Het 'Woord van de Heer' en de Geest van profetie

Over de relatie tussen apostolisch gezag en de gave van profetie in Joh. 16:13

drs Gijs van den Brink, 1999

 

 

`Doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waar­heid'. Deze woorden sprak Jezus vlak voor zijn sterven tot Zijn discipelen op weg naar de hof van Gethsemane. Maar wat bedoelde Hij hiermee? Was de openbaring van God in Zijn woorden en werken dan niet voldoende? En wat is dan die volle waarheid? Is het alleen wat apostelen als Paulus en Johannes aan openbaring hebben ontvangen? Of spreekt Jezus ook tot ons die in de twintigste eeuw de Heilige Geest hebben ontvangen? Dit zijn zo een paar vragen waarop we een antwoord zoeken.

 

De Geest getuigt van Jezus

 

In dit gedeelte van Jezus' afscheidswoorden (Joh.16:5-15) spree­kt Hij eerst over het werk dat de Heilige Geest ten aanzien van de wereld zou doen (16:5-11) om vervolgens in te gaan op wat de Heilige Geest zou doen in de kring van Zijn discipelen en in de latere gemeente (16:12-15).

Jezus zegt het volgende in Joh.16:12-15:
12  Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; 13  doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen. 14  Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen. 15  Al wat de Vader heeft, is het mijne; daarom zeide Ik: Hij neemt uit het mijne en zal het u verkondigen.

Allereerst spreekt Jezus hier niet zozeer over de inhoud van de toekomst, alswel over de toekomst als zodanig, over de houding van de discipelen naar de toekomst toe. Hij heeft nog veel te zeggen, maar dat kunnen de discipelen nu niet verdragen. Wat zij zullen meemaken aan mooie en moeilijke dingen kan vooraf niet allemaal gezegd worden. Niet voorkennis, maar geloof en vertrouwen karakteriseert een discipel van Jezus Christus. En Jezus hoeft ook niet alles te zeggen, want de openbaring zal met Zijn heengaan niet ophouden. De Heilige Geest zal komen, die hen de weg zal wijzen, Zijn woorden zal spreken en hen de toekomst zal verkondi­gen.

De Geest zal niet uit zichzelf spreken, maar wat Hij hoort zal Hij spreken. Even hiervòòr had Jezus gezegd: maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb. (Joh. 14:26)

En ook: Wanneer de Trooster komt, die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest der Waarheid, die van de Vader uitgaat, zal deze van Mij getuigen; en gij moet ook getuigen, want gij zijt van het begin aan met Mij. (Joh.15:26-27)

Het onderwijs van de Geest staat dus niet los van het onderwijs van Jezus. De Geest zal de discipelen de woorden van Jezus in herinnering brengen. En ook staat het getuigenis van de Geest niet los van het getuigenis van de discipelen. Het getuigenis van de Geest gebeurt in en door het getuigen van de discipelen. Het spreken van de Geest is geen magische werking, maar behoeft de verantwoordelijke inzet van de discipelen. Anderzijds gebeurt het getuigen van de gelovigen niet in eigen kracht, maar in de kracht van de Heilige Geest.

De verkondiging van de gemeente is niets anders dan het getuigenis van Jezus. De Geest werkt in het in de gemeente verkondigde Woord. En dat spreken van de Geest door het geopenbaar­de Woord van Jezus Christus schept geloof en vertrouwen in de toekomst.

Jezus zegt dus uitdrukkelijk dat het woord van de Geest niet Zijn woord vervangt of overtreft. `Hij zal mij verheerlij­ken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen'. De Geest zal aan Jezus' woorden herinneren en daarmee Hem verheerlijken. Het Evangelie van Jezus Christus is geen leerstelsel dat nog aanvullingen behoeft. En de Heilige Geest is niet een soort `innerlijk licht' dat op eigen gezag nieuwe leringen verkondigt. Nee, Jezus zegt: `Hij neemt uit het Mijne en zal het u verkondigen'.

 

Hij zal u de weg wijzen tot de volle waarheid

 

Na deze meer algemene inleiding, wil ik wat dieper ingaan op twee zinsdelen van onze tekst, te weten `de Geest der waarheid zal u de weg wijzen tot de volle waarheid' en ten tweede `de toekomst zal Hij u verkondigen'.

Dit zijn de tekstdelen die vragen oproepen, zoals we in onze aanvang hebben genoemd. Heeft de Geest meer waarheid, een vollere waarheid dan Jezus? En heeft de Geest meer inzicht in de toekomst dan Jezus? En hoe wordt ons dat dan geopenbaard? Laten we eens wat nauwkeuri­ger bezien wat hier gezegd wordt.

`De Geest der waarheid zal u de weg wijzen tot de volle waarheid'. We kunnen enerzijds de nadruk leggen op het aspect van de `waarheid '. Hoewel `waarheid' in het evangelie naar Johannes niet zozeer betekent `leerstellige waarheid', maar eerder `Gods werkelijkheid', kunnen we het element van geopenbaarde kennis toch niet aan deze `waarheid' ontzeggen. Jezus heeft de Waarheid gebracht en deze Waarheid moet geleerd en verkondigd worden. Ook in ons vers wordt gezegd dat de Geest de waarheid zal `spreken' en `verkondigen'. En elders zegt Hij `de Heilige Geest zal u alles leren' (14:26).

Zo bezien kun je zeggen dat het onderwijs van de Geest de verkondiging van Jezus Christus voortzet en aanvult. Aanvullen niet in de zin van nieuwe waarheid toevoegen, maar in de zin van verbreding en verdieping. `Tot de volle waarheid' is in het Grieks letterlijk `tot heel de waarheid', d.w.z. de Geest wijst de weg tot een volledig verstaan van de al aanwezige waarheid. We moeten hier dan denken aan het feit dat na Pasen en Pinksteren de OT-ische profetieën m.b.t. Jezus' dood en opstanding duidelijk worden. Ook aan het zich verdiepende inzicht in het wezen en de betekenis van Jezus' persoon en werk en de universele heilsbetekenis van Zijn komst naar de aarde. We denken dan bijvoorbeeld aan de brieven van Paulus en Hebreeën.

Maar er is nog een tweede meer algemeen aspect verwoord in deze woorden van Jezus. Van het leren van de Heilige Geest wordt bijvoorbeeld in 1Joh.2:27 gezegd dat dit het voorrecht van alle gelovigen is:
'En wat u betreft, de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft op u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar, gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waar­achtig is en geen leugen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft.'

Dit meer algemene aspect kunnen we ook beluisteren in de woorden `Hij zal u de weg wijzen'. Het Griekse woord betekent letterlijk `het leiden van een gids'. We komen dit bv. tegen in Psalm 25:5 (LXX)
'leid mij in uw waarheid en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils, U verwacht ik de ganse dag.'
en in Ps. 143:10 (LXX),
'Leer mij uw wil te doen, want Gij zijt mijn God, uw goede Geest geleide mij in een effen land.'

Het gaat hier niet om een verdieping van de waarheid, maar om de leiding van de Geest in het persoonlijk geloofsleven; De Geest leidt de gelovigen als een gids op hun levensweg en onder­wijst hen in de specifieke wil van God voor hun leven.
Het eerste aspect van de verdieping en verbreding van de waarheid is meer specifiek en vinden we vervuld in de prediking en de geschriften van de apostelen. Het tweede aspect van de leiding van de Geest in het leven is meer algemeen en is het voorrecht van alle gelovigen.

 

'De toekomst zal hij u verkondigen'

 

De tweede zinsnede die om opheldering vraagt is dat Jezus van de Heilige Geest zegt: `en de toekomst zal Hij u verkondigen'. Dat het hier om de gave van profetisch inzicht gaat, m.a.w. dat de Geest der waarheid die Jezus belooft aan zijn discipelen tevens de Geest van profetie is, is buiten kijf. Maar wat bedoelt Jezus met `de toekomst zal Hij u verkondigen'? Letterlijk zegt Hij `en de komende dingen zal Hij u verkondigen'.

Aan de ene kant is er de overeenkomst met termen als `de Komende' (Matt.11:3 e.a.) en de `toekomende eeuw' (Luc. 18:30 e.a.), die spreken over de Messias en de Messiaanse toekomst. Deze toekomst zal in volheid aanbreken bij de wederkomst van Jezus. De verwachting dat de Messias de mensen zou inlichten over deze toekomst was algemeen bekend in de dagen van Jezus. We beluisteren dit bijvoorbeeld in de woorden van de Samaritaanse vrouw in Johannes 4,
`Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen.' (Joh. 4:25)

De verkondiging van de Geest is hier in de lijn van het OT profetisch-eschatologisch. De Geest zal de verkondiging van Jezus m.b.t. de toekomst voortzetten en specificeren. De toekomst-verkondiging van Jezus vinden we o.a. in Zijn rede over de laatste dingen in Matt. 24. De toekomst-verkondiging van de Heilige Geest vinden we o.a. bij Paulus in 2 Tess. 2 en in de Openbaring van Johannes. Het betreft zaken die betrekking hebben op de wederkomst van Jezus en de tijd van verdrukking en chaos die daaraan vooraf gaat.

Maar er is nog een ander niet onbelangrijk gegeven verwoord in de zinsnede `en de komende dingen zal Hij u verkondigen'. Er is niet alleen een macro-aspect, maar ook een micro-aspec­t. De woorden `de komende dingen' komen nog één keer in het NT voor en wel in Joh. 18:4, waar Johannes over Jezus, als Hij de soldaten in de hof van Gethsemane ontmoet, letterlijk het volgende zegt:
'Jezus dan, wetende al de komende dingen over Hem, kwam naar voren en zeide tot hen: Wie zoekt gij?

Het gaat dan niet over een verre en grote toekomst, maar over de dingen die op het punt staan te gebeuren. Tot vier keer toe lezen we in het evangelie naar Johannes dat Jezus wist wat met Hem zou gaan gebeuren (Joh. 13:1,3; 18:4; 19:28). Hij was in de Geest op de hoogte van de dingen die met Hem zouden gebeuren. Deze werking van de Heilige Geest, de gave van profetie, vinden we ook in de christelijke gemeente na Pinksteren.

Bijvoorbeeld in Hand. 11:27-28,
En in die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochie; en een uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius.

En in Hand. 21 als Paulus in Caesarea is aangekomen lezen we:
`en gekomen in het huis van Filippus, de evangelist, die behoorde tot de zeven, bleven wij bij hem. Deze had vier ongehuwde dochters, die profetessen waren. En toen wij daar verscheidene dagen bleven, kwam uit Judea een zeker profeet, genaamd Agabus. Toen deze bij ons gekomen was, nam hij de gordel van Paulus, en zich voeten en handen bindende, zeide hij: Dit zegt de Heilige Geest: De man, van wie deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem zo binden en uitleveren in de handen der heidenen. (Hand. 21: 8-11)

Ook in de na-apostolische tijd hebben we voorbeelden dat de Geest openbaart wat in de nabije toekomst zal gebeuren. Zo werd Polycarpus, die in het midden van de tweede eeuw de martel­dood stierf, van tevoren in een visioen op de hoogte gebracht dat hij niet voor de wilde dieren zou worden geworpen, maar levend verbrand zou worden (Mart.Pol.v)

Ook met betrekking tot de betekenis van deze woorden van Jezus `de toekomst zal Hij u verkondigen', zien we dus twee aspecten. Enerzijds een specifieke vervulling in de prediking en de geschriften van de apostelen, anderzijds een algemene betekenis voor alle gelovigen. En niet alleen voor de eerste generatie, maar ook voor de gelovigen van de tweede tot en met de huidige eeuw.

 

Apostelen en discipelen

 

Als we nu proberen onze bevindingen te ordenen, dan kan het volgende gezegd worden. In Joh.16:13 spreekt Jezus enerzijds specifiek tot de twaalf apostelen, anderzijds tot alle gelovi­gen. En dit is niet zo vreemd als we beseffen dat er vóór Pinksteren geen onderscheid van betekenis was tussen apostelen en discipelen. De twaalf discipelen zijn enerzijds uniek en onderscheiden van alle latere gelovigen, omdat zij oor- en ooggetuigen zijn geweest van de openbaring van God in Jezus Christus. Anderzijds vertegenwoordigen zij als discipelgemeen­schap vóór Pinksteren, alle gelovigen. Pas na Pinksteren komt er een duidelijk onderscheid tussen de twaalf apostelen en de rest van de gemeente van de Heer.

Vandaar dat het ook niet vreemd is dat deze belofte van Jezus een andere betekenis heeft voor de twaalf als voor de gewone gelovigen. De apostel Johannes is zelf van dit onderscheid op de hoogte geweest, want het is precies deze situatie die we aantreffen in de Openbaring van Johannes. De apostel heeft weet van zijn unieke positie. Zijn openbaringen zijn waarachtig en betrouwbaar, zoals hij zegt in hoofdstuk 22:6 `Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Here, de God van de geesten der profeten, heeft Zijn engel gezonden, om zijn knechten te tonen, hetgeen weldra geschie­den moet.'

Deze woorden dragen het hoogste gezag, nl. dat van God zelf. Geen enkele menselijke instan­tie, zelfs niet andere profeten, kan deze woorden beoordelen, en het eeuwige lot van de mens hangt af van het aanvaarden van de boodschap in dit boek, zoals we lezen in hfst 22:18-19,
'Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek geschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.'

De specifieke opdracht van Johannes is om de openbaring van Christus door te geven aan zijn broeders, de profeten (Openb. 1:1; 22:6,9,1­6) en dit stelt hem boven of op z'n minst apart van de andere profeten.[i]

Ook de inhoud van de profetieën verschilt. Johannes staat in de lijn van de OT-ische schriftpro­feten, die profeteren over het einde van de wereld en de komst van het Koninkrijk van God. Maar van de andere profeten wordt gezegd in Openb. 19:10b,
`Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie'.

Dit laatste brengt ons weer terug bij de betekenis van Joh. 16:13 voor alle gelovigen, zoals we dat eerder uiteengezet hebben. Jezus heeft de Trooster beloofd, de Geest der waarheid en Die zal ons als een gids leiden op onze levensweg. Ook zal Hij middels de gave van profetie bepaalde belangrijke gebeurtenissen aankondigen om de gelovigen te waarschuwen.

Maar gezaghebbende openbaringen m.b.t. de grote toekomst van de wereld en het Koninkrijk van God, zijn voorbehouden geworden aan de apostelen, die oor- en ooggetuigen waren van de woorden en werken van onze Heiland Jezus Christus, zoals Johannes zo krachtig verwoordt in 1Joh.1:1,3

Hetgeen was van den beginne, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze [eigen] ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens ... verkondigen wij ook u'.

 

Noten


[i] D. Hill, ‘Prophecy and Prophets in Revelation', New Testament Studies 18 (1972), 401-418; D.E. Aune, ‘The Prophetic Circle of John of Patmos and the Exegesis of Revelation 22.16', Journal for the Study of the New Testament 37 (1989), 103-116