Evangelische Leefgemeenschappen in Nederland


Recensie drs Cees Stavleu


boek.jpgAl enige tijd brengt uitgeverij Kok een serie boeken uit, waarin wereldreligies, kerken en stromingen worden behandeld. In de reeks kerken en groepering is een paar jaar geleden een boek uitgekomen over evangelische leefgemeenschappen. Zoals gebruikelijk in deze reeks is het boek geschreven door auteurs, die uit deze gemeenschap afkomstig zijn. Gijs ven den Brink en Wim Dorsman zijn al vele jaren verbonden aan de evangelische leefgemeenschap Elim te Doorn. 

Henk Minnema heeft bijna 25 jaar deel uitgemaakt van de Emmausbeweging van Abbé Pierre en is betrokken geweest bij het steunpunt Leefgemeenschappen. De auteurs staan voor de beslist niet gemakkelijke taak om het complexe fenomeen van evangelische leefgemeenschappen in Nederland in kaart te brengen. Alleen al de terreinafbakening is niet eenvoudig. 

De algemene omschrijving, die de auteurs aanreiken voor leefgemeenschappen, luidt als volgt: 'Een leefgemeenschap is een verband van drie of meer volwassenen, die vrijwillig bij elkaar wonen en een gezamenlijke huishouding voeren'. De identiteit van een evangelische leefgemeenschap wordt als volgt beschreven: 'Ze zoeken bepaalde sociale problemen op te lossen en willen een sociaal alternatief zijn. De basis hiervoor is hun geloof in Jezus Christus' (p.9,10). 

In een derde hoofdstuk laten de schrijvers de historische wortels van de beweging zien. Zij beschrijven de ontwikkeling vanaf het Nieuwe Testament tot heden en laten vele voorbeelden uit de geschiedenis van vergelijkbare gemeenschappen zien. De recente historische achtergrond van de evangelische leefgemeenschappen wordt geplaatst in de opkomst van zendingsgenootschappen in de 19de eeuw. Dit houdt mede verband met het feit, dat roeping niet wordt gelegitimeerd wordt door een kerkelijk ambt, maar door persoonlijk roepingsbesef. Evangelische leefgemeenschappen maken deel uit van deze bewegingen, waar niet het ambt centraal staat, maar waar mensen handelen vanuit de overtuiging dat zij persoonlijk geroepen zijn. 

In het vierde hoofdstuk wordt gepoogd de verschillende opvattingen van de evangelische leefgemeenschappen te schetsen. Na een aantal misvattingen en karikaturen besproken te hebben, wordt aangegeven op welke wijze groei naar gemeenschap mogelijk is. Daarbij spelen zaken als vergeving en het leren omgaan met zwakheid, antipathie en sympathie een rol. Een groep mensen, die dit proces ingaat, gaat zich kenmerken door zaken als soberheid, medeleven en mededeelzaamheid. Kortom: de praktische kanten van het christen-zijn ontvangen op deze wijze nadruk.

Uitermate boeiend is het gedeelte over de fasen in het gemeenschapsleven. Beginnend met een stadium van euforie, die zich kenmerkt door een oppervlakkig wij-gevoel, ontwikkelt zich op den duur een chaotische toestand, waarin de verschillen tussen groepsleden bovenkomen. Dit is het moment, waarop ingegrepen moet worden. In het maatschappelijk leven worden deze zaken opgelost door de ontwikkeling van een betere organisatie. Het kenmerk van een leefgemeenschap is dat hier een andere beslissing wordt genomen. De groepsleden besluiten de stilte in te gaan, de chaos te erkennen en de confrontatie met God en zichzelf in te gaan. Dit houdt in dat er sprake is van een erkenning van eigen grenzen en tekortkomingen. Wanneer dat gebeurt, is de basis gelegd tot werkelijke gemeenschap.

Het belang van de leefgemeenschap voor de gefragmenteerde samenleving wordt tenslotte aangegeven in de eigen waarde voor de hulpverlening. Deze eigen waarde wordt niet afgezet tegen professionele hulpverlening, maar wordt opgevat als aanvulling erop. In het vijfde hoofdstuk besteden de auteurs aandacht aan het geestelijk leven van leefgemeenschappen. Dit is beslist geen makkelijke taak, aangezien de beschreven gemeenschappen zich kenmerken door een grote mate van pluriformiteit.

Wat mij hier opvalt is dat bij de opgesomde zaken altijd weer uitzonderingen op de regel zijn. In dit opzicht beantwoordt de slotzin gelukkig veel van mijn vragen. Deze luidt: 'de gemeenschappen die we bezocht hebben verschillen sterk van elkaar en toch overheerst allereerst het gevoel van herkenning, van een leven dat gedeeld wordt, dwars door de verschillen heen.' Hiermee hebben de auteurs een wezenstrek van leefgemeenschappen onder woorden gebracht: deze ligt in het relationele aspect van het evangelie. Dit is niet iets wat zich laat categoriseren, maar wat je eigenlijk moet meemaken en proeven. 

Graag zou ik van de gelegenheid gebruik willen maken de auteurs te complimenteren met dit mooie boek. De waarde ervan ligt tevens in de erkenning van de stroming, waarvan ze deel uitmaken. De evangelische leefgemeenschappen krijgen op deze manier immers een plaats temidden van de kerken en gemeenten in Nederland. Tevens blijft het boek me prikkelen tot het stellen van vragen. Het boek zie ik in hoge mate als een aanzet tot verdere doordenking. Gezocht zou moeten worden naar wezenstrekken van de beweging. Met de inzet bij het relationele is een goede handreiking gegeven, maar van hieruit kan verder worden gesystematiseerd.

Vanuit dit centrale begrip kan opnieuw worden gekeken naar bijbels en kerkhistorische materiaal. Via dit onderzoek kunnen nieuwe impulsen worden gegeven aan de geloofsleer en aan gebieden buiten de theologie. Hierbij denk ik aan terreinen als economie en hulpverlening. Kortom: evangelische leefgemeenschappen kunnen meer voor kerk en maatschappij betekenen, dan ze zich misschien zelf bewust zijn. Ik zou zeggen: blijf handelen en blijf doordenken! 

Gijs van den Brink, Wim Dorsman, Henk Minnema; Evangelische Leefgemeenschappen in Serie Wegwijs, Kampen 2003