komen we dezelfde tweetrapsverwachting ook tegen (bv. in 4Ezra en 2Baruch; De Vries, 83-101).

 

Herinnering en herkenning


Er zijn vervolgens een paar vragen die ons bezig houden, zoals: Zijn de gestorvenen tussen dood en opstanding al volmaakt? Zijn zij in die tussentijd bij volle bewustzijn en is hun aardse identiteit herkenbaar?
‘Wanneer [de rijke] in het dodenrijk zijn ogen opslaat [...], ziet hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot' (Luc. 16:23). Zowel de rijke als Lazarus leven na hun dood voort, de een in een gezegende paradijselijke geborgenheid bij Abraham, de ander in een voorlopig verblijf bestemd voor onrechtvaardigen. Beide zijn gescheiden door een ‘grote kloof' (vs.26). De gestorvenen blijken elkaar te herkennen (vs.23, ‘ziet hij Abraham en Lazarus'), lichamelijk te functioneren (vs.24, ‘mijn tong verkoele') en herinneringen te hebben aan het aardse leven (vs.25 en 27). Jezus vertelt een gelijkenis, maar dat betekent niet dat wat Hij hier vertelt geen werkelijkheid is. Gelijkenissen zijn geen fabels, maar reële voorbeelden uit het dagelijks leven met een geestelijke les.
Het duidelijkst echter spreekt het boek Openbaring zich uit over de hemelse situatie van de gelovigen tussen dood en opstanding. In Openbaring 7 mag Johannes een blik werpen in de hemel en mag in een gezicht het moment zien dat een grote schare uit alle volk, stammen en natiën en talen daar staat voor de troon en voor het Lam. De hemelse tolk zegt dan tegen Johannes dat deze mensen uit de grote verdrukking komen en we lezen het volgende in vers 15-17 ‘zij zijn voor de troon van God en zij vereren Hem dag en nacht in zijn tempel; en Hij die op de troon gezeten is zal Zijn tent over hen uitspreiden. Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte, want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.'
In de eerste plaats merken we op dat er gezegd wordt dat deze mensen uit de grote verdrukking komen; hun aardse identiteit is dus bekend. Verder zien we hier dat er activiteit is in de hemel (‘ze vereren Hem'). Het dienen van God gaat door. Hoewel de genoemde zegeningen sterk overeenkomen met die in het hemels Jeruzalem op de nieuwe aarde (Op.22:1-5) is de hemelse situatie toch een voorlopige. De opstanding van het lichaam en de nieuwe aarde liggen nog in het verschiet.

 

Voorlopige heerlijkheid


Het voorlopige van het hemelse leven tussen dood en opstanding wordt ook benadrukt in Openbaring 6:9-11 waar we lezen dat Johannes onder het altaar in de hemel ‘zielen' van mensen ziet. Hij zegt: ‘Ik zag onder het altaar de zielen van hen die geslacht waren om het Woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden. En zij riepen met luider stem en zeiden: tot hoe lang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt u ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen? En aan elk hunner werd een wit gewaad gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het getal vol zou zijn van hun mededienstknechten ...'
Johannes spreekt hier over zielen die in de hemel zijn, maar het zijn wel zielen die kunnen roepen en bidden. Ze zijn dus blijkbaar bij hun volle bewustzijn. Ook hebben ze deel aan de zegeningen en de bestaanswijze van het hemelse leven, wat blijkt uit het witte kleed dat ze ontvangen. Maar nergens blijkt tegelijk duidelijker dan hier dat zij nog niet de uiteindelijke volmaaktheid genieten. De zielen vragen hoelang ze nog moeten wachten totdat Gods gerechtigheid op aarde geopenbaard zal worden. Er wordt hen gezegd dat ze nog een korte tijd moeten wachten, namelijk totdat het getal van hun broeders vol zal zijn. Hun hemelse heerlijkheid is voorlopig. Het volmaakte komt pas met de opstanding van het lichaam en de nieuwe aarde.

Literatuur:
TDNT = Theological Dictionary of the New Testament.
H.U. de Vries, Hoe worden de doden opgewekt? Op zoek naar de contouren van het opstandingsbestaan. Zoetermeer: Boekencentrum 2011.
N.T. Wright, The Resurrection of the Son of God, Minneapolis: Fortress, 2003.